Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:383

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
23-002655-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijs opzetheling en waardering ontkennende verklaring verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002655-17

datum uitspraak: 2 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-669066-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof ten aanzien van het bewijs nader overweegt en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank. In zoverre wordt het vonnis vernietigd.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit, omdat de verdachte stelt geen wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de in de tenlastelegging omschreven goederen in de kelderbox. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat in de fouillering van de verdachte – in het kader van het onderzoek in een andere strafzaak – sleutels zijn aangetroffen waarmee het slot van de toegangsdeur van een kelderbox kon worden ontsloten. Deze kelderbox behoort bij de woning, die toen (en ook thans) werd bewoond door de verdachte en zijn moeder. In die kelderbox zijn op 13 april 2016 in het kader van een opsporingsonderzoek door de politie een kentekenplaat en een (niet van een kentekenplaat voorziene) motorscooter aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze goederen bleken enkele dagen daarvoor – op 9 of 10 april 2016 respectievelijk tussen 5 en 7 april 2016 – gestolen te zijn. De verdachte heeft verklaard dat hij samen met zijn moeder in de desbetreffende woning woont en dat zij als bewoners samen tot het exclusieve gebruik van de kelderbox gerechtigd waren.

De verdachte – die eerder over de feiten niet heeft willen verklaren – heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij gebruik maakte van de kelderbox maar niet wist dat de aan de rechthebbenden ontstolen goederen zich in de kelderbox bevonden. Voorts heeft hij erop gewezen dat er in het verleden wel problemen zijn geweest met betrekking tot de deur en/of de sloten van die kelderbox. Die problemen zouden – naar het hof de verdachte begrijpt – tot gevolg hebben gehad dat jan en alleman gebruik kon maken van de kelderbox.

Deze eerst ter terechtzitting in hoger beroep betrokken stelling is door de verdachte op geen enkele wijze nader gespecificeerd, noch op enigerlei wijze onderbouwd. Vaststaat dat ten tijde van het aantreffen van die scooter en kentekenplaat de kelderbox was afgesloten en kon worden betreden nadat het slot van de toegangsdeur was ontsloten met gebruikmaking van een onder de verdachte aangetroffen sleutel. Bij die stand van zaken gaat het hof voorbij aan de door de verdachte gesuggereerde mogelijkheid dat een derde (niet zijnde zijn moeder) misbruik heeft gemaakt van die kelderbox door die voorwerpen daar heimelijk op te slaan, omdat het hof daaraan geen geloof hecht.

Nu de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de gestolen goederen in de afgesloten kelderbox, terwijl die goederen (daags nadat zij zijn ontvreemd) daarin zijn aangetroffen en hij het is geweest die tot het gebruik van de box gerechtigd was, trekt het hof daaruit de bewijsconclusie dat de verdachte wist dat de goederen zich in de kelderbox bevonden en dat hij wist dat die goederen een misdadige herkomst hadden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte feitelijk over de goederen kon beschikken middels de sleutel van de kelderbox die hij ten tijde van de aanhouding bij zich droeg en dat de kelderbox door de politie afgesloten is aangetroffen. Bovendien biedt het dossier noch de verklaring van de verdachte een redelijk aanknopingspunt voor de mogelijkheid dat het niet de verdachte, maar zijn moeder is geweest die de gestolen goederen in die kelderbox heeft gestald of doen stallen. Het moet ervoor worden gehouden dat de eerst ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring door de verdachte is afgelegd teneinde zijn wetenschap, zowel waar die ziet op de aanwezigheid van de goederen in de kelderbox, als de misdadige herkomst daarvan, te bemantelen.

Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de in de tenlastelegging bedoelde kentekenplaat en motorscooter.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 580,00 als vergoeding voor immateriële schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, welke schade ook niet door de verdachte is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit en ten aanzien van de strafoplegging van het onder 2 ten laste gelegde – hetgeen de verdachte bekent – verzocht te volstaan met oplegging van een taakstraf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte sinds twee jaar geen justitiecontacten meer heeft gehad en dat de verdachte inmiddels een arbeidsovereenkomst heeft als oproepkracht (chauffeur). Het uitvoeren van een taakstraf is met de werkzaamheden van de verdachte te combineren, terwijl een voorwaardelijke gevangenisstraf de verdachte parten zou kunnen spelen bij de verkrijging van een vast contract.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van een kentekenplaat en een motorscooter. Daarmee heeft de verdachte deel uitgemaakt van een circuit waarin uit misdrijf afkomstige goederen worden verhandeld en heeft aldus indirect het plegen van vermogensmisdrijven bevorderd. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij zij zijn betrapt door de bewoonster en vervolgens dwars door de woning van de buren zijn gevlucht terwijl die bewoners thuis waren. Door de verdachte en de medeverdachte zijn diverse sieraden weggenomen die voor de bewoners ook van emotionele waarde bleken te zijn. Door aldus te handelen heeft de verdachte op brutale wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. De benadeelde heeft materiële schade geleden en hinder ondervonden. Daarbij komt dat een woning bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Bovendien dragen woninginbraken bij aan gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij. Het hof rekent dit de verdachte ernstig aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 januari 2018 is hij eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen het hof in zijn nadeel bij de strafoplegging betrekt.

In het voordeel van de verdachte weegt het hof dat de verdachte thans een baan heeft en dat hij gedurende de voorbije twee jaren niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit zal plegen en om de positieve ontwikkelingen te bestendigen, zal het hof een gedeelte van de straf voorwaardelijk opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 december 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 december 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. D.J.M.W. Paridaens en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 februari 2018.

Mr. R. Veldhuisen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]