Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3957

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
23-001867-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lokaalvredebreuk door negeren winkelverbod (art. 138 Sr). Vordering TUL: taakstraf i.p.v. hechtenis (omzetting).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001867-18

datum uitspraak: 29 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-087423-18 en 13-225036-16 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1954,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 augustus 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 mei 2018 te Amsterdam in het besloten lokaal locatie bij de Jumbo (vestiging [adres 2], Amsterdam Zuidoost), althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 13 april 2018 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 12 maanden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 mei 2018 te Amsterdam in het besloten lokaal bij de Jumbo (vestiging [adres 2], Amsterdam Zuidoost) in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, terwijl hem, verdachte, met ingang van 13 april 2018 schriftelijk de toegang tot die winkel was ontzegd voor de duur van 12 maanden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 8 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 4 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De verdediging heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de door de politierechter opgelegde taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk door een winkelverbod te negeren. Hij heeft daardoor overlast voor de betreffende supermarkt veroorzaakt.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen door rechters plegen te worden opgelegd. Waar de verdachte, blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 augustus 2018, bovendien diverse malen eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens winkeldiefstal en hij dus vaker winkelbedrijven door het plegen van misdrijven heeft gedupeerd, acht het hof, alles afwegende, net als de politierechter een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 138 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 december 2016 in de zaak met parketnummer 13-225036-16 terzake van winkeldiefstal opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft de toewijzing van de vordering gevorderd, maar heeft daarbij opgemerkt zich niet te verzetten tegen een eventuele omzetting van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in een taakstraf.

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Daartoe heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat sprake is van een positieve wending in het leven van de veroordeelde, hetgeen wordt bevestigd door de reclassering en het Leger des Heils en hetgeen zijn weerslag vindt in het feit dat de veroordeelde sinds onderhavig feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, een taakstraf op te leggen, zulks gelet op de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.

Het hof overweegt als volgt.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is essentieel dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan gevolgen worden verbonden, ook als het gaat om een andersoortig strafbaar feit. Dat dient ook in deze zaak te geschieden. In de actuele persoonlijke situatie van de verdachte, zoals deze op de terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, ziet het hof evenwel aanleiding om, in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, de tenuitvoerlegging te gelasten van een taakstraf van hierna te melden duur.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 8 (acht) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 december 2016 met parketnummer 13-225036-16, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, een taakstraf voor de duur van 14 (veertien) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 augustus 2018.