Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3990

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
23-003291-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

9,2 WVW; bevestiging, muv de kwalificatie van het bewezenverklaarde en de opgelegde straffen, en mdv dat het hof de door de politierechter gebezigde bewijsvoering zal aanpassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003291-17

datum uitspraak: 28 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 september 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 96-208257-16 (hierna: zaak A) en 96-112208-17 (hierna: zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol HvB te Badhoevedorp.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, Sv, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde en de opgelegde straffen (in zoverre zal het vonnis worden vernietigd) en met dien verstande dat het hof de door de politierechter gebezigde bewijsvoering zal aanpassen op na te melden wijze.

Aanpassing bewijsvoering

Het hof vervangt de inhoud van het door de politierechter in zijn vonnis onder 3 vermelde bewijsmiddel, bestaande uit vragen (V) van de verbalisanten en, in antwoord (A) daarop, de op 22 juni 2017 afgelegde verklaring van de verdachte, door het volgende:

V: Je reed in een auto en uit controle bleek dat je rijbewijs ongeldig is verklaard. Weet je dat?

A: Ja, dat weet ik. Daarom had ik ook die naam gegeven, toch? Ik had bij de staandehouding een valse naam gegeven.

V: Heb jij je rijbewijs al ingeleverd?

A: Ja, natuurlijk. Dat heb ik netjes gedaan.

Voorts legt het hof aan de bewijsbeslissing in zaak B ook de inhoud van het volgende bewijsmiddel ten grondslag:

4.
Een geschrift, zijnde een besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 22 maart 2016, ondertekend door [naam], teammanager vorderingen, divisie Rijgeschiktheid. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

De heer [verdachte]

U heeft een onderzoek naar uw alcoholgebruik gehad. De uitslag van het onderzoek is dat u niet geschikt bent om te rijden. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 29 maart 2016. U mag uw rijbewijs niet meer gebruiken.

Het onder 4 vermelde bewijsmiddel – een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° Sv – is slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Kwalificatie

Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week, met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een personenauto bestuurd terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig aan te trekken van besluiten van het bevoegd gezag die met het oog op de verkeersveiligheid worden genomen.

Het hof heeft gelet op de straf die door rechters in soortgelijke gevallen aan first offenders wordt opgelegd. Die straf heeft zijn weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin wordt een gevangenisstraf voor de duur van twee weken genoemd.

In strafverzwarende zin heeft het hof meegewogen dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 september 2018 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor ernstige vermogens- en geweldsmisdrijven en vuurwapenbezit tot een langjarige gevangenisstraf. Desondanks zal het hof niet ten nadele van de verdachte van genoemd oriëntatiepunt afwijken, omdat het hof – in strafmatigende zin – in het verlengde van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) rekening houdt met de omstandigheid dat de verdachte recentelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden. In hetgeen door de advocaat-generaal en de raadsvrouw is aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om een andere dan een vrijheidsstraf op te leggen, laat staan om artikel 9a Sr toe te passen.

Het hof acht, alles afwegende, oplegging een gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 63 Sr. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-208257-16 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de kwalificatie van het in de zaak met parketnummer 96-112208-17 bewezen verklaarde en de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het voorgaande.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van

mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 september 2018.