Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3846

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
23-000739-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mensenhandel. Meenemen naar het buitenland (België). Oogmerk het slachtoffer in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000739-16

datum uitspraak: 8 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-656177-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te Metalsa (Marokko) op [geboortedatum] ,

adres: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder het vierde cumulatief/alternatief (toegesneden op artikel 273f , eerste lid sub 6 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van het vierde cumulatief/alternatief tenlastegelegde. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing tot vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18, 21 en 24 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 maart 2012 te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) [S.C.] , (telkens) door dwang en/of geweld of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of andere feitelijkheid en/of misleiding en/of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van één of meer personen te verkrijgen die zeggenschap over die [S.C.] had(den),

- ( telkens) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [S.C.]

(artikel 273f, lid 1 sub 1)

en/of

- die [S.C.] heeft aangeworven en/of meegenomen met het oogmerk die [S.C.] in een ander land (te weten in België) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,

(artikel 273f, lid 1 sub 3)

en/of

- die [S.C.] (telkens) met één van de onder lid 1, sub 1 van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)

dan wel onder één of meer van de onder lid 1, sub 1 van voornoemd artikel genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [S.C.] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)

(artikel 273f, lid 1 sub 4)

en/of

- ( telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [S.C.]

(artikel 273f, lid 1 sub 6)

en/of

- die [S.C.] (telkens) met één van de onder lid 1, sub 1 van voornoemd artikel genoemde middelen, heeft gedwongen en/of bewogen hem en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde

(artikel 273f, lid 1 sub 9),

immers heeft/is hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededader(s)

- met voornoemde [S.C.] een intieme relatie is aangegaan en/of voornoemde [S.C.] misleid door te doen alsof hij een intieme relatie met haar had en/of

- met gebruikmaking van haar gevoelens voor hem, verdachte, die [S.C.] gevraagd en/of ertoe aangezet en/of gebracht tot het (blijven) verrichten van prostitutiewerkzaamheden en/of

- die [S.C.] verteld/beloofd dat hij, verdachte en/of voornoemde [S.C.] , van het door voornoemde [S.C.] verdiende geld naar de Antillen zouden gaan en/of van het door [S.C.] verdiende geld een huis op de Antillen zouden kopen en/of een café zouden kopen in welk café voornoemde [S.C.] zou kunnen werken en/of

- zorg gedragen voor controle en/of toezicht op de prostitutie - en/of verdiensten en/of afspraken over de uitbetaling van de verdiensten van die [S.C.] en/of

- voornoemde [S.C.] in het gezicht en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of

- die [S.C.] in een auto vervoerd naar België (met als doel dat die [S.C.] aldaar werkzaamheden als prostituee zou gaan verrichten) en/of

- het door die [S.C.] (met werkzaamheden) verdiende geld afgenomen en/of die [S.C.] gedwongen en/of bewogen haar verdiensten aan hem, verdachte, af te staan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [S.C.] zal toewijzen tot een bedrag van € 1.900,00.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte van al hetgeen aan hem is tenlastegelegd moet worden vrijgesproken. Kort samengevat heeft de raadsman daartoe het volgende aangevoerd.

Niet kan worden bewezen dat de verdachte weet had van de uitbuiting van de aangeefster [S.C.] (hierna: [S.C.] ) in de prostitutie en dat hij haar met dat oogmerk door middel van dwang of bedreiging ertoe heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor seksuele handelingen noch dat hij haar met dat oogmerk naar België heeft gebracht dan wel dat de verdachte uit de opbrengsten daarvan is bevoordeeld. Voorts ontbreekt het bewijs dat de verdachte als medepleger bij het tenlastegelegde betrokken is geweest. Zo de verdachte al strafbaar heeft gehandeld, betreffen zijn gedragingen handelingen die veeleer met medeplichtigheid dan met medeplegen in verband worden gebracht.

Het dossier bevat veel wisselende verklaringen zowel van [S.C.] als van de getuige [H.S.] omtrent hetgeen voorafgaand en tijdens verschillende reizen naar België is voorgevallen. Niet kan eenduidig worden vastgesteld wat er precies wanneer is gebeurd en welke rol een ieder daarbij heeft vervuld.

Reden waarom de raadsman ter terechtzitting opnieuw heeft verzocht [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) als getuige op te roepen, voor zover en indien de verklaring van [medeverdachte 1] voor het bewijs zal worden gebezigd.

Voorts heeft de raadsman opnieuw verzocht [S.C.] als getuige ter terechtzitting op te roepen, aangezien zij door de door de rechter-commissaris buiten aanwezigheid van de verdediging is gehoord en de verdediging derhalve niet in de gelegenheid is geweest haar op onderdelen nader te bevragen. De raadsman acht het noodzakelijk [S.C.] nogmaals te horen, voor zover en indien de verklaring van [S.C.] voor het bewijs zal worden gebruikt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten, voor zover inhoudelijk aan de orde, kunnen worden bewezen overeenkomstig de bewezenverklaring van de rechtbank en met gebruikmaking van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.

Daarbij heeft de advocaat-generaal erop gewezen dat de verklaringen van [S.C.] niet het enige en doorslaggevende bewijs vormen, dat zij consistent heeft verklaard en dat haar verklaringen ook steun vinden in andere bewijsmiddelen. Dat [S.C.] op onderdelen anders heeft verklaard dan andere getuigen in het dossier maakt dit niet anders.

De verzoeken tot het opnieuw oproepen van [medeverdachte 1] en [S.C.] als getuigen ter terechtzitting dienen te worden afgewezen, reeds omdat deze niet met nieuwe omstandigheden door de verdediging zijn onderbouwd en [S.C.] al door de rechter-commissaris is gehoord en de verdediging in de gelegenheid is gesteld voorafgaand aan het verhoor vragen op te geven.

Vrijspraak

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat voor hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd onder het eerste, tweede, derde en vijfde cumulatief/alternatief (de onderdelen toegesneden op artikel 273f, eerste lid onder sub 1, sub 3, sub 4 en sub 9 Sr), inhoudende kort gezegd gedragingen die erop gericht zijn al dan niet tezamen met anderen [S.C.] door middel van een of meer dwangmiddelen in de prostitutie (in België) uit te buiten en hem en/of zijn mededaders daaruit te bevoordelen, onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is.

Gelet op hetgeen in de tenlastelegging aan feitelijke gedragingen is opgenomen overweegt het hof als volgt.

Hoewel uit het dossier kan worden opgemaakt dat [S.C.] voorafgaand aan de zomer 2011 een intieme relatie met de verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) heeft gekregen en dat zij zo verliefd op hem was dat zij alles – ook werken in de prostitutie – voor hem deed, kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het ontstaan en/of voortbestaan van deze relatie tussen [S.C.] en [medeverdachte 2] of al dan niet tezamen met een of meer anderen misbruik heeft gemaakt van uit een dergelijke relatie voorvloeiende gevoelens van [S.C.] dan wel toezeggingen omtrent haar toekomst aan haar heeft gedaan. De omstandigheid dat [S.C.] met de verdachte en [medeverdachte 1] naar Antwerpen/België is gereden, omdat zij geld wilde verdienen om een horloge voor [medeverdachte 2] te kopen maakt dit niet anders.

Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting van het hof erkend dat hij in de zomer van 2011 samen met [medeverdachte 1] , [S.C.] en [H.S.] (hierna: [H.S.] ) in de VW Golf van zijn broer van Nederland naar Antwerpen (België) heeft gebracht en dat [S.C.] daar toen als prostituee heeft gewerkt, maar hij heeft stellig ontkend te hebben geweten dat het de bedoeling was dat [S.C.] in Antwerpen als prostituee zou gaan werken. Hij zou er steeds vanuit zijn gegaan dat het doel van deze reis te maken had met de handel in drugs. Eerst in Antwerpen zou hij er achter zijn gekomen dat [S.C.] in de prostitutie ging werken.

Hoewel uit het dossier valt af te leiden dat er voorafgaande aan die reis naar Antwerpen een bijeenkomst heeft plaatsgevonden in een coffeeshop in Amsterdam, waarbij [medeverdachte 1] , de verdachte en een jongen uit België aanwezig waren en [S.C.] en [H.S.] later zijn aangeschoven, kan niet met zekerheid worden vastgesteld wanneer die bijeenkomst heeft plaatsgevonden en wat daar toen door wie is besproken.

[H.S.] heeft verklaard dat die Belgische jongen was gekomen om te zien hoe [S.C.] er uit zag en zowel [S.C.] als [H.S.] hebben verklaard dat zij deze Belgische jongen later in Antwerpen, toen [S.C.] in de prostitutie ging werken, weer hebben gezien en dat zijn vriendin daar ook in de prostitutie werkte. Deze verklaringen lijken erop te wijzen dat in de coffeeshop is gesproken over het tewerkstellen van [S.C.] in de prostitutie in België. Dit lijkt te worden bevestigd door de verklaring van [S.C.] , dat [H.S.] iets had gelezen in de Blackberry-telefoon van [medeverdachte 1] over hotels regelen en dingen regelen dat [S.C.] 18 en [H.S.] 17 was en dat [H.S.] niet in de prostitutie hoefde te werken, omdat zij 17 jaar was. De advocaat-generaal heeft gesteld dat deze omstandigheden tezamen en in onderling verband beschouwd het bewijs opleveren dat de verdachte tezamen met anderen [S.C.] heeft meegenomen met het oogmerk haar in België in de prostitutie uit te buiten. Het hof volgt de advocaat-generaal daarin niet. Hoewel de hiervoor genoemde omstandigheden opmerkelijk zijn te noemen en het hof ook wel aannemelijk acht dat het gesprek in die coffeeshop over prostitutie in relatie tot [S.C.] ging, niet kan op grond daarvan buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat de verdachte [S.C.] naar België heeft meegenomen met het oogmerk die [S.C.] aldaar ertoe te brengen in de prostitutie werkzaam te zijn.

Het dossier biedt voorts onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat de verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij controle op de prostitutiewerkzaamheden en/of -verdiensten van die [S.C.] , zo van controle of toezicht al sprake is geweest. Ook voor betrokkenheid van de verdachte, in welke vorm dan ook, bij fysiek geweld tegen die [S.C.] ontbreekt het bewijs in het dossier. Voor zover de verdachte al enig geldbedrag uit de prostitutieverdiensten van [S.C.] heeft verkregen, kan uit het dossier niet worden afgeleid dat daarbij sprake is geweest van enig dwangmiddel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid sub 9 Sr.

Het hof is op grond van voorgaande overwegingen van oordeel dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van het als eerste, tweede, derde en vijfde cumulatief/alternatief tenlastegelegde.

Ter terechtzitting gedane verzoeken tot het oproepen van getuigen

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof opnieuw verzocht [medeverdachte 1] en [S.C.] als getuige ter terechtzitting op te roepen, voor zover en indien de verklaring van elk van beide voor het bewijs zal worden gebezigd.

Nu het hof zoals hiervoor is overwogen de verdachte van het tenlastegelegde zal vrijspreken, komt het hof aan een beoordeling van deze verzoeken niet toe.

Vordering van de benadeelde partij [S.C.]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.250,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.250,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het vierde alternatief/cumulatief (toegesneden op artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het eerste, tweede, derde en vijfde cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [S.C.]

Verklaart de benadeelde partij [S.C.] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van

mr. T. Kaandorp, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 oktober 2018.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000739-16

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 8 oktober 2018.

Tegenwoordig zijn:

mr. M.L. Leenaers, voorzitter,

mr. H.S.G. Verhoeff en mr. M.J.A. Plaisier, leden

mr. T. Kaandorp, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.R. Witteveen, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.