Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3975

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
23-001952-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 4 mnd gev.straf voorwaardelijk (proeftijd 2 jaren) en taakstraf van 240 uren voor sociale zekerheidsfraude. Bijstandsuitkering zonder opgave te hebben gedaan van bezit van onroerende zaken (bouwgrond en appartementencomplex) in Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001952-17

datum uitspraak: 25 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-001052-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1958,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis, waarbij de verdachte van het tenlastegelegde is vrijgesproken, is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 31 mei 2013 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 Wet werk en bijstand, (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (norm gezin/ gehuwden), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk nagelaten tijdig en/of volledig (bij) (de Sector Werk&Inkomen van) de gemeente Zaanstad op de hoogte te stellen en/of in te lichten en/of op te geven dat hij, verdachte, vermogen/
onroerende goed(eren)/za[a]k[en] (te weten een perceel [bouw]grond [185 m2] en/of een perceel grond [138 m2] met een appartementencomplex, althans een gebouw, te [geboorteplaats] in Turkije) in eigendom had en/of daarover beschikte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 mei 2013 te Zaandam in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (norm gezin), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers heeft verdachte opzettelijk nagelaten volledig de gemeente Zaanstad er over in te lichten en aan de gemeente Zaanstad op te geven dat hij, verdachte, onroerende goederen (te weten een perceel bouwgrond van 185 m2 en een perceel grond van 138 m2 met een appartementencomplex, te [geboorteplaats] in Turkije) in eigendom had en daarover beschikte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.


Nadere bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en heeft het hof in het verlengde daarvan verzocht het vonnis waarvan beroep te bevestigen. Daartoe heeft zij, kort gezegd, aangevoerd dat de verdachte geen opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – heeft gehad op het achterhouden van de voor de verkrijging, de hoogte en het behoud van een uitkering vereiste gegevens. Hoewel er in Turkije een perceel grond en een appartementencomplex op naam van de verdachte waren gesteld, waren deze onroerende zaken bestemd voor zijn zusters en had zijn vader deze slechts op naam van de verdachte gezet, omdat de echtgenoten van de zusters niet voldoende betrouwbaar zouden zijn. De onroerende zaken behoorden dus feitelijk toe aan de zusters van de verdachte. Hij heeft zich daarom niet gerealiseerd dat hij bij de gemeente Zaanstad melding had moeten maken van deze op zijn naam gestelde onroerende zaken.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat sinds 6 november 1987 respectievelijk 25 mei 1992 een perceel bouwgrond en een perceel grond met daarop een appartementencomplex van vier appartementen in Turkije op naam van de verdachte waren geregistreerd. De totale waarde van de onroerende zaken is vastgesteld op een bedrag van € 117.200,00. Voorts is gebleken dat de verdachte en zijn echtgenote gedurende de periode van 1 november 1990 tot en met 31 december 2013, alsook in de periode van 1 januari 2004 tot 1 juni 2013 een uitkering (gezinsnorm) hebben ontvangen van de gemeente Zaanstad. De appartementen werden mede door de verdachte gebruikt als vakantiewoning. De zoon van de verdachte heeft tegenover de gemeente verklaard dat de vaste lasten van de appartementen van de bijstandsuitkering van zijn ouders werd betaald. Dit sluit aan bij het antwoord dat de verdachte heeft gegeven op de vraag van de sociale recherche door wie de onroerende zaakbelasting in Turkije werd betaald, inhoudende: “Ik betaalde dus de belasting daar, maar ik was niet altijd in Turkije. Iemand betaalde daar dan”. Mede in het licht van deze feiten en omstandigheden acht het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte slechts ‘op papier’ de eigenaar van de onroerende zaken is geweest.

Op grond van het in de ten laste gelegde periode geldende artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand had de verdachte de verplichting op verzoek of uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed konden zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte, de duur en het bedrag van de bijstand dat aan hem werd betaald.

De verdachte heeft aan de gemeente Zaanstad nimmer mededeling gedaan van het bezit van de onroerende zaken in Turkije; niet uit eigen beweging, noch naar aanleiding van bijvoorbeeld de periodiek door de verdachte ingevulde en ondertekende rechtmatigheidsformulieren waarin onder meer werd gevraagd naar de opgave van (wijzigingen) in het inkomen en andere gegevens die gevolgen kunnen hebben voor de uitkering.


De verdachte heeft ten overstaan van de sociale recherche verklaard dat hij onder ‘vermogen’ een huis en grond verstaat en dat hij wist dat de onroerende zaken in Turkije op zijn naam stonden. Voorts heeft hij toen verklaard dat de inlichtingenplicht die in verband met de uitkering geldt hem zegt dat het belangrijk is om de gemeente te informeren. Ook heeft hij daar verklaard dat de rechtmatigheidsformulieren van februari 2010, mei 2010, augustus 2010, november 2010, februari 2011 en april 2011 door hem samen met een collega zijn ingevuld aan de hand van een eerder ingevuld formulier. Die collega stelde hem vragen, bijvoorbeeld of de verdachte een auto bezat. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij naar aanleiding van laatstgenoemde vraag wel aan de grond in Turkije heeft gedacht, maar dat hij de noodzaak niet voelde om hiervan melding te maken omdat de grond wat hem betreft feitelijk niet aan hem toebehoorde. Ook heeft de verdachte daar verklaard dat hij de gemeente er wel van op de hoogte zou hebben gesteld als zijn vader onroerend goed in Nederland op zijn naam zou hebben gesteld.

Dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten aan de gemeente Zaanstad gegevens te verstrekken over de onroerende zaken in Turkije volgt rechtstreeks uit de bewijsmiddelen. Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat de verdachte niet wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat het bezit van de onroerende zaken een omstandigheid is waarvan hij opgave had moeten doen bij de gemeente, vindt dat weerlegging in de verklaringen van de verdachte. Immers, hieruit volgt dat de verdachte niet alleen wist dat de op zijn naam gestelde onroerende zaken in Turkije onder ‘vermogen’ wordt verstaan, maar ook dat hij zich bewust was van de omstandigheid dat vermogen relevant is voor de vaststelling van het recht op een uitkering. De verdachte heeft vervolgens zelfstandig – ten onrechte – de afweging gemaakt om hiervan geen melding te maken bij de gemeente. Door aldus te handelen heeft de verdachte de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw heeft, in geval van een bewezenverklaring, verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, nu hij first offender is en zich geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan. Een voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel gecombineerd met een taakstraf, behoort volgens de raadsvrouw wel tot de mogelijkheden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan sociale zekerheidsfraude. Gedurende een periode van ruim zeven jaren heeft hij een bijstandsuitkering genoten, terwijl hij naliet op te gegeven dat hij in het bezit was van een perceel bouwgrond en een appartementencomplex in Turkije. Aldus heeft hij het vertrouwen geschaad waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland is gebaseerd en de gemeente Zaanstad – en daarmee de gemeenschap – benadeeld voor een bedrag van in totaal € 118.709,88. Voorts heeft hij daarmee misbruik gemaakt van voorzieningen die zijn bedoeld om middelen van bestaan te garanderen voor diegenen die niet bij machte zijn deze op eigen kracht te verwerven. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft gelet op de straffen die ter zake van uitkeringsfraude in soortgelijke gevallen aan first offenders plegen te worden opgelegd. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt bij een benadelingsbedrag als hier aan de orde genoemd een gevangenisstraf van 5 tot 9 maanden of een daarmee in de pas lopende combinatie van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. In dit geval ziet het hof geen aanleiding om de verdachte, die in de afgelopen 60 jaar niet eerder is veroordeeld, niet in aanmerking te laten komen voor die tweede variant, te minder omdat hij met de gemeente Zaanstad een regeling heeft getroffen voor de terugbetaling van het benadelingsbedrag. Daarom acht het hof, alles afwegende, oplegging van een taakstraf van 240 uren passend en geboden, in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Mede met die laatste straf wordt de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en ook wordt daarmee beoogd de verdachte in te prenten dat hij zich in de toekomst verre moet houden van het plegen van strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. V. Mul en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 oktober 2018.

mr. J.J.I de Jong is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

.