Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3956

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
23-001780-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis m.u.v. de beslissing omtrent TUL en met aanvulling gronden. Diefstal voorafgaand en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen. Vorderingen tot tenuitvoerlegging: taakstraffen i.p.v. hechtenis (omzetting).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001780-17

datum uitspraak: 12 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 mei 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 15-800445-16 en 15-051658-13 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2018 en 29 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, Sv, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de beslissing omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:

- de door de rechtbank gehanteerde bewijsvoering, zoals opgenomen in paragraaf 3.3 van het vonnis onder ‘Redengevende feiten en omstandigheden feit 1’ en ‘Bewijsoverweging’, wordt vervangen door de onderstaande bewijsvoering;

- het hof bij de beoordeling van de strafoplegging het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht heeft betrokken.

Bewijsvoering

De overtuiging dat de verdachte het door de rechtbank onder 1 bewezen verklaarde heeft begaan grondt het hof op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het arrest zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit arrest te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

Mede naar aanleiding van het in hoger beroep door de raadsman van de verdachte gevoerde bewijsverweer legt het hof aan de bewezenverklaring voorts de volgende bewijsoverwegingen ten grondslag.

Verweer van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat

( i) niet kan worden vastgesteld dat de man op de camerabeelden de dader van de beroving is, omdat de man op de beelden niet voldoet aan het door de getuigen opgegeven signalement van de dader;

(ii) niet bewezen kan worden dat de man op de camerabeelden de verdachte is. Immers, daarop is niet te zien dat die man in het oog springende tatoeages in het gezicht en op de handen heeft, zoals de verdachte die heeft. Dergelijke tatoeages zijn evenmin door de aangever of één van de getuigen gezien. Bovendien zijn de herkenningen door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet bruikbaar voor het bewijs, omdat zij hebben nagelaten voldoende specifieke en onderscheidende persoonskenmerken te noemen aan de hand waarvan zij de verdachte op de stills van de camerabeelden hebben herkend.

Oordeel van het hof

Het hof neemt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende als vaststaand aan.

De aangever [naam 1] is op 19 augustus 2016 op een tijdstip gelegen tussen 13.50 uur en 14.20 uur in het ‘Munnikenbolwerk’ te Alkmaar tijdens een wandeling in het park aldaar door een gemaskerde man de bosjes ingetrokken en onder bedreiging van een mes beroofd van zijn portemonnee met daarin een betaalpas. Daarbij is de aangever door de dader onder meer bij zijn schouders vastgepakt en naar de grond geduwd. De dader is door de aangever omschreven als een man met een lengte tussen 1.80 en 1.90 meter, die gekleed was in een vest c.q. sweater met lange mouwen en een donkerkleurige broek, en die fietste op een donkerkleurige fiets met een rekje op het stuur. De getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] zaten ten tijde van de beroving in het park op een bankje en hebben eerst de dader en toen de aangever uit de bosjes zien komen. [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] hebben kort na het incident tegenover de politie een verklaring afgelegd, waaruit het volgende beeld van de dader naar voren komt. Het gaat om een man met kort haar en een lengte tussen 1.80 en 1.90 meter, die gekleed was in een grijs trainingspak of in ieder geval een grijze/donkere broek en een grijs trainingsjack/vest met strepen (volgens [getuige 1] van het merk Adidas), en die gebruik maakte van een zogenaamde ‘opoefiets’, zwart van kleur en met een rekje voor op het stuur. De dader droeg een zogenaamd ‘Anonymus masker’ toen hij uit de bosjes vandaan kwam.

Bij het opsporingsonderzoek zijn er audiovisuele opnames van toezichtcamera’s die zijn opgesteld in de omgeving van de plaats delict veiliggesteld en bekeken. Op deze beelden is een man met kort gemillimeterd haar en een donkere zonnebril te zien die gebruik maakt van een zwarte ‘opoefiets’, aan de voorzijde voorzien van een rekje, en die een grijsgroen trainingsjas/-jack van het merk Adidas droeg en een zwarte broek van hetzelfde merk. Het is van algemene bekendheid dat de kleding van het merk Adidas is voorzien van drie evenwijdige strepen.

Naar het oordeel van het hof staat buiten redelijke twijfel vast dat de verdachte de man is die op de camerabeelden te zien is. Dat berust op het volgende.

Politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de man die op stills van voornoemde camerabeelden te zien is herkend als de verdachte en daarbij toegelicht dat zij de verdachte de dag voor de beroving in Alkmaar staande hebben gehouden. Hij was op dat moment gekleed in exact dezelfde kleding – inclusief zonnebril – als gedragen werd door de man die op de beelden te zien is, en hij had een (soortgelijke) fiets bij zich. [verbalisant 1] heeft de verdachte daarnaast herkend aan zijn postuur en omdat het geheel aan uiterlijke kenmerken voor hem ‘hetzelfde plaatje’ opleverde als op 18 augustus 2016 en [verbalisant 2] heeft de verdachte tevens herkend aan zijn postuur, de vorm van zijn hoofd en zijn kapsel. Gelet op de door de politieambtenaren genoemde specifieke, onderscheidende (persoons)kenmerken en het feit dat zij kort voor hun herkenningen beroepshalve contact met de verdachte hebben gehad, acht het hof de herkenningen overtuigend, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daarnaast heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep vastgesteld dat er sterke, in hoge mate identificerende, uiterlijke gelijkenissen bestaan tussen de man die te zien is op de camerabeelden – van onder meer de camera’s die zicht hadden op de Paternosterstraat en de Kanaalkade te Alkmaar – en de ter terechtzitting verschenen verdachte. Het hof doelt daarbij meer specifiek op de haarlijn op het voorhoofd van de verdachte en vooral op de grote en bijzondere ‘tribal’-tatoeage in de nek van de verdachte, die qua plaats en vorm zeer sterke overeenkomsten vertoont met de tatoeage die is geplaatst in de nek van de man die op de beelden zichtbaar is.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat niet alle tatoeages die de verdachte op zijn lichaam draagt op het beeldmateriaal te zien zijn, niets aan het voorgaande af doet, gelet op de beperkte kwaliteit van de camerabeelden, de hoek van waaruit zij zijn gemaakt en het feit dat de persoon op die op de beelden is te zien een (grote) zonnebril droeg, waarvan niet kan worden uitgesloten dat daarachter de tatoeages boven en onder het rechteroog van de verdachte schuilgaan. De stelling van de raadsman dat op de beelden te zien is dat de man geen tatoeages op zijn handen draagt, kan door het hof, gelet op de matige kwaliteit van de beelden, niet worden onderschreven.

Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de verdachte ook de dader van de beroving is. Ook die vraag beantwoordt het hof bevestigend. Daartoe is het volgende redengevend.

Om 14.14 uur is door de aangever bij de politie telefonisch melding gedaan van de beroving, die enkele minuten daarvoor had plaatsgevonden. Op de opnames van de toezichtcamera’s die in de omgeving van de plaats delict zijn geplaatst – waaronder de Molenbuurt-Vest, de Molenbuurt-Bolwerk en de Paternosterstraat in Alkmaar – is te zien dat de verdachte kort voor het incident – om 14.06.50 uur – het ‘park’ waar de beroving heeft plaatsgevonden in fietst en omstreeks 14.09.47 uur met verhoogde snelheid weer uit fietst. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte, wiens lengte overigens 1.87 meter is, zich ten tijde van het incident in de onmiddellijke omgeving van de plaats delict heeft bevonden. Verder staat vast dat [naam 2] niet lang na de beroving (om 14.34 uur, 14.39 uur en 14.41 uur) elders in Alkmaar heeft gepind met de van de van de aangever ontvreemde betaalpas. [naam 2] heeft verklaard dat hij de betreffende betaalpas van de verdachte heeft gekregen. Verder ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [naam 2] dat hij de betaalpas van aangever – al dan niet rechtstreeks – uit handen van de verdachte heeft gekregen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [naam 2] in de van hem afgenomen verhoren weliswaar wisselend heeft verklaard met betrekking tot de vraag wie hem de pas in handen heeft gegeven, maar dat hij in zijn verklaringen over de verkrijging van die pas wel spontaan, van meet af aan en telkens de naam van de verdachte heeft genoemd.

Dat, zoals de raadsman heeft benadrukt, de door [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3] opgegeven signalementen op onderdelen niet geheel overeenkomen met de uiterlijke kenmerken van de verdachte, acht het hof niet van doorslaggevende betekenis. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat geen van deze getuigen er melding van heeft gemaakt dat de dader tatoeages droeg. Bij dit laatste is betrokken dat de verdachte, toen hij uit de bosjes tevoorschijn kwam, een gezichtsbedekkend masker droeg en hij, zoals op de beelden te zien is, de rits van zijn trainingsjack op verschillende momenten geheel omhoog heeft getrokken, waardoor de opvallende tatoeages in de nek van de verdachte aan het zicht onttrokken werden. Daar komt nog bij dat zich aan de linkerzijde van het gelaat van de verdachte geen tatoeages bevinden.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt daarom in alle onderdelen verworpen.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft op 28 december 2016 schriftelijk de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 15 mei 2013 in de zaak met parketnummer 15-051658-13 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken en voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week. De rechtbank heeft de vordering afgewezen, omdat zij het ‘(thans) niet meer opportuun’ achtte dat de vordering zou worden toegewezen. De vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen.

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen, gelet op de door hem bepleite vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman om afwijzing van de vordering verzocht, omdat de veroordeling tot de voorwaardelijke straffen dateert uit 2013 en hernieuwde vrijheidsbeneming de positieve wending die zich in het leven van de veroordeelde heeft voorgedaan zou doorkruisen.

Het hof overweegt als volgt.

De op 2 jaren vastgestelde proeftijden van de aan de voorwaardelijke straffen zijn ingegaan op 30 mei 2013. De proeftijden liepen van rechtswege niet gedurende de executie van de bij vonnis van 10 november 2014 aan de verdachte opgelegde ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren. De proeftijden waren ten tijde van het in de voorliggende zaak bewezenverklaarde mitsdien nog niet geëindigd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de aan de voorwaardelijke straffen verbonden proeftijden aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en hiermee een algemene voorwaarde heeft overtreden. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is het van essentieel belang dat overtreding van die voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan gevolgen worden verbonden. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, dient dit ook in deze zaak te geschieden. Gebleken is echter dat de verdachte sinds januari 2018 is geplaatst in een instelling voor zelfstandig wonen met begeleiding van het Leger des Heils, hij zich voor zijn agressiviteit en voor traumaverwerking onder behandeling heeft gesteld en hij de voorbije negen maanden geen strafbare feiten heeft begaan die ter kennis van justitie zijn gekomen. Met dit laatste lijkt vooralsnog een einde te zijn gekomen aan een hardnekkig delictpatroon. Het hof acht het in het belang van de verdachte noch in dat van de samenleving dat deze positieve ontwikkelingen in de kiem worden gesmoord door de vrijheidsbeneming van de verdachte. Daarom ziet het hof aanleiding om, in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en hechtenis, de tenuitvoerlegging te gelasten van een taakstraf van 90 (negentig) uren, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door een hechtenis voor de duur van 21 (eenentwintig) dagen, respectievelijk een taakstraf van 30 uren, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door een hechtenis voor de duur van 7 (zeven) dagen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 15 mei 2013 met parketnummer 15-051658-13, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken, een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 15 mei 2013 met parketnummer 15-051658-13, te weten een hechtenis voor de duur van 1 (één) week, een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het voorgaande.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 september 2018.

[…]