Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3942

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
23-001502-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens groepsbelediging, na terugwijzing Hoge Raad. Het hof is van oordeel dat 'Arabieren' dienen te worden beschouwd als een ras als bedoeld in art. 137c WvSr. De genoemde uitlatingen acht het hof zeer grof, seksueel expliciet en onnodig kwetsend. Hoewel de uitlatingen zijn gedaan in het kader van het maatschappelijk debat (namelijk voorafgaand aan een anti-islam demonstratie), zijn zij onverminderd beledigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001502-18

datum uitspraak: 25 oktober 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 10 april 2018- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-674112-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

adres : [adres].

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte bij vonnis van 15 augustus 2013 vrijgesproken van de ten laste gelegde groepsbelediging.

Het openbaar ministerie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 9 maart 2016 het vonnis vernietigd en, opnieuw recht doende, de verdachte wederom vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft het arrest van het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 10 april 2018 vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing door de Hoge Raad, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de perdiode van 20 januari 2010 tot en met 12 september 2010 te Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, zich (telkens) in het openbaar, mondeling, (telkens) opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Arabieren wegens hun ras (etniciteit), althans Moslims wegens hun godsdienst, door (telkens) opzettelijk

- in de documentaire 'Wilders the movie' (uitgezonden door het VPRO televisieprogramma Holland Doc) en/of

- op internet op de website http://weblogs.vpro.nl/afspelen/2010/09/13/teledoc-wilders-the-movie/ en/of http://www.hollanddoc.nl/nieuws/2010/augustus/wilders-the-movie.html

(een) tekst(en) en/of (een) geluidsfragment(en) uit te spreken, althans te laten horen met de volgende inhoud: "Hier staat 'Geert Akbar', dat betekent 'Geert is groter'. Wat ik daar eigenlijk mee bedoel is dat Geert groter is dan Mohammed de kleuterneuker. En Geert is groter dan Allah, de halvemaandemon. En zoals iedereen weet zijn Arabieren fervent kontenbonkers. En ze neuken kleine jongetjes. Dat is heel normaal in hun cultuur".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Feiten en omstandigheden

Op 12 september 2010 heeft de omroep VPRO in het programma ‘Holland Doc’ een documentaire uitgezonden over de politicus Geert Wilders (hierna: Wilders), getiteld: ‘Wilders, The Movie’. Eén van de in die documentaire geïnterviewde personen was de verdachte, die in de documentaire werd gepresenteerd als aanhanger van Wilders. Daarbij heeft hij (onder meer) de volgende uitlatingen gedaan:

Fragment

“--Hier staat ‘Geert Akbar’ dat betekent ‘Geert is groter’. Wat ik daar eigenlijk mee bedoel is dat Geert groter is dan Mohammed, de kleuterneuker. En Geert is groter dan Allah, de halvemaandemon. En… zoals iedereen weet zijn Arabieren fervent kontenbonkers. En ze neuken kleine jongetjes. Dat is normaal in hun cultuur.--

Opmerking interviewer: ‘Je provoceert toch wel duidelijk hè..?!’

--Nou, als de waarheid provocerend is, dan hebben mensen een probleem, want de waarheid is niet provocerend. De waarheid is de waarheid en.. die zeg ik. Als mensen daar problemen mee hebben, dan moeten ze maar komen. ”

Naar aanleiding van deze uitlatingen is tegen de verdachte door twee personen aangifte gedaan van ‘(groeps)belediging’, omdat diens uitlatingen beledigend zouden zijn voor Arabieren c.q. moslims.

Toetsingskader: beledigen van een groep wegens hun godsdienst of ras

De strafbepaling die in deze zaak van belang is, luidt als volgt:

- Art. 137c, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr)

Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 maart 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BF0655, NJ 2010/19, het zogeheten “Gezwel-arrest”) omtrent belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst onder meer het volgende overwogen.

“2.5.1. Art. 137c Sr stelt strafbaar het zich beledigend uitlaten ‘over een groep mensen wegens hun godsdienst’, doch niet het zich beledigend uitlaten over een godsdienst, ook niet indien dit geschiedt op zo’n wijze dat de aanhangers van die godsdienst daardoor in hun godsdienstige gevoelens worden gekrenkt. Strafbaar is enkel het zich nodeloos krenkend uitlaten over een groep mensen omdat deze een bepaalde godsdienst aanhangt. Het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst valt – aldus de wetsgeschiedenis – immers alleen onder art. 137c Sr als men de mensen, behorend tot die groep, collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. Alle, zelfs felle kritiek op opvattingen die in die groep leven of op het gedrag van hen, die tot de groep behoren, blijft buiten het bereik van art. 137c Sr.

2.5.2. Gelet op de beperkte reikwijdte van art. 137c Sr die door de wetgever is beoogd, vereist deze bepaling dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen. De enkele omstandigheid dat grievende uitlatingen over een godsdienst ook de aanhangers van die godsdienst krenken, is niet voldoende om die uitlatingen te kunnen gelijkstellen met uitlatingen over die aanhangers, dus over een groep mensen wegens hun godsdienst in de zin van art. 137c Sr.”

De Hoge Raad heeft voorts in zijn arrest van 16 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3583) onder meer het volgende overwogen:

“4.4.2. Het, onder meer in art. 10 EVRM gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie in de zin van art. 137c Sr onderscheidenlijk 137d Sr niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke - beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.

4.4.3. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie in de zin van voormelde wettelijke bepalingen, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is”.

De in de tenlastelegging opgenomen, aan art. 137c Sr ontleende, wettelijke termen moeten worden geacht dezelfde betekenis te hebben als daaraan toekomt in de genoemde strafbepaling. Dit brengt mee dat vrijspraak dient te volgen, indien de tenlastegelegde uitlatingen niet kunnen worden aangemerkt als beledigend dan wel indien deze als (niet onnodig grievende) bijdragen aan het maatschappelijk debat kunnen worden beschouwd.

Toepassing toetsingskader op de voorliggende zaak

Het hof overweegt vooreerst dat de tenlastegelegde bewoordingen “Hier staat (…) halvemaandemon” niet tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Deze zouden hoogstens kunnen worden gezien als beledigende uitlatingen over de islam als godsdienst. Dit valt, mede gelet op het vooropgestelde toetsingskader, in het bijzonder het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2009, buiten het bereik van art. 137c Sr. Dit staat overigens ook niet tussen partijen ter discussie.

Bespreking verweer: Arabieren wegens hun ras

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 9 maart 2016 heeft geoordeeld dat de belediging voor wat betreft de zinsnede ‘Arabieren wegens hun ras’ niet bewezen kan worden, nu Arabieren geen ras zijn. Hij is van mening dat dit nog immer niet bewezen kan worden, zodat de verdachte van dit onderdeel behoort te worden vrijgesproken.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat Arabieren een groep vormen die door hun nationale en etnische afstamming wordt gekenmerkt. Uit de Memorie van Toelichting bij de ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR) volgt dat een ruime omschrijving dient te worden gegeven aan het begrip ras. Dat begrip dient te worden uitgelegd naar de kennelijke strekking van artikel 1 IVUR, zodat onder deze term ook nationale en etnische afstamming, huidskleur en afkomst vallen. Om die reden is het hof van oordeel dat Arabieren als ras, in de in artikel 137c Sr. bedoelde betekenis, dienen te worden beschouwd.

Beledigend

De uitlatingen “En zoals iedereen weet zijn Arabieren fervent kontenbonkers. En ze neuken kleine jongetjes. Dat is heel normaal in hun cultuur” zijn naar hun bewoordingen zonder meer als beledigend aan te merken. De term ‘kontenbonkers’ wordt naar algemeen spraakgebruik gebruikt als scheldwoord en als minachtende benaming voor homoseksuelen. De verdachte heeft daarmee Arabieren beledigd wegens hun ras en daarbij heeft hij – zoals ook naar voren komt in zijn tegenover de politie afgelegde verklaring – geïmpliceerd dat het door hem beschreven gedrag geworteld is in hun cultuur. De verdachte heeft met deze grove en expliciete bewoordingen de waardigheid en de eigenwaarde van Arabieren aangetast en hen als groep in diskrediet gebracht.

Publiek debat

Door de verdediging is bepleit dat de uitlatingen van de verdachte bedoeld zijn als een bijdrage aan het publieke debat. De verdachte heeft zich verdiept in de Arabische wereld en wenst pedofilie en homoseksualiteit in die wereld bespreekbaar te maken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet uit is geweest op het leveren van een bijdrage aan het maatschappelijk debat. Een uitlating moet functioneel zijn. Dat is hier niet gebleken. De omstandigheid dat hij openstaat voor een debat ‘omdat mensen maar moeten komen als ze problemen hebben met zijn uitlatingen’, betekent niet dat hij in het interview een bijdrage geeft aan enig debat. Voorts sluit de betreffende uitlating niet aan bij, en is het geen reactie op, de situatie van destijds, namelijk een pro-Wilders en anti-islam demonstratie.

Het hof is van oordeel dat de uitlatingen geacht kunnen worden te zijn gedaan in het kader van het maatschappelijk debat. Immers, de verdachte deed zijn uitspraken tijdens een gefilmd interview – voorafgaand aan een anti-islam-demonstratie in Berlijn waaraan de verdachte deelnam – dat, naar hij wist, werd afgenomen ten behoeve van een door de VPRO in Nederland uit te zenden documentaire over de politicus Geert Wilders. Niet gezegd kan worden dat die uitspraken – over homoseksualiteit en pedofilie onder Arabieren en het verwijt dat in die kringen niemand zich tegen dat laatste uitspreekt en pedofilie zelfs door de islam en door imams wordt goedgekeurd – niet dienstig kunnen zijn aan het maatschappelijk debat.

Onnodig grievend

De verdediging heeft bepleit dat hetgeen door de verdachte is gezegd niet onnodig grievend is geweest. De verdachte heeft gemeend dat felle bewoordingen nodig zijn geweest om het maatschappelijk debat op gang te helpen. Voorts is aangevoerd dat de waarheid niet provocerend is. Nu hij de waarheid heeft gesproken, kunnen zijn uitlatingen niet onnodig grievend zijn geweest, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitlatingen van de verdachte niet zijn onderbouwd en betrekking hebben op personen wegens hun ras. De gebruikte terminologie (‘fervent kontenbonkers’ en ‘neuken van kleine jongetjes’) is seksueel expliciet en uitgesproken grof. De uitlatingen zijn als onnodig grievend aan te merken, aldus de advocaat-generaal.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt. De uitlatingen van de verdachte zijn seksueel expliciet en uitgesproken grof. Zelfs indien zou worden aangenomen dat (een gedeelte van) de beweringen van de verdachte door feiten zou(den) kunnen worden onderbouwd, zoals de raadsman heeft aangevoerd, dan nog missen de bewoordingen iedere nuance en zijn deze beledigend, diffamerend en van dien aard dat deze als onnodig grievend zijn aan te merken. De uitlatingen van de verdachte verliezen daarom hun beledigende karakter niet door de context waarin zij zijn geuit.

Opzet

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte, minst genomen in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op het beledigen van Arabieren wegens hun ras. Gelet op de aard van de gebruikte bewoordingen is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust is geweest van het beledigende karakter van zijn uitlatingen, zodat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij Arabieren zou beledigen. Het opzet op de openbaarheid van deze uitlatingen volgt uit het feit dat de verdachte wist dat zijn uitspraken zouden worden uitgezonden in een documentaire op nationale televisie.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 20 januari 2010 tot en met 12 september 2010 in Nederland, zich in het openbaar, mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Arabieren wegens hun ras (etniciteit), door opzettelijk in de documentaire 'Wilders the movie' ,

- uitgezonden door het VPRO televisieprogramma Holland Doc, en

- op internet op de website http://weblogs.vpro.nl/afspelen/2010/09/13/teledoc-wilders-the-movie/ en http://www.hollanddoc.nl/nieuws/2010/augustus/wilders-the-movie.html

een tekst uit te spreken met de volgende inhoud: "En zoals iedereen weet zijn Arabieren fervent kontenbonkers. En ze neuken kleine jongetjes. Dat is heel normaal in hun cultuur".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Door de verdediging is bepleit dat de uitlatingen van de verdachte onder de door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermde belangen moeten worden geschaard.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeling van de verdachte geen schending van artikel 10 EVRM oplevert.

Artikel 10 EVRM luidt:

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-, omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Het hof stelt voorop dat in een democratische samenleving ook degenen die (zeer) kwetsende uitlatingen doen een hoge mate van bescherming van hun recht op vrijheid van meningsuiting toekomt. In het publieke en politieke debat geventileerde meningen kan die bescherming niet worden ontnomen op de enkele grond dat die meningen als (zeer) onacceptabel worden beschouwd. Anderzijds bestaat er geen onbeperkt recht op vrijheid van meningsuiting: het op onverantwoorde wijze gebruik maken van die vrijheid door bepaalde groepen van de bevolking te beledigen, te belasteren, te ridiculiseren of te diffameren kan de nationale autoriteiten uit het oogpunt van het tegengaan van bijvoorbeeld racisme aanleiding geven juridische stappen tegen de betrokkene te ondernemen.

Met een eventuele veroordeling van de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde uitlatingen wordt inbreuk gemaakt op zijn recht op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10, eerste lid, EVRM. Die inbreuk is bij wet voorzien, te weten in de strafbepaling van art. 137 c Sr. Voorts is het hof van oordeel dat die veroordeling noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de goede naam en de rechten van Arabieren. De uitlatingen van de verdachte waren, zoals hiervoor overwogen, seksueel expliciet en buitengewoon grof, waardoor Arabieren op onnodig grievende wijze in diskrediet zijn gebracht.

Op grond hiervan en mede gelet op de hoogte van de op te leggen straf – in relatie tot het maximum van één jaar gevangenisstraf dat ter zake van het misdrijf van artikel 137c, eerste lid, Sr kan worden opgelegd – is het hof van oordeel dat de inbreuk op verdachtes recht op zijn vrijheid van meningsuiting niet in strijd is met artikel 10 EVRM.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, te vervangen door tien dagen hechtenis.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij schuldigverklaring geen straf dient te worden opgelegd, onder meer vanwege de lange tijdsduur sinds uitlatingen. Het is niet aan de verdachte te wijten dat de berechting zo lang heeft geduurd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van een groep mensen, Arabieren, wegens hun ras (etniciteit). Hij deed zijn strafbare uitspraken in een interview voor een camera van het programma ‘Holland Doc’ dat op de nationale televisie is uitgezonden en ook op internet is te zien. De verdachte heeft met seksueel expliciete en uitermate grove bewoordingen Arabieren als groep in diskrediet gebracht en de waardigheid van de groep ernstig aangetast. Dit is een ernstig feit en het hof rekent het de verdachte aan.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met het feit dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 september 2018, niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld en dat hij na dit feit evenmin opnieuw met justitie in aanraking is gekomen. Voorts zijn inmiddels acht jaren verstreken sinds de verdachte de strafbare uitlatingen heeft gedaan. Hoewel in beginsel een taakstraf in de rede zou hebben gelegen ziet het hof in het tijdsverloop aanleiding om slechts een geldboete op te leggen en deze enigszins, ten gunste van de verdachte, te matigen ten opzichte van de eis van de advocaat-generaal.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 137c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. H.A. van Eijk en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 oktober 2018.

Mrs. Dalebout en Van Eijk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]