Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3959

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
23-001410-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belediging ambtenaar in functie (art. 266 jo. 267 Sr). Beperkte overschrijding redelijke termijn ex art. 6 EVRM in eerste aanleg is in voldoende mate gecompenseerd door de voortvarende behandeling in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001410-18

datum uitspraak: 28 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-201304-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het hof neemt aan dat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken van de impliciet cumulatief tenlastegelegde belediging van [naam], gelet op de dienovereenkomstige mededeling van de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep en op de enkelvoudige kwalificatie van het bewezenverklaarde in de aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter van 13 april 2018. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 6 oktober 2015 te Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten de aldaar dienstdoende brigadier van politie te Amsterdam [verbalisant] gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft toegevoegd: jij bent gewoon een kankermalloot en/of een fucking verstandelijke gehandicapte en/of een mongool, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover het daartegen ingestelde hoger beroep ontvankelijk is, worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hettenlaste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 oktober 2015 te Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten de aldaar dienstdoende brigadier van politie te Amsterdam, [verbalisant], gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening in haar tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd: “jij bent gewoon een kankermalloot, een fucking verstandelijk gehandicapte en een mongool”.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 200, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het relevante oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) van € 150, met maximaal 33% kan worden verhoogd, gelet op de omstandigheden van het geval, in het bijzonder het feit dat sprake was van een één-op-één-situatie tussen de aangeefster en de verdachte. Op het daaruit volgende uitgangspunt van

€ 200 zou, aldus de raadsvrouw, vervolgens een matiging moeten worden toegepast omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van een politieambtenaar tijdens de uitoefening van haar functie. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich niet gedragen met het van hem en ieder ander te vergen respect voor politieambtenaren tijdens hun werk.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 september 2018 is hij meermalen eerder ter zake van misdrijven onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in het nadeel van de verdachte weegt.

In de onderhavige zaak is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn van berechting aangevangen met de op 13 oktober 2015 aan de verdachte toegezonden strafbeschikking. Na verzet van de verdachte tegen deze strafbeschikking heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam op 13 april 2018 vonnis gewezen. De redelijke termijn in die fase is aldus met zes maanden overschreden. Het hof is van oordeel dat deze (beperkte) overschrijding in voldoende mate is gecompenseerd door de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep, nu het hof binnen zes maanden na het instellen van het hoger beroep arrest wijst, waardoor de procedures in eerste aanleg en hoger beroep tezamen minder dan drie jaar hebben geduurd.

Het hof acht, alles afwegende, net als de politierechter een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van de hem tenlastegelegde belediging van [naam].

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht.

Vernietigt de strafbeschikking van 13 oktober 2015 onder CJIB-nummer 8132 5420 0239 8656.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 september 2018.

De griffier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]