Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4000

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
23-000093-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000093-18

datum uitspraak: 25 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-126600-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) schoppen/trappen op/tegen de (rechter onder)arm, althans tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer], waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de verdachte van het hem ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Hiertoe heeft de raadsvrouw, kort samengevat, aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster [slachtoffer] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (vriendinnen van de aangeefster) onbetrouwbaar zijn, omdat de verklaringen afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris niet consistent zijn. Derhalve zouden de verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs. De inconsistentie zou veroorzaakt zijn doordat de aangeefster en haar vriendinnen inzage zouden hebben gehad in het dossier voorafgaand aan de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris, aldus de verdediging. De andere getuigenverklaring van omstander [getuige 3] is volgens de verdediging ook inconsistent, omdat deze getuige bij de politie heeft aangegeven dat de verdachte een karatetrap zou hebben gegeven maar bij een later verhoor op vragen van de raadsvrouw heeft verklaard dat de verdachte het slachtoffer enkel een harde duw zou hebben gegeven.

Het hof acht de verklaring van de aangeefster dat zij door de verdachte is getrapt voldoende betrouwbaar en in lijn met wat de verdachte bij de politie heeft verklaard:

Toen kwam [de aangeefster] naar de auto toe. Ze gaf me daar een duw en ik heb haar een duw teruggegeven. Ik zag dat zij vervolgens op me af kwam en ik gaf haar toen een trap. Het was een reflex van me, omdat ze op me af kwam. Ik had het misschien niet moeten doen, maar het is ook een opeenstapeling van alles wat ik met haar heb meegemaakt. Ik had haar misschien niet mogen schoppen, maar ik kan niet tegen dit soort machtsvertoon van [slachtoffer]. Het getuigt niet van respect. Toen ik haar had geduwd, kwam ze op me afrennen, verbaal agressief. Het zou kunnen dat ze door de trap ten val kwam.

De overige door de raadsvrouw genoemde verklaringen worden niet tot het bewijs gebezigd, zodat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

Subsidiair heeft de raadsvrouw, overeenkomstig haar pleitnota, aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. De verdachte zou uit reflex de aangeefster hebben teruggeduwd toen zij de eerste keer op hem af kwam en een afwerende beweging hebben gemaakt met zijn been toen de aangeefster voor de tweede keer dreigend op hem af kwam. Volgens de verdediging is er sprake van een proportionele verdediging, mede gezien het feit dat uit de verklaring van de aangeefster is gebleken dat zij degene is die als eerste fysiek contact heeft gemaakt.

Naar het oordeel van het hof is, voor zover de gedragingen van de aangeefster – een duw geven en na de duw die de verdachte haar teruggaf, opnieuw op hem aflopen – al kunnen worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eens anders lijf, op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van de verdachte geboden waren door de noodzakelijke verdediging van diens lijf. Het hof gaat er, mede op grond van de hiervoor geciteerde eigen verklaring van de verdachte, van uit dat er sprake is geweest van een trap en geen simpele beweging ter afwering met het been van de verdachte. Het hof is van oordeel dat de gekozen gedraging van de verdachte – indien die zou worden bezien als verdedigingsmiddel, zoals de raadsvrouw betoogt – in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Immers, de verdachte had onder de gegeven omstandigheden een minder zwaar middel kunnen en moeten hanteren om de angel uit deze confrontatie te halen, in plaats van het geven van een trap aan de moeder van zijn dochter. Die dochter zat bovendien op korte afstand van haar ouders in de auto. Uit het meer genoemde citaat van zijn politieverklaring blijkt voorts niet zo zeer dat de verdachte zich in het nauw gedreven voelde door het handelen van de aangeefster op dat moment, maar veeleer dat het onderliggende conflict hem dwars zat en dat de trap daaruit voortkwam. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 juni 2016 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal met kracht trappen tegen de rechter onderarm, van voornoemde [slachtoffer], waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren subsidiair tien dagen hechtenis met een proeftijd van één jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van de moeder van zijn kind, door haar een trap te geven. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel en pijn ondervonden. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien heeft de mishandeling plaatsgevonden in aanwezigheid van zijn dochter. Het hof acht deze vorm van geweld laakbaar.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 september 2018 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf zoals gevorderd door de advocaat-generaal passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert doordat deze niet van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit geldt met name in verband met de mogelijk matigende invloed op de schadevergoedingsplicht van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek, in verband met de (deels) eigen schuld van de benadeelde. De vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.M. Kengen en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van I.J.A. Barends, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 oktober 2018.

Mr. Kengen en mr. Den Otter zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]