Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3923

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
23-001808-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vier vrouwen, waaronder de verdachte, zaten in de taxi van aangever. Door (ten minste) drie van deze vrouwen is openlijk geweld gepleegd tegen diezelfde taxi. De conclusie kan niet worden getrokken dat de verdachte één van deze drie vrouwen is geweest. Verdachte wordt vrijgesproken en benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001808-16

datum uitspraak: 22 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-707143-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde, ten laste gelegd dat:


2. primair
zij op of omstreeks 27 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Geldersekade, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een personenauto (taxi) van [naam], welk geweld bestond uit het (met tassen) slaan tegen voornoemde personenauto (taxi) van [naam] en/of het op de motorkap van voornoemde personenauto (taxi) van [naam] gaan staan en/of het schoppen en/of trappen tegen voornoemde personenauto (taxi) van [naam];
2. subsidiair
zij op of omstreeks 27 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (taxi), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de rechtbank, mede naar aanleiding van verklaringen die getuigen in hoger beroep tegenover de raadsheer-commissaris hebben afgelegd.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair en 2 subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Daartoe is het volgende redengevend.

Vast staat dat op 27 september 2014 te Amsterdam vier vrouwen, waaronder de verdachte, zich in de taxi van de aangever [naam] hebben bevonden en dat vervolgens door (ten minste) drie van deze vrouwen openlijk geweld is gepleegd tegen diezelfde taxi. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en ook overigens op basis van de stukken in het dossier kan echter niet de conclusie worden getrokken dat de verdachte één van deze drie vrouwen is geweest. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte van meet af aan enige betrokkenheid bij het op de taxi toegepaste geweld heeft ontkend en dat haar lezing bevestiging heeft gevonden in de verklaringen die zijn afgelegd door twee van de andere vrouwen met wie zij in de taxi zat. Zo heeft [getuige 1] verklaard dat de verdachte zich afzijdig heeft gehouden en zich niet met de ruzie heeft bemoeid (proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris van 12 juli 2017, p. 2-3) en heeft [getuige 2] verklaard dat zij de verdachte niets heeft zien doen (proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris van 27 september 2017, p. 3). De door de getuige [getuige 3] op 12 juli 2017 afgelegde verklaring, inhoudende dat ‘geen van de dames die daar waren zich afzijdig heeft gehouden van het gebeuren’, kan niet tot een andere uitkomst leiden, omdat [getuige 3] niet meer weet of zich drie of vier dames tegen de taxichauffeur en zijn voertuig hebben gekeerd. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de aangever; hij weet zeker dat zijn taxi door drie vrouwen is beschadigd, maar van ‘de vierde vrouw’ weet hij dat niet zeker (p. 2 van de aangifte).

Vordering van de benadeelde partij [naam]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.385,11. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 665,11. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte wordt niet-ontvankelijk dan wel niet schuldig verklaard ter zake van handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep inhoudelijk aan de orde, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [naam]

Verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 oktober 2018.

mr. J.J.I. de Jong is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]