Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3951

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
200.220.758/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mediazaak. Artikel over Bibob-besluit speelautomatenhallen niet onrechtmatig.

Publieke figuur. Voldoende steun in het feitenmateriaal. Hoor en wederhoor.

Het belang van Het Parool bij publicatie dient te prevaleren boven de bescherming van de persoonlijke levenssfeer

Bekrachtiging vonnis rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0897
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.220.758/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/606444 / HA ZA 16-410

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 oktober 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

1 HET PAROOL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. C. Wildeman te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] , Het Parool en [geïntimeerde sub 2] genoemd. Het Parool en [geïntimeerde sub 2] gezamenlijk worden ook wel aangeduid als Het Parool c.s.

[appellant] is bij dagvaarding van 12 juli 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Het Parool c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 18 april 2018 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van de zijde van [appellant] zijn bij deze gelegenheid nog aanvullende producties (genummerd 41 tot en met 47) en van de zijde van Het Parool c.s. is nog één aanvullende productie (genummerd 20) in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog zijn vorderingen, zoals in hoger beroep opnieuw geformuleerd, zal toewijzen, met veroordeling van Het Parool c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

Het Parool heeft geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.10, de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] is eigenaar en exploitant van twee speelautomatenhallen op de Wallen te Amsterdam. Hij is als verdachte aangemerkt in het strafproces tegen [A] (hierna: [A] ). Op 21 december 2007 heeft de rechtbank Haarlem [appellant] tot vijf maanden cel veroordeeld wegens het medeplegen van witwassen. Op 3 juli 2009 heeft dit hof [appellant] vrijgesproken. Dit arrest is onherroepelijk geworden.

2.2

Het Parool is uitgever van het dagblad met gelijkluidende naam en beheerder van de website www.parool.nl, waarop het archief van dagblad Het Parool gratis voor iedereen toegankelijk is, ook via zoekmachines als Google. [geïntimeerde sub 2] is als journalist werkzaam voor Het Parool.

2.3

Op 18 april 2011 heeft de burgemeester van Amsterdam een Bibob-besluit genomen waarbij de vergunningen voor de twee speelautomatenhallen van [appellant] zijn ingetrokken (hierna ook: het besluit). [appellant] heeft het besluit per aangetekende post ontvangen op 20 april 2011. Het besluit houdt onder meer in:

‘Artikel drie, zesde lid Wet Bibob wordt thans niet meer ten grondslag gelegd aan de motivering van het voornemen, omdat ik van mening ben dat er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen of doen vermoeden dat de heer [A] de feitelijke exploitant zou zijn van de speelautomatenhal en dat u slechts een stroman zou zijn.

(…)

Artikel 3, eerste lid, onder a Wet Bibob

(…)

Naar aanleiding van een uitgebreid strafrechtelijk onderzoek door het Bureau Financiële en Economische recherche onder de naam Enclave is de heer [B] strafrechtelijk vervolgd. Op 8 juni 2010 is de heer [B] door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot 4 en een half jaar gevangenisstraf voor (onder meer) het witwassen van ruim € 17.000.000,- afkomstig van de afpersing van wijlen de heer [C] .

(…)

In het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 3 juli 2009 inzake het hoger beroep van de heer [A] overweegt het gerechtshof ten aanzien van bovenstaande met betrekking tot de rol van de heer [B] het volgende:

(…)

Daarnaast heeft de verdachte [ [A] ] alleen en met zijn mededader [B] een groot aantal omvangrijke, van afpersing van [C] afkomstige geldbedragen witgewassen.

(…)

Op 3 juli 2009 heeft het gerechtshof u onder meer vrijgesproken van het medeplegen van witwassen van € 250.000,-, afpersing en deelname aan een criminele organisatie. In het arrest naar aanleiding van het hoger beroep van de heer [A] maakt het Gerechtshof wel de volgende overweging:

Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof de afpersing, ook ten aanzien van het geldbedrag van € 250.000,- bewezen. Het hof gaat ervan uit dat de heer [C] door tussenkomst van [D] dit bedrag heeft afgegeven aan de heer [appellant] .

(…)

Op grond hiervan ben ik van oordeel dat aannemelijk is dat u met de afpersingen van de heer [C] in relatie staat bij de strafbare feiten waarvoor de heer [A] is veroordeeld.

(…)

De informatie waarop het vermoeden is gebaseerd dat u in relatie staat tot de afpersing en het witwassen is afkomstig uit het Kolbak-onderzoek. In het arrest van het Gerechtshof d.d. 3 juli 2009 is het standpunt van het Openbaar Ministerie over de relatie tussen de heer [A] en de heer [appellant] uiteengezet:

Deze relatie is manifest door hun beider betrokkenheid bij bedrijven op de Wallen in de periode tot medio 1996. Hoewel [A] rond eind 1996 daar uit beeld leek te verdwijnen, bleef hij feitelijk nauw bij enkele van die, intussen aan [C] toebehorende, bedrijven betrokken. Dit blijkt uit het gegeven dat hij [D] aldaar een baantje heeft aangeboden en uit diverse telefoongesprekken die de verdachte ( [appellant] ) met [A] heeft gevoerd in de periode tot en met 2001. Daaruit valt af te leiden dat [A] een belangrijke stem had in de bedrijfsvoering en dat de verdachte [appellant] zich dienstbaar jegens [A] opstelde. Voorts verleende de verdachte [A] bijstand bij diens boekhouding en was hij aandeelhouder in een drietal aan [C] , [E] en [A] gelieerde vennootschappen, waardoor hij controle kon uitoefenen over transacties binnen die vennootschappen. Ook dit past bij zijn dienstbare rol jegens [A] . Diverse getuigen hebben de verdachte betiteld als de hulp van [A] , hetgeen er eveneens op wijst dat de verdachte [A] behulpzaam was bij diverse activiteiten.

(…)

Ik ben van oordeel dat u in relatie staat tot de afpersing en witwassen en dat dit in belangrijke mate voort vloeit uit de aard van de relatie tussen u en de heer [A] . Hierbij acht ik het van belang op te merken dat de vraag in hoeverre u ervan op de hoogte was dan wel redelijkerwijs had moeten zijn, dat deze bedragen afkomstig waren van afpersing, in tegenstelling tot bij de bewezenverklaring van een strafbaar feit, voor de toepassing van de Wet Bibob en de motivering van ernstig gevaar van misbruik met vergunningen, niet relevant is.

(…)

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden kan redelijkerwijs worden vermoed dat de twee speelautomatenhallen zijn gefinancierd met een bedrag van € 4.000.000,- dat is verkregen uit strafbare feiten, namelijk afpersing van de heer [C] .

(…)

Artikel 3, eerste lid, onder b Wet Bibob

(…)

Gelet op de onderzoeksperiode van Kolbak en Enclave, de strafrechtelijke veroordelingen die hieruit zijn gevolgd voor de heren [B] en [A] en uw de rol in dit geheel (ondanks uw vrijspraak in hoger beroep), ben ik van mening dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen ook in de toekomst gebruikt kunnen worden om strafbare feiten te plegen.’.

2.4

Op 18 april 2011 is een artikel verschenen in Het Parool van de hand van [geïntimeerde sub 2] met als kop ‘Gokhallen Wallen gesloten’ en als tussenkop ‘Eigenaar [appellant] gezien als stroman van [A] ’. Het artikel luidt, voor zover relevant:

De gemeente Amsterdam onthoudt uitbater [appellant] definitief de exploitatievergunningen voor zijn gokhallen op de Wallen, [gokhal 1] en [gokhal 2] .

Dat bevestigt een woordvoerder van het stadhuis. De zaken moeten binnen vier weken dicht - al houdt de gemeente er rekening mee dat [appellant] daar via een kort geding nog onderuit zal proberen te komen. De overheid ziet [appellant] als een stroman van topcrimineel [A] en ontneemt hem zijn vergunningen met de Wet bibob (bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur). Het gerechtshof sprak [appellant] vrij in de afpersingszaak die [A] negen jaar celstraf opleverde, maar de gemeente is er niettemin van overtuigd dat ‘een ernstig gevaar’ bestaat dat [appellant] de hallen voor criminele activiteiten misbruikt, namelijk voor het witwassen van misdaadwinsten. Volgens justitie perste [A] de hallen af van vastgoedbaron [C] . Burgemeester Job Cohen had al in januari 2008 aangekondigd de vergunningen voor de gokhallen te zullen weigeren, met name omdat die zijn gefinancierd met miljoenen van vastgoedhandelaar [B] . De rechtbank achtte in juni 2010 bewezen dat [B] zeventien miljoen euro heeft witgewassen die [A] van [C] had afgeperst, en veroordeelde hem tot 4,5 jaar celstraf.’

2.5

Naar aanleiding van dit artikel heeft [appellant] een klacht tegen Het Parool c.s. ingediend bij de Raad voor de Journalistiek (hierna: RvdJ) Deze klacht is op

27 september 2011 voor een deel gegrond bevonden, namelijk voor zover de klacht ziet op het gebruik van de kwalificatie ’stroman van topcrimineel [A] ’.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg na wijziging en vermindering van eis gevorderd, zakelijk weergegeven:

i. te verklaren voor recht:

( a) dat het artikel in Het Parool van 18 april 2011 onrechtmatig was jegens hem voor wat betreft de zin: “De overheid ziet [appellant] als een stroman van topcrimineel [A] en ontneemt hem zijn vergunningen met de Wet bibob” en deze tussenkop: “Eigenaar [appellant] gezien als stroman van [A]”;

( b) dat het onrechtmatig is om dit artikel openbaar te maken op de website van Het Parool en in databanken van derden, waaronder maar niet beperkt tot LexisNexis;

ii. Het Parool op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen:

primair:

( a) het artikel van 18 april 2011 uit het online-archief van Het Parool te verwijderen, en te zorgen dat dit artikel niet meer via internet openbaar beschikbaar wordt gemaakt door of namens Het Parool;

( b) te bewerkstelligen dat dit artikel wordt verwijderd uit databanken van derden, waaronder maar niet beperkt tot LexisNexis, en daartoe aan die derden een schriftelijk verzoek te doen en een kopie daarvan aan de raadsman van [appellant] te zenden;

subsidiair:

( a) te bewerkstelligen dat het artikel van 18 april 2011 - zolang dat nog wel in het online-archief van Het Parool beschikbaar is - niet langer vindbaar is via enige zoekmachine, inclusief maar niet beperkt tot Google; en

( b) bij de online versie van het artikel van 18 april 2011 een rectificatie te publiceren zodanig dat deze direct voor het begin van het artikel zichtbaar is en te bewerkstelligen dat deze mededeling ook bij dit artikel wordt gepubliceerd voor zover dat beschikbaar is in databanken van derden, waaronder maar niet beperkt tot LexisNexis, en daartoe aan die derden een schriftelijk verzoek te doen en een kopie daarvan aan de raadsman van [appellant] te zenden;

iii. op straffe van verbeurte van een dwangsom, primair:

Het Parool c.s. te verbieden om publiekelijk aan [appellant] te refereren als ‘de stroman van [A] ’, ‘ [A] financiële man’, ‘de boekhouder van [A] ’ en om hem aan [A] te verbinden met woorden van gelijke strekking, tenzij zich nieuwe feiten zouden voordoen die deze beschuldigingen zouden rechtvaardigen;

subsidiair:

Het Parool c.s. dit te verbieden voor zover daarbij niet direct duidelijk wordt gemaakt:

( a) dat dit ging om een verdenking van Justitie en,

( b) dat [appellant] daar in 2009 volledig van is vrijgesproken, of woorden van gelijke strekking waarmee afstand wordt genomen van die beschuldiging;

iv. Het Parool c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van € 5.000,- aan [appellant] wegens immateriële schade;

een en ander met veroordeling van Het Parool c.s. in de kosten van het geding.

[appellant] stelde daartoe dat publicatie van het artikel van 18 april 2011 jegens hem onrechtmatig is, met name omdat de bewering dat hij stroman van [A] is, onjuist en voor hem beschadigend is.

3.2

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, kort samengevat, het volgende overwogen. Het toewijzen van de vorderingen van [appellant] zou neerkomen op een beperking van het recht op vrije meningsuiting van Het Parool c.s., als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Een dergelijke beperking is alleen toegestaan, als deze is voorzien bij de wet en in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van bijvoorbeeld de goede naam of rechten van anderen. Van een beperking die bij wet is voorzien, is sprake, als de uitingen van Het Parool c.s. onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW zijn. Het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer - in het concrete geval zwaarder weegt, wordt gevonden door een afweging van alle omstandigheden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat [appellant] zelf aandacht van de media heeft gezocht en mede daardoor een publiek figuur is geworden. De door Het Parool gehanteerde kwalificatie van [appellant] als stroman van [A] vindt voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. De afweging van de wederzijdse belangen valt in dit geval uit in het voordeel van het recht op vrijheid van meningsuiting van Het Parool c.s. zodat van onrechtmatig handelen geen sprake is. Er is daarom geen grond voor toewijzing van de vorderingen van [appellant] . De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] daarom afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

3.3

[appellant] herhaalt in hoger beroep zijn vordering, en vordert daarnaast dat Het Parool wordt veroordeeld bij de online versie van alle artikelen die dateren van vóór het artikel van 18 april 2011 en waarin [appellant] als stroman van [A] wordt genoemd of aan hem wordt gerefereerd gebruikmakend van de kwalificatie ‘de stroman’, waaronder, maar niet beperkt tot de artikelen van 27 augustus 2005, 30 en 31 januari 2006, 3 juli 2006 en 21 april 2009, een in zijn vordering nader uitgewerkte rectificatie te publiceren, zodanig dat deze direct voor het begin van het artikel zichtbaar is.

3.4

De grieven van [appellant] zijn gericht tegen de afwijzing van zijn vorderingen en tegen de overwegingen die tot die afwijzing hebben geleid. De rechtbank heeft weliswaar het juiste toetsingskader gehanteerd, aldus [appellant] , maar heeft de omstandigheden niet op de juiste manier gewogen en is aldus ten onrechte tot de conclusie gekomen dat Het Parool c.s. met de publicatie van het artikel van 18 april 2011 niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens hem. Het hof zal naar aanleiding van de grieven van [appellant] de diverse voor de beoordeling van belang zijnde omstandigheden bespreken.

Publiek figuur

3.5

[appellant] voert aan dat het onjuist is om hem als publieke figuur aan te merken. Het is, voor zover hij als zodanig is aan te merken, juist Het Parool geweest die hem in de publieke arena heeft geplaatst door hem, ondanks zijn dringende verzoek dat niet te doen, in een artikel van 27 augustus 2005 bij zijn volledige naam te noemen. Het kan hem niet worden nagedragen, aldus [appellant] , dat hij daarna zelf in de media heeft getracht de beeldvorming rond zijn persoon bij te stellen. De publicatie betreft bovendien een Bibob-besluit dat naar zijn aard vertrouwelijk is, aldus [appellant] . Het hof overweegt naar aanleiding van deze stellingen als volgt.

3.6

Het Parool c.s. hebben erop gewezen dat vrijwel alle landelijke dagbladen over [appellant] publiceren in verband met de strafzaak tegen [A] , de Bibob-zaak en de gokhallen en daarbij zijn volledige naam hebben gebruikt. Het Parool c.s. wijzen voorts erop dat [appellant] herkenbaar en met gebruik van zijn volledige naam heeft meegedaan aan diverse televisie-uitzendingen, onder meer na publicatie van het boek dat de partner van [appellant] heeft geschreven, die zichzelf in de ondertitel van dat boek presenteert als ‘vrouw van voormalig [A] -verdachte [appellant] ’. [appellant] heeft voorts een website onder zijn eigen naam, waarop hij publiceert over dezelfde kwesties en waarop hij links heeft opgenomen naar diverse publicaties over hem in landelijke media. [appellant] heeft bovendien niet eerder dan bij de sommatiebrief van

11 maart 2016, die aan de inleidende dagvaarding in deze zaak is voorafgegaan, geprotesteerd tegen het gebruik van zijn volledige naam. Hij heeft dat zelfs niet gedaan in zijn klacht tegen het artikel van 18 april 2011 bij de Raad voor de Journalistiek.

3.7

Het Parool c.s. hebben hun stellingen onderbouwd met een groot aantal stukken betreffende de diverse publicaties en media-optredens van [appellant] en zijn website. [appellant] heeft een en ander niet betwist zodat het hof uitgaat van de juistheid van de door Het Parool c.s. gestelde omstandigheden. Daaruit kan worden geconcludeerd dat [appellant] mede door zijn eigen toedoen tot een publiek figuur is geworden die door het publiek in verband wordt gebracht met de genoemde kwesties. Niet alleen is hij verdachte geweest in een geruchtmakende strafzaak, maar hij heeft zich voorafgaand aan het publiceren van het artikel vele malen tot de media gewend met zijn verhaal over die strafzaak en de gevolgen daarvan. [appellant] heeft ook meegewerkt aan de promotie van het boek dat zijn partner over hem en de strafzaak heeft geschreven en presenteert zijn visie omtrent een en ander op een website onder eigen naam. [appellant] presenteert zichzelf aldus als een publieke figuur. Niet kan worden aangenomen dat [appellant] dat allemaal, en tot op heden, doet in reactie op het door hem aangehaalde artikel dat in 2005 met vermelding van zijn volledige naam in Het Parool is gepubliceerd. Dat klemt te meer omdat [appellant] weliswaar vooraf het Parool heeft gevraagd zijn naam niet te noemen, maar na het verschijnen van het artikel in 2005 niet meer heeft geklaagd over vermelding van zijn volledige naam. Het hof merkt [appellant] dan ook aan als een publieke figuur die zelf het debat over de strafzaak en zijn rol daarin heeft opgezocht.

3.8

Het feit dat een besluit op grond van de Wet Bibob in beginsel vertrouwelijk is, weegt daar niet tegenop. Dit besluit betreft immers economische activiteiten van [appellant] , voormalig verdachte van witwassen, in een buurt van Amsterdam die bijzonder in de belangstelling staat, onder meer naar aanleiding van de problematiek rond het witwassen van crimineel geld. Het Parool c.s. hebben dan ook voldoende reden kunnen zien om ondanks de vertrouwelijkheid daarvan toch tot publicatie van een artikel over dat besluit over te gaan.

Steun in het feitenmateriaal

3.9

Daarnaast voert [appellant] aan dat de rechtbank het begrip stroman verkeerd heeft uitgelegd, waardoor ten onrechte is geoordeeld dat de kwalificatie van [appellant] als stroman van [A] voldoende steun vindt in de feiten. De kwalificatie ‘stroman’ is door Het Parool altijd gebruikt in de betekenis dat [appellant] de speelhallen heimelijk exploiteerde ten behoeve van [A] . Dat is echter door de vrijspraak van [appellant] in de strafzaak onjuist gebleken. Ook uit het Bibob-besluit blijkt dat de burgemeester niet ervan uitging dat hij de gokhallen voor [A] exploiteerde, aldus nog steeds [appellant] .

3.10

Het hof overweegt dat uit de tekst van het besluit inderdaad blijkt dat de burgemeester, bij gebreke van voldoende feiten en omstandigheden die daarop wezen, niet meer ervan uitging dat [A] de feitelijke exploitant van de speelhallen was en [appellant] (in die zin) slechts een stroman van [A] zou zijn (en dat daarom de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de Wet Bibob niet opging). Dat moet [appellant] worden toegegeven. Wel wordt bij dat besluit ervan uitgegaan dat de gokhallen zijn gefinancierd met geld dat, via [B] , afkomstig is van afpersing van [C] door [A] . Mede daarom wordt de vergunning geweigerd op grond van artikel 3 lid 1 onder a van de Wet Bibob. De vergunning wordt tevens geweigerd op grond van artikel 3 lid 1 onder b. De burgemeester is van mening dat er gevaar bestaat dat de speelhallen ook in de toekomst zullen worden gebruikt om crimineel geld wit te wassen. In het besluit wordt verder uitdrukkelijk gewezen op de aard van de relatie tussen [appellant] en [A] , op de veroordelingen van [B] en [A] en, ondanks zijn vrijspraak in hoger beroep, op de rol van [appellant] bij de gang van zaken zoals deze blijkt uit de strafdossiers.

3.11

Het hof is van oordeel dat de feitelijke beweringen in het artikel van 18 april 2011 betreffende de weigering van de vergunning, naar achteraf blijkt, voldoende steun vinden in de tekst van het besluit. Het hof wijst met name op de bewering dat de vergunningen (zullen) worden geweigerd omdat de speelhallen zijn gefinancierd met geld van [B] en de bewering dat de gemeente ondanks de vrijspraak van [appellant] overtuigd is van het gevaar dat hij de speelhallen voor het witwassen van misdaadwinsten gebruikt. Deze beweringen zijn immers rechtstreeks te herleiden tot de tekst van het besluit. Het Parool c.s. hebben voorts erop gewezen dat uit het in 2010 gehouden requisitoir in de zaak tegen [B] blijkt dat het openbaar ministerie nog steeds ervan uit gaat dat [A] de onderhavige speelhallen van [C] heeft afgeperst, zoals [C] in de ‘achterbankgesprekken’ heeft verklaard. Dit is door [appellant] niet weersproken. De bewering in het artikel dat ‘justitie’ nog steeds ervan uitgaat dat [A] de gokhallen van [C] afperste is dan ook eveneens voldoende gegrond in de feiten. In het Bibob-besluit komt voorts de relatie tussen [appellant] en [A] aan de orde, en de rol die [appellant] heeft gespeeld in het afpersings- en witwasdossier. Dat in het artikel een relatie wordt gelegd tussen [appellant] en [A] ligt in de context van de overige beweringen dan ook voor de hand.

3.12

Partijen twisten over de betekenis van het woord ‘stroman’, zoals in het artikel is gebruikt voor het beschrijven van de relatie tussen [appellant] en [A] . [appellant] wijst op de betekenis van dit woord volgens het woordenboek van Van Dale, te weten een persoon die niet voor zichzelf handelt maar als willoos werktuig voor een ander die achter de schermen blijft. Het Parool c.s. wijzen op andere betekenissen, alle in wezen neerkomend op handelen voor een ander terwijl die ander buiten beeld blijft. Het Parool c.s. wijzen in dit verband voorts erop dat uit het besluit blijkt dat [appellant] dienstbaar en behulpzaam was in zijn relatie met [A] . Daarbij zou het woord stroman passen.

3.13

Het hof is van oordeel dat Het Parool c.s., gelet op de juist gebleken context zoals in het artikel weergegeven, voor de rol van [appellant] in verband met [A] de kwalificatie stroman heeft mogen gebruiken. Kern van het artikel is de weigering van de gemeente om [appellant] een exploitatievergunning voor de speelhallen te verlenen. In het artikel wordt ingegaan op de gronden voor die weigering: de financiering van de speelhallen met geld dat - via [B] - afkomstig is van criminele activiteiten van [A] , en het gevaar dat misbruik wordt gemaakt van de speelhallen voor het witwassen van crimineel geld. Dat [appellant] een zekere rol speelde in de activiteiten van [A] , de hoofdpersoon in het afpersings- en witwasverhaal, is voldoende gegrond in de feiten. Het gaat slechts om de kwalificatie van de relatie tussen [appellant] en [A] in dit verband, waarbij het hof niet inziet dat het publiek door het gebruik van het woord stroman een onjuiste indruk van die relatie krijgt. Die kwalificatie wordt in het artikel immers niet ingevuld met de bewering dat [appellant] de speelhallen beheert voor [A] als werkelijke eigenaar. Integendeel, [appellant] wordt in de tussenkop zelfs genoemd als eigenaar. Het lezende publiek zal de betekenis van het woord stroman dan ook invullen met de in de feiten gegronde beweringen over het witwassen van crimineel geld dat in elk geval deels afkomstig is van [A] . Dat bij de lezer van het artikel de indruk wordt gewekt dat [appellant] een rol heeft in dat witwassen, terwijl [A] daarbij buiten beeld blijft, maakt het gebruik van dat woord niet onrechtmatig. Juist die indruk wordt immers gedragen door de feiten.

3.14

Van onvoldoende belang is dat de burgemeester de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de Wet Bibob niet meer aanwezig acht omdat er geen aanwijzingen zijn dat [A] de feitelijke exploitant van de speelhallen is, en dat [appellant] daarom geen stroman van [A] is. Het voert te ver om van Het Parool c.s. te vergen dat zij deze nuance in het artikel verwerken door niet het woord stroman te gebruiken. Het Parool c.s. hebben ter gelegenheid van het pleidooi overigens nog erop gewezen dat in de thans lopende strafzaak tegen [A] zowel [A] zelf als diverse getuigen hebben verklaard dat de speelhallen wel degelijk van [A] zouden zijn. Een en ander maakt de positie van Het Parool c.s. in dit geschil wel sterker, maar ook zonder deze nieuwe ontwikkeling is het gebruik van het woord stroman om de hiervoor weergegeven gronden niet onrechtmatig.

3.15

[appellant] wijst nog erop dat hij in eerdere artikelen, gepubliceerd in Het Parool in 2005 en 2006, wordt betiteld als stroman van [A] omdat hij onroerend goed van [A] zou beheren, waaronder de onderhavige speelhallen. Dat maakt echter nog niet dat de lezer van het artikel van 18 april 2011 de term stroman ook op deze wijze zal interpreteren. Slechts bij raadpleging van het archief van Het Parool zou dit anders kunnen zijn maar dat valt van een gemiddelde lezer niet te verwachten.

Overige omstandigheden

3.16

[appellant] voert aan dat Het Parool het artikel overhaast heeft gepubliceerd zonder de inhoud van het besluit te kennen. Het hof gaat daaraan voorbij. Deze omstandigheid heeft er immers niet toe geleid dat de strekking van het besluit in het artikel onjuist is weergegeven. [appellant] klaagt voorts erover dat Het Parool niets heeft gepubliceerd over zijn volledige vrijspraak door dit hof op 3 juli 2009. Wat daarvan zij, het gewraakte artikel refereert juist aan deze vrijspraak. Het hof gaat dan ook voorbij aan deze klacht van [appellant] .

3.17

Ook voert [appellant] nog aan dat [geïntimeerde sub 2] op de dag van publicatie van het artikel op Radio 1 een interview heeft gegeven waarin hij heeft gezegd dat er allerlei schimmige constructies zijn waaruit niet anders kan blijken dan dat [C] de speelhallen via [appellant] heeft moeten afstaan aan [A] . Het hof ziet echter niet dat de inhoud van dit radio-interview van wezenlijke invloed kan zijn op de vraag of het artikel van 18 april 2011 onrechtmatig zou zijn jegens [appellant] . Radio 1 is een vluchtig medium en bedient bovendien een ander publiek dan Het Parool. [geïntimeerde sub 2] heeft in het interview overigens ook gezegd dat [appellant] zelf zegt dat hij eigenaar is van de speelhallen en geen stroman is, hetgeen zijn eerder weergegeven bewering relativeert en voldoende evenwicht brengt in het interview.

3.18

[appellant] heeft tot slot nog aangevoerd dat Het Parool c.s. geheel hebben nagelaten hoor en wederhoor toe te passen. Het Parool c.s. hebben daarop gereageerd met de stelling dat in het vervolg van het artikel, op pagina 2 van de krant, wel een weerwoord van [appellant] is weergegeven, namelijk dat hij volhoudt dat hij de speelhallen zelf heeft opgezet en dat hij altijd heeft ontkend dat in de hallen geld wordt witgewassen. [appellant] op zijn beurt heeft aangevoerd dat het vervolg van pagina 2 niet is te zien in de online publicatie van het artikel.

3.19

Het hof overweegt dat in het originele krantenartikel wel voldoende blijkt van het standpunt van [appellant] zodat daarin in voldoende mate aan de vereisten van hoor en wederhoor is voldaan. Het ontbreken van dit deel in het online-archief maakt op zichzelf genomen niet dat publicatie van het artikel onrechtmatig is. [appellant] heeft voorts geen vordering ingesteld die ertoe strekt dat ook het tweede deel van het artikel online beschikbaar wordt gesteld.

Afsluiting

3.20

Gegeven de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de publicatie van het artikel van 18 april 2011 niet onrechtmatig was jegens [appellant] . [appellant] is mede door eigen handelen een publieke figuur en het onderwerp van het artikel - witwassen van crimineel geld op de Wallen - betreft een maatschappelijke misstand die onderdeel is van het publieke debat. De feitelijke beweringen in het artikel vinden, naar nu blijkt, voldoende steun in de tekst van het besluit, terwijl de betiteling van [appellant] als stroman van [A] in voldoende mate binnen de gegeven context past. Voorts is in het oorspronkelijke artikel in voldoende mate aandacht geweest voor het standpunt van [appellant] en is zijn vordering niet gericht op herstel daarvan in de online versie van het artikel. In dit geval dient dan ook het belang van Het Parool c.s. bij publicatie van het artikel te prevaleren boven het belang van [appellant] bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Er is geen grond voor toewijzing van het gevorderde voor zover het genoemd artikel betreft.

3.21

[appellant] heeft daarnaast nog gevorderd dat bij een aantal andere door hem genoemde artikelen waarin hij wordt gekwalificeerd als stroman een rectificatie wordt geplaatst. Hij heeft daartoe gesteld dat Het Parool wegens de vrijspraak, de doorhaling van beslagen op de panden en het Bibob-besluit al enige tijd weet dat de overheid hem niet meer als stroman ziet. Het hof wijst op hetgeen reeds over het artikel van 18 april 2011 is overwogen waaruit blijkt dat het enkele gebruik van het woord stroman in de gegeven context niet onrechtmatig is. [appellant] heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd waarom het gebruik van dat woord in de overige - reeds geruime tijd gearchiveerde - artikelen wel onrechtmatig jegens hem zou zijn. [appellant] heeft dan ook onvoldoende aangevoerd om tot toewijzing van dit onderdeel van zijn vordering te komen.

3.22

De slotsom is dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Er is geen grond voor toewijzing van het in hoger beroep meer gevorderde. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Het Parool c.s. tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, F.J. Verbeek en M.S.A. Vegter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2018.