Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3857

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
23-001864-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gekwalificeerde diefstal met bewijsmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001864-17

Datum uitspraak: 10 augustus 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-027624-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

27 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon (merk Iphone), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat in het vonnis de bewijsmiddelen niet zijn uitgewerkt.

Bewijsmotivering

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Uit het proces-verbaal van bevindingen van het doelgroepenteam volgt dat van de vijf aanwezige verbalisanten enkel verbalisant [verbalisant] de wegnemingshandeling van verdachte heeft kunnen waarnemen. Uit de camerabeelden volgt echter niet dat verbalisant [verbalisant] zo dichtbij stond dat het voor hem mogelijk was die handeling waar te nemen, hij kan deze niet gezien hebben. Als de camera uitzoomt is hij immers niet op straat te zien. Al met al is er niet alleen twijfel over de waarneming van verbalisant [verbalisant] , maar kan eveneens feitelijk worden vastgesteld dat de wegnemingshandeling niet is waar te nemen op de beelden.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat een wegnemingshandeling van de verdachte bij [slachtoffer] niet op de camerabeelden is waar te nemen. Het hof heeft echter geen aanleiding om te twijfelen aan de waarneming van verbalisant [verbalisant] zoals weergegeven in het proces-verbaal. Uit de schematische weergave die [verbalisant] bij de raadsheer-commissaris heeft opgetekend volgt dat hij aan de overkant van de straat stond en dus recht op het slachtoffer keek en de verdachte van de zijkant zag (en niet op de rug). [verbalisant] kan vanuit die positie een wegnemingshandeling van de verdachte hebben gezien. Dat [verbalisant] niet zichtbaar is op de camerabeelden als de camera enkel momenten na de voetbaltruc (en de vermeende wegnemingshandeling van de verdachte) uitzoomt noopt niet tot een ander oordeel. Gelet op de situatie is het niet onwaarschijnlijk dat [verbalisant] zich voortbewoog om niet op te vallen.
Ook zonder vast te stellen of de verdachte een wegnemingshandeling heeft uitgevoerd kan diefstal in vereniging bewezen worden verklaard. Op basis van de camerabeelden en het proces-verbaal van bevindingen van het doelgroepenteam volgt dat de verdachte zich met drie andere jongens in het centrum van Amsterdam bevond. In de minuten voorafgaand aan de diefstal van een iPhone van [slachtoffer] lopen de vier jongen door een straat waarbij zij zich soms van elkaar afscheiden, maar contact blijven houden door middel van oogcontact en handgebaren. Op een gegeven moment gaan de vier jongens gezamenlijk om [slachtoffer] heen staan, die op dat moment alleen is. Na wat heen en weer gepraat en een kortstondige verwijdering voert een van de jongens de voetbaltruc uit bij [slachtoffer] , en terwijl die jongen de voetbaltruc uitvoert gaat de verdachte aan de andere kant zeer dicht op [slachtoffer] staan. Enkele minuten na de voetbaltruc worden de vier jongens aangehouden en wordt bij een medeverdachte de iPhone van [slachtoffer] aangetroffen. Op basis van het voorgaande is naar het oordeel van het hof sprake van een gezamenlijke uitvoering van de diefstal.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 februari 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon, merk Iphone, toebehorende aan [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek van het voorarrest

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zakkenrollerij. Hij heeft met zijn mededaders op een berekende wijze de aangever [slachtoffer] zijn iPhone afhandig gemaakt. Zakkenrollerij is een zeer ergerlijk feit, dat voor de betrokken persoon hinder en schade oplevert. Naast schade en ongemak voor gedupeerden veroorzaakt zakkenrollerij gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van aangever.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Gelet op de ernst van het feit en in overeenstemming met het oriëntatiepunt van rechtbank Amsterdam ten aanzien van een voltooide zakkenrollerij bij een toerist kan niet worden volstaan met een lagere straf dan de hieronder bedoelde. Hierbij is rekening gehouden dat de verdachte volgens zijn justitiële documentatie niet eerder voor een dergelijk strafbaar feit is veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M.M. van der Nat en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 augustus 2018.

mr. M.L.M. van der Voet is buiten staat dit arrest te ondertekenen.