Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3868

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
200.233.408/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte op Schiphol. Combinatie van concessie en huur. Ontruimingsbescherming. Mogelijkheid in verzoekschriftprocedure verklaringen voor recht te vragen. Kwalificatie van het gehuurde. Uitleg van de huurovereenkomst: is tussen partijen overeengekomen dat het einde van de concessieovereenkomst van rechtswege tot het einde van de huurovereenkomst leidt? Haviltex. Beroep op dwaling. Is concessieovereenkomst rechtsgeldig tot een einde gekomen?

Wetsartikelen: 7:230a BW, 6:248 BW, 6:228 BW, 3:302 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2019/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.233.408/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 5618105\EJ VERZ 16-499

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 oktober 2018

inzake

VATFREE NL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. S.T. Blom te Amsterdam,

tegen

SCHIPHOL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Schiphol,

geïntimeerde,

advocaat: mr. T.H.G. Steenmetser te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna VATfree en SNBV genoemd.

VATfree is bij verzoekschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op

13 februari 2018, onder aanvoering van zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter) op 14 november 2017 onder bovenvermeld zaak-/rolnummer heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking SNBV niet ontvankelijk zal verklaren in haar tegenverzoek, althans zal verklaren voor recht dat de huurovereenkomst tussen SNBV en VATfree niet rechtsgeldig is geëindigd, zal verklaren voor recht dat die huurovereenkomst met ingang van 1 november 2016 met een periode van vijf jaren is verlengd en derhalve onverkort voortduurt en voort SNVB wegens het voortduren van de huurovereenkomst zal bevelen VATfree direct, althans binnen een door het hof te bepalen termijn toegang te verschaffen tot het gehuurde met alle faciliteiten (e.g. Schipholpassen, etc.) en bevoegdheden noodzakelijk voor het overeengekomen gebruik, met beslissing over de proceskosten.

Op 20 april 2018 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van SNBV ingekomen, inhoudende het verzoek bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking VATfree niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans die verzoeken af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op

6 september 2018. Aldaar zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun hiervoor genoemde advocaten, die het woord hebben gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Partijen hebben inlichtingen verstrekt. VATfree heeft bij deze gelegenheid haar verzoek in hoger beroep aldus gewijzigd en aangevuld, dat zij thans verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

primair:

- te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst tussen SNBV en VATfree niet rechtsgeldig is geëindigd;

- te verklaren voor recht dat die huurovereenkomst met ingang van 1 november 2016 met een periode van vijf jaren is verlengd en derhalve onverkort voortduurt, en

- SNBV niet ontvankelijk te verklaren in haar tegenverzoek;

subsidiair:

- te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst tussen SNBV en VATfree niet rechtsgeldig is geëindigd;

- te verklaren voor recht dat die huurovereenkomst met ingang van 1 november 2016 met een periode van vijf jaren is verlengd en derhalve onverkort voortduurt, en

- het tegenverzoek van SNBV als ongegrond althans onbewezen af te wijzen;

meer subsidiair:

SNBV niet ontvankelijk te verklaren in haar tegenverzoek, althans dat tegenverzoek als ongegrond althans onbewezen af te wijzen,

en in alle gevallen:

SNBV te bevelen VATfree direct, althans binnen een door het hof te bepalen termijn toegang te verschaffen tot het door haar gehuurde, met alle faciliteiten (Schipholpassen, etc. als in de huurovereenkomst en allonge opgenomen) en bevoegdheden noodzakelijk voor het overeengekomen gebruik, met beslissing over de proceskosten.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.14 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Die feiten behelzen, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende.

2.1

SNBV is eigenaar van bedrijfs- en balieruimten op de luchthaven Schiphol.

2.2

VATfree houdt zich bezig met btw-restitutie aan reizigers van buiten de EU. Zij is sinds 2007 actief op Schiphol.

2.3

Op 6 december 2011 hebben SNBV en VATfree een huurovereenkomst gesloten voor de huur van een balie in een van de terminals. Partijen zijn op 23 juni 2012 tevens een concessieovereenkomst aangegaan, waarbij SNBV aan VATfree het recht heeft verleend om zich in de terminal van de luchthaven bezig te houden met het aanbieden van btw-restitutie.

2.4

In de concessieovereenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

B.2. Tijdsduur

1. De Concessie overeenkomst wordt met terugwerkende kracht aangegaan voor een periode van vijf (5) jaar, ingaande op 1 november 2011 en derhalve eindigende op 31 oktober 2016.

2. De Concessie overeenkomst zal, na expiratie van de tijdsduur waarvoor zij is aangegaan, nimmer kunnen worden geacht stilzwijgend te zijn verlengd.

3. Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande lid, zullen partijen uiterlijk zes (6)

maanden vóór het expireren van de onderhavige Concessie overeenkomst in overleg treden over een mogelijke verlenging daarvan op alsdan overeen te komen voorwaarden.

B.3. Beëindiging Concessie overeenkomst

1. Partijen hebben het recht deze Concessie overeenkomst met inachtneming van een

opzegtermijn van zes (6) maanden tussentijds te beëindigen. De opzegging dient schriftelijk plaats te vinden.

2. (...)

3. (...)

4. Het einde van deze Concessie overeenkomst, al dan niet tussentijds, brengt met zich de gelijktijdige beëindiging van al die overeenkomsten welke SNBV met Concessionaris heeft gesloten. SNBV is in bedoeld geval jegens Concessionaris tot geen enkele schadevergoeding in verband met de beëindiging gehouden.

5. (...)

Gebruik van de balie

C.2 Huisvesting

1. Uitsluitend in het kader en ten hoogste voor de duur van de Concessie overeenkomst biedt SNBV Concessionaris de mogelijkheid ter uitoefening van de Concessie overeenkomst de ruimte(n) van Schiphol Real Estate B.V. op de Luchthaven te gebruiken.

2. Inzake het bepaalde in sub 1 zal Concessionaris met Schiphol Real Estate B.V. (een) afzonderlijke overeenkomst(en) sluiten.

3. Het is Concessionaris zonder schriftelijke toestemming van SNBV niet toegestaan andere ruimten van SNBV te gebruiken.

J.3 Toepasselijkheid Concessie overeenkomst

1. (…)

2. (…)

3. Deze Concessie overeenkomst bevat al hetgeen de partijen in verband met het onderwerp daarvan zijn overeengekomen Met ingang van de ondertekening van deze Concessie overeenkomst eindigen alle overeenkomsten en afspraken die partijen daarover eerder mochten hebben gesloten respectievelijk gemaakt.

2.5

In de huurovereenkomst is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

3. DUUR, VERLENGING EN OPZEGGING

3.1

Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 (vijf) jaar, ingaande op 1 november 201l en lopende tot en met 31 oktober 2016.

3.2

Na het verstrijken van de in artikel 3.1genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van 5 (vijf) jaar, derhalve tot en met 31 oktober 2021. Deze overeenkomst wordt vervolgens voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 1 (één) jaar.

3.3

Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging met inachtneming van een termijn van 1 (één) jaar.

2.6

Op 9 respectievelijk 18 december 2014 hebben partijen een allonge bij de

huurovereenkomst ondertekend, inhoudend dat per 1 maart 2014 de gehuurde ruimte RA162 in de plaats is gekomen van R1072 en per 1 november 2014 ook de ruimten RA160 en RA161 zijn gehuurd. In de allonge is ook bepaald:

7. Indien en voor zover daarvan in deze allonge nummer 1 niet is afgeweken blijven alle bepalingen van de in aanhef genoemde huurovereenkomst onverkort van kracht.

2.7

Bij brief van 22 april 2016 heeft SNBV VATfree op de hoogte gebracht van haar

voornemen om de samenwerking per 1 november 2016 te beëindigen. In deze brief heeft SNBV VATfree tevens aangezegd dat zij op 1 november 2016 de servicebalie ontruimd diende op te leveren. VATfree heeft per e-mail van 3 mei 2016 gereageerd op de opzegging van SNBV en om uitleg verzocht. Op 12 mei 2016 zijn in een gesprek tussen partijen de redenen voor de opzegging besproken.

2.8

Bij brief van 19 oktober 2016 heeft VATfree de rechtsgeldigheid van de beëindiging van de huurovereenkomst betwist. SNBV heeft zich vervolgens bij brief van 25 oktober 2016 op het standpunt gesteld dat met het einde van de concessieovereenkomst tevens een einde aan de huurovereenkomst is gekomen.

2.9

Partijen zijn thans verdeeld over de vraag of er tussen hen vanaf 1 november 2016 een huurovereenkomst op grond van artikel 7:230a BW bestaat voor de huur van de servicebalie.

2.10

Op 30 december 2016 heeft VATfree het inleidende verzoekschrift ingediend. Op 21 maart 2017 heeft zij SNBV ook in een dagvaardingsprocedure betrokken.

2.11

In een op 8 maart 2017 door SNBV aangespannen kortgedingprocedure heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland op 12 mei 2017 vonnis gewezen, waarin onder meer het volgende is overwogen:

De rechtsverhouding tussen partijen

5.8 (...)

Partijen hebben hun rechtsverhouding vervat in twee afzonderlijke overeenkomsten: een huurovereenkomst en een concessieovereenkomst. De concessieovereenkomst regelt de commerciële kant van de exploitatie door VATfree en de huurovereenkomst regelt het gebruik van de balie. De voorzieningenrechter is met [SNBV] van oordeel dat uit artikel J.3.3. van de concessieovereenkomst voortvloeit dat de concessieovereenkomst allesomvattend en dus leidend is. Met het aangaan van de concessieovereenkomst hebben partijen ervoor gekozen om hun rechtsverhouding opnieuw vorm te geven. De omstandigheid dat de concessieovereenkomst van latere datum is dan de huurovereenkomst pleit voor die opvatting en de omstandigheid dat reeds vóór het aangaan van de concessieovereenkomst gebruik werd gemaakt van de brievenbussen, is onvoldoende om anders te oordelen.

3 Beoordeling

3.1

Bij het inleidende verzoekschrift van 30 december 2016 heeft VATfree voorwaardelijk, namelijk voor het geval in een procedure met een niet-extrajudicieel karakter zou komen vast te staan dat vanaf 1 november 2016 geen huurovereenkomst meer bestaat tussen VATfree en SNVB, verzocht op grond van het bepaalde in artikel 7:230a BW de verplichting van VATfree om na het einde van de huur per 31 oktober 2016 de gehuurde servicebalie te ontruimen, te schorsen en de ontruimingstermijn te verlengen met een jaar, derhalve tot 1 november 2017, of een door de kantonrechter te bepalen termijn. SNVB heeft dit verzoek weersproken en van haar kant het zelfstandige en onvoorwaardelijke tegenverzoek gedaan om voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de servicebalie is geëindigd op 31 oktober 2016. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat SNBV ontvankelijk is in haar onvoorwaardelijke tegenverzoek tot verklaring voor recht, overwogen dat het voorwaardelijke karakter van het verzoek van VATfree daarmee verloren is gegaan, het verzoek van SNBV toegewezen, dat van VATfree afgewezen en VATfree veroordeeld het gehuurde per 15 januari 2018 te ontruimen. De ontruiming heeft inmiddels plaatsgevonden.

3.2

Hoewel de mogelijkheid van hoger beroep in artikel 7:230a BW is uitgesloten, kan VATfree in haar hoger beroep worden ontvangen, omdat zij zich op het standpunt stelt dat de kantonrechter dat artikel ten onrechte heeft toegepast, terwijl bovendien de door de kantonrechter gegeven verklaring voor recht zelfstandig toetsbaar is in hoger beroep. Uit het feit dat VATfree na de wijziging van haar verzoek in hoger beroep zelf primair en subsidiair een tweetal verklaringen voor recht verzoekt, leidt het hof af dat zij zich niet langer op het standpunt stelt dat in een verzoekschriftprocedure hoe dan ook geen verklaringen voor recht kunnen worden gegeven. Het hof acht dat standpunt overigens ook onjuist, omdat een verklaring voor recht kan worden gegeven indien die voldoende rechtstreeks verband houdt met het hoofdverzoek, in dit geval: het verzoek tot het verlenen van ontruimingsbescherming. Aan dat vereiste is hier voldaan.

3.3

In eerste aanleg heeft VATfree haar verzoek om ontruimingsbescherming gedaan onder de voorwaarde dat, kort gezegd, in een dagvaardingsprocedure zou komen vast te staan dat de huurovereenkomst van partijen tot een einde is gekomen. Met het oog hierop heeft zij de onder 2.10 genoemde dagvaardingsprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij aanvankelijk vorderde dat voor recht zou worden verklaard dat de huurovereenkomst niet is geëindigd. In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de voorwaarde die VATfree had verbonden aan haar verzoek om ontruimingsbescherming vervuld geacht, althans terzijde gesteld. In haar beroepschrift heeft VATfree tegen deze gang van zaken bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft zij echter ter zitting in hoger beroep laten varen. Het hof zal dan ook ervan uitgaan dat het verzoek om ontruimingsbescherming is gedaan onder de voorwaarde dat in deze procedure komt vast te staan dat de huurovereenkomst is geëindigd. Grief I hoeft dan geen bespreking meer.

3.4

In hoger beroep heeft VATfree voor het eerst betoogd dat de gehuurde ruimte is te beschouwen als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 e.v. BW, zodat artikel 7:230a BW hier toepassing mist. Dit betekent dat VATfree haar verzoek om ontruimingsbescherming ook in die zin voorwaardelijk heeft gedaan.

3.5

Het verweer dat de gehuurde ruimte zogenaamde middenstandsbedrijfsruimte is, berust op de aanname dat de activiteiten van VATfree zijn te kwalificeren als kleinhandelsbedrijf. Die aanname is echter niet juist. Kleinhandel, oftewel detailhandel, betreft de verkoop van roerende zaken. Daarmee houdt VATfree zich niet bezig. Het bedrijf dat VATfree uitoefent is veeleer te vergelijken met een reisbureau, bankfiliaal of loket van een loterij, die alle naar vaste jurisprudentie niet zijn te beschouwen als kleinhandel, restaurant- of cafébedrijf, afhaal- of besteldienst of ambachtsbedrijf als genoemd in artikel 7:290 BW. Dit betekent dat artikel 7:230a BW toepasselijk is en grief II faalt.

3.6

Daarmee komt het hof toe aan de vraag of de huurovereenkomst van partijen rechtsgeldig tot een einde is gekomen. VATfree voert aan dat met de brief van 22 april 2016 van SNBV (zie hiervoor onder 2.7) de huurovereenkomst niet geldig is beëindigd, omdat in artikel 3.3 van de huurovereenkomst is bepaald dat bij opzegging een opzegtermijn van een jaar in acht moet worden genomen. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking dit betoog verworpen met een verwijzing naar hetgeen de voorzieningenrechter onder 5.8 van het kortgedingvonnis van 12 mei 2017 heeft overwogen (zie hiervoor onder 2.11), aangevuld met de overweging dat met het eindigen van de concessieovereenkomst de huurovereenkomst eveneens is geëindigd.

3.7

VATfree heeft in hoger beroep erop gewezen dat de concessieovereenkomst ervan uitgaat dat inzake het gebruik van de servicebalie een huurovereenkomst is gesloten met Schiphol Real Estate B.V. Volgens VATfree ligt het onder die omstandigheden in de rede dat die huurovereenkomst een zelfstandige overeenkomst is; de gesloten huurovereenkomst heeft een zelfstandig karakter en is op geen enkele wijze gekoppeld aan de concessieovereenkomst en daarvan ook niet afhankelijk gesteld. Dit laatste wordt bevestigd door het feit dat de huurovereenkomst al bestond voordat de concessieovereenkomst tot stand kwam. Voor rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst is bovendien opzegging vereist, terwijl de concessieovereenkomst in principe van rechtswege eindigt. De ingrijpende wijziging van de huurovereenkomst door de sluiting van de concessieovereenkomst die het standpunt van de kantonrechter impliceert, is door VATfree niet beoogd, aldus nog steeds VATfree.

3.8

Een huurovereenkomst met betrekking tot bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW, zoals de onderhavige, kan onder omstandigheden zonder opzegging eindigen. Vereist is slechts, dat de datum van ontruiming schriftelijk wordt aangezegd. Dat laatste is in dit geval gebeurd bij de brief van 22 april 2016. De wet staat dus aan de door SNBV bepleite beëindiging van rechtswege niet in de weg. Het gaat dan erom te bepalen welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.9

Met de concessieovereenkomst heeft SNBV aan VATfree het recht verleend op het luchthaventerrein te bemiddelen bij btw-restitutie. Het eindigen van de concessieovereenkomst leidt derhalve tot de situatie dat het VATfree niet is toegestaan haar bedrijf nog langer op de luchthaven uit te oefenen. In die situatie zou, gegeven het feit dat in artikel 1.4 van de huurovereenkomst is bedongen dat het gehuurde uitsluitend mag worden gebruikt voor de bedrijfsuitoefening van VATfree, het doorlopen van de huurovereenkomst eerder een last dan een voordeel voor VATfree zijn. Aan het voorgaande doet niet af dat de huurovereenkomst al was gesloten voordat de concessieovereenkomst tot stand kwam. Uit de door SNBV in eerste aanleg als productie 3 overgelegde e-mailwisseling blijkt immers dat partijen al ver voor het sluiten van de huurovereenkomst met elkaar in onderhandeling waren over de af te sluiten concessieovereenkomst en dat het steeds de bedoeling is geweest dat de concessieovereenkomst zou ingaan op 1 november 2011, zijnde ook de ingangsdatum van de huurovereenkomst.

3.10

In lid 4 van artikel B.3. van de concessieovereenkomst staat in niet mis te verstane bewoordingen vermeld dat het einde van de concessieovereenkomst het einde met zich brengt van al die overeenkomsten die SNBV met VATfree heeft gesloten. Verder is in lid 1 van artikel C.2. van de concessieovereenkomst bepaald dat SNBV uitsluitend in het kader en ten hoogste voor de duur van de concessieovereenkomst aan VATfree de mogelijkheid bood de ruimten van Schiphol Real Estate B.V. op de luchthaven te gebruiken. Dat laatste is geformaliseerd en uitgewerkt in de huurovereenkomst die SNBV, anders dan in de concessieovereenkomst tot uitgangspunt is genomen, zelf met VATfree heeft gesloten (zij het daarbij vertegenwoordigd door Schiphol Real Estate B.V.). VATfree heeft, mede gelet op hetgeen onder 3.9 is overwogen, moeten begrijpen dat die huurovereenkomst behoorde tot de in lid 4 van artikel B.3. bedoelde overeenkomsten. Aan de omstandigheid dat beëindiging van rechtswege van de huurovereenkomst bij het einde van de concessieovereenkomst minder eenvoudig zou zijn te bewerkstelligen als die overeenkomst daadwerkelijk met Schiphol Real Estate B.V. zou zijn gesloten, heeft VATfree niet het vertrouwen mogen ontlenen dat SNBV heeft gewild dat bij het einde van de concessieovereenkomst de wél met haar gesloten huurovereenkomst zou doorlopen. Verder is van belang, dat de onderhandelingen over beide overeenkomsten voorafgaand aan de sluiting van de huurovereenkomst gelijktijdig werden gevoerd. Niet is gesteld of gebleken dat de artikelen B.3. en C.2. ooit een punt van discussie tussen partijen hebben gevormd. Dit betekent dat VATfree reeds bij het sluiten van de huurovereenkomst bedacht heeft moeten zijn op het bestaan van die artikelen en de invloed daarvan op de inhoud van de huurovereenkomst. Toen VATfree de concessieovereenkomst ondertekende mocht SNBV daaruit afleiden dat VATfree ermee instemde dat het bestaan van de huurovereenkomst afhankelijk was van dat van de concessieovereenkomst.

3.11

VATfree heeft nog gesteld dat partijen in de onderhandeling over de concessieovereenkomst de nadrukkelijke koppeling met de huurovereenkomst bewust hebben verwijderd. Zij verwijst in dit verband naar een door haar overgelegde e-mailwisseling. SNBV heeft betwist dat partijen in de onderhandelingen de koppeling uit de concessieovereenkomst hebben verwijderd. Het hof kan dat uit de e-mails ook niet afleiden, zodat deze stelling als onbewezen wordt verworpen.

3.12

Voorts ziet het hof niet waarom, zoals VATfree heeft betoogd, de beschrijving van de huurovereenkomst en de concessieovereenkomst in een brief van SNBV van 2 maart 2016 als twee in duur gelijklopende overeenkomsten, tegenstrijdig zou zijn met het thans door SNBV ingenomen standpunt dat de beëindiging van de concessieovereenkomst rechtstreeks tot beëindiging van de huurovereenkomst leidt.

3.13

Ook het feit dat, zoals VATfree heeft aangevoerd, de concessievergoeding is verschuldigd naast de huurpenningen kan niet dienen ter ondersteuning van het standpunt van VATfree. Het oordeel dat de concessieovereenkomst en de huurovereenkomst in die zin samenhangend zijn, dat het einde van de concessieovereenkomst rechtstreeks het einde van de huurovereenkomst met zich brengt, impliceert immers niet dat die overeenkomsten met elkaar zouden zijn te vereenzelvigen. De concessieovereenkomst kan bestaan zonder een huurovereenkomst, namelijk wanneer voor de bedrijfsvoering geen bedrijfsruimte is vereist. Om deze reden zijn de opzeggingsbepalingen in de huurovereenkomst ook nog steeds relevant.

3.14

In de in december 2014 ondertekende allonge is bepaald (zie hiervoor onder 2.6) dat (voor het overige) de bepalingen van de huurovereenkomst onverkort van kracht blijven. Met deze bepaling is, anders dan VATfree bepleit, niet onverenigbaar dat de inhoud van die huurovereenkomst mede wordt bepaald door hetgeen partijen in de concessieovereenkomst zijn overeengekomen.

3.15

Al hetgeen hiervoor werd overwogen leidt tot de slotsom dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het einde van de concessieovereenkomst van rechtswege tot het einde van de huurovereenkomst leidt. De grieven III en IV zijn dan ook tevergeefs voorgedragen, evenals grief VI, voor zover die ziet op de uitleg van de overeenkomst.

3.16

In de toelichting op grief VI heeft VATfree tevens een beroep gedaan op dwaling en de “wijziging in de opzegtermijn van de huurovereenkomst” op die grond vernietigd. Dit beroep op dwaling berust op het standpunt dat VATfree de bedoelde wijziging niet heeft gewild. In het voorgaande is echter vastgesteld wat partijen over en weer van elkaar redelijkerwijs hebben mogen en moeten begrijpen. De stelling van VATfree dat zij dat alles in werkelijkheid, dus subjectief, nooit heeft gewild, kan dan niet tot een geslaagd beroep op dwaling leiden. Ook in zoverre faalt grief VI dus.

3.17

Grief V houdt in dat de concessieovereenkomst - en dus ook de huurovereenkomst - niet rechtsgeldig tot een einde is gekomen, omdat SNBV zich niet heeft gehouden aan lid 3 van artikel B.3. van de concessieovereenkomst, dat bepaalt dat partijen uiterlijk zes maanden voor de afloop van de concessieovereenkomst in overleg zullen treden. Het hof volgt VATfree hierin niet. Zo uit dat artikellid al kan worden begrepen dat aan partijen een verplichting tot onderhandeling is opgelegd en niet slechts een intentie daartoe is uitgesproken, maakt de samenhang met het daaraan voorafgaande lid 2, waarin is bepaald dat de concessieovereenkomst na afloop van de looptijd nimmer kan worden geacht stilzwijgend te zijn verlengd, duidelijk dat niet is beoogd dat het achterwege blijven van tijdig overleg ertoe zou leiden dat de concessieovereenkomst na 31 oktober 2016 doorloopt. Die samenhang is in lid 3 neergelegd in het woord “niettegenstaande”, dat tot uitdrukking brengt dat de bepaling in lid 2 en de bepaling in lid 3 elkaar onverlet laten. Ook deze grief mist derhalve doel.

3.18

Nu alle grieven falen, zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt VATfree veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af hetgeen VATfree in hoger beroep voorts nog heeft verzocht;

veroordeelt VATfree in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van SNBV gevallen, op € 726,= aan verschotten en € 2.148,= aan salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.A.J. Dun en I.A. Haanappel- van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2018.