Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3803

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
23-000452-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 9 jaar en 9 maanden vanwege het medeplegen van doodslag en wederrechtelijke vrijheidsberoving gepleegd in 1997.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000452-16

datum uitspraak: 18 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 14 oktober 1999 in de strafzaak onder parketnummer 14-025295-99 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2018 en 4 oktober 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1 primair:
hij op of omstreeks 30 augustus 1997 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Bergen (NH) en/of Schoorl en/of Zijpe en/of Schagen, althans in Nederland, in elk geval in het arrondissement Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg als volgt gehandeld;

Verdachte en/of verdachtes mededader heeft/hebben, terwijl verdachtes mededader of verdachte een auto gedurende lange(re) tijd bestuurde, die [slachtoffer] (die op de passagierstoel voorin in een auto zat) ruggelings achterover getrokken en/of (met kracht) in een wurggreep genomen en/of - gedurende lange(re) tijd - (met kracht) in een wurggreep gehouden, tengevolge van welk een en/of ander voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 30 augustus 1997 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Bergen (NH) en/of Schoorl en/of Zijpe en/of Schagen, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet, terwijl verdachtes mededader of verdachte een auto gedurende lange(re)tijd bestuurde, die [slachtoffer] (die op de passagiersstoel voorin een auto zat) ruggelings achterover getrokken en/of (met kracht) in een wurggreep genomen en/of -gedurende lange(re) tijd - (met kracht) in een wurggreep gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (in vereniging) van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;


feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 30 augustus 1997 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Bergen (NH) en/of Schoorl en/of Zijpe en/of Schagen, althans in Nederland, in elk geval in het arrondissement Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader opzettelijk als volgt gehandeld; Verdachte en/of verdachtes mededader heeft/hebben, terwijl verdachtes mededader of verdachte een auto gedurende lange(re) tijd bestuurde, die [slachtoffer] (die op de passagierstoel voorin in een auto zat) ruggelings achterover getrokken en/of (met kracht) in een wurggreep genomen en/of - gedurende lange(re) tijd - (met kracht) in een wurggreep gehouden, tengevolge van welk een en/of ander voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 1 uiterst subsidiair:
hij op of omstreeks 30 augustus 1997 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Bergen (NH) en/of Schoorl en/of Zijpe en/of Schagen, althans in Nederland, in elk geval in het arrondissement Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen fl 1800,00, in elk geval een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een of meer) van zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [slachtoffer] (die op de passagiersstoel voorin in een door verdachte of zijn mededader bestuurde auto zat) om zijn nek is gegrepen en/of (ruggelings) tussen de voorstoelen van die auto door op de achterbank van die auto is getrokken en/of -gedurende lange(re) tijd- in een wurggreep is gehouden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

feit 2:
hij op of omstreeks 30 augustus 1997 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Bergen (NH) en/of Schoorl en/of Zijpe en/of Schagen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer] -gedurende lange(re) tijd- in een auto rondgereden en/of tijdens die rit die [slachtoffer] om zijn nek gegrepen en/of (van de rechtervoorstoel) (ruggelings) tussen de voorstoelen van die auto door op de achterbank van die getrokken en/of in een wurggreep genomen en/of gehouden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd omdat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg ontbreekt. Gelet hierop is het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat door het openbaar ministerie is gehandeld in strijd met beginselen van een goede procesorde, in het bijzonder de “equality of arms” en het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat belastend bewijsmateriaal niet of nauwelijks kan worden getoetst, onder meer omdat tapgesprekken niet zijn bewaard, getuigen ondanks daartoe strekkende verzoeken niet in bijzijn van de verdediging zijn gehoord, de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en (andere) getuigen niet is onderzocht, en geen nadere vragen aan de pathologen konden worden gesteld. Bovendien heeft geen nader DNA-onderzoek plaatsgevonden, ontbreken pagina’s uit het oorspronkelijke dossier, is geen proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg opgemaakt, bestaan er aanwijzingen dat opsporingsambtenaren buiten hun bevoegdheden zijn getreden en is ten onrechte door de rechter-commissaris toestemming verleend om post van de verdachte aan zijn moeder te onderscheppen.

Beoordeling door het hof

In de onderhavige strafzaak heeft het politieonderzoek ruim twintig jaren geleden plaatsgevonden. Dit brengt met zich dat sommige bewijsmiddelen niet ten volle kunnen worden getoetst door het hof. Het hof zal daarom behoedzaam met het strafdossier omgaan. Het hof ziet evenwel in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen grond het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. Niet is gebleken of is aannemelijk geworden dat de verdachte in onvoldoende mate het belastende bewijs heeft kunnen betwisten en/of ontlastend materiaal naar voren heeft kunnen brengen. Dit geldt temeer nu op verzoek van de verdediging door patholoog [deskundige 1] een revisie van het sectierapport van [deskundige 2] is gedaan en de belastende getuige [medeverdachte 1] door de raadsheer-commissaris in het bijzijn van de raadsman is gehoord. Dat deze getuige zich (na ruim twintig jaren) niet alles meer weet te herinneren, maakt niet dat de verdediging geen effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft gehad. In zoverre is niet tekort gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De constatering dat (twee) pagina’s uit het oorspronkelijke – meer dan 600 pagina’s tellende – dossier ontbreken, maakt voornoemd oordeel niet anders, temeer daar niet aannemelijk is geworden dat deze pagina’s essentiële informatie bevatten. Het ontbreken van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg kan evenmin leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Hetzelfde geldt ten aanzien van de door de raadsman geopperde “aanwijzingen dat opsporingsambtenaren buiten bevoegdheden zijn getreden door het inschakelen van een burger bij de opsporing”. Voor zover hier al sprake is geweest van een vormverzuim, tast dit handelen niet de eerlijkheid van het proces ‘as a whole’ aan. Ook overigens is onvoldoende onderbouwd welk (ander) nadeel dit eventuele vormverzuim de verdachte zou hebben berokkend, zodat hieraan geen consequenties kunnen worden verbonden. Met betrekking tot het verweer dat ten onrechte door de rechter-commissaris toestemming is verleend om de post van de verdachte aan zijn moeder te onderscheppen, merkt het hof op dat de rechter-commissaris blijkens de machtigingen in zijn overweging heeft betrokken dat de geadresseerde de moeder van de verdachte is. De rechter-commissaris heeft op 25 september 1997 en 15 december 1997 niet-onbegrijpelijk geoordeeld dat er termen aanwezig waren om toestemming te verlenen kennis te nemen van poststukken van de verdachte aan zijn moeder. Dat een andere rechter-commissaris op 14 januari 1998 een andere afweging heeft gemaakt, doet aan de eerdere beslissing niet af. De stelling van de raadsman dat (zelfs) sprake is van een grove, al dan niet doelbewuste veronachtzaming van de belangen van de verdachte op diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak vanwege het verzuim van vormen in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering acht het hof onvoldoende onderbouwd. Uit het voorgaande volgt tevens dat zich een dergelijke situatie naar het oordeel van het hof niet voordoet.

Concluderend worden de verweren, ook in samenhang beschouwd, verworpen. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Vrijspraak van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair (kortgezegd het medeplegen van moord op [slachtoffer] ) is ten laste gelegd, nu niet vastgesteld kan worden dat met voorbedachte raad is gehandeld. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Het hof acht anders dan de advocaat-generaal ook niet bewezen hetgeen de verdachte – na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep – onder 1 subsidiair (kortgezegd het medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer] ) is ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep, op een nadere vraag van het hof, geëxpliciteerd dat de ten laste gelegde diefstal ziet op het wegnemen van een hoeveelheid geld. Het hof verstaat de tenlastelegging gelet op deze uitleg aldus dat deze niet ziet op diefstal van een auto. Nu uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte een ander doel voor ogen stond dan het wegnemen van een auto, acht het hof niet bewezen dat de doodslag is gepleegd met het oogmerk om de diefstal van een hoeveelheid geld of enig goed voor te bereiden, gemakkelijk te maken of het bezit ervan te verzekeren. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Hij heeft betoogd dat voor zover zijn hiervoor genoemde verweren ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie worden verworpen, die verweren dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs dat voortvloeit uit de tapgesprekken, de door de pathologen opgestelde rapporten, de onderschepte poststukken en de verklaringen van de moeder van de verdachte en van [medeverdachte 1] . De verdediging heeft niet of op beperkte wijze het ondervragingsrecht van getuigen kunnen uitoefenen en evenmin is sprake van compensatie van die beperking. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] inconsistent, deels evident onwaar en derhalve onbetrouwbaar zijn. Daarnaast is het opzet op de dood van [slachtoffer] niet te bewijzen nu bij hem kennelijk een nekklem was aangelegd met de bedoeling hem onder controle te houden. Bij een dergelijke nekklem is geen sprake van een aanmerkelijke kans op overlijden, laat staan van het bewust aanvaarden van die kans. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij niets met de ten laste gelegde feiten te maken heeft. Hij stelt dat mogelijk sprake is van een vergissing en dat niet de verdachte maar diens halfbroer [naam 1] – die volgens de verdachte qua uiterlijk op hem lijkt – betrokken zou zijn geweest bij de dood van [slachtoffer] , of dat medeverdachte [medeverdachte 1] en de moeder van de verdachte hem doelbewust als dader aanwijzen, om [naam 1] te beschermen.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

Zoals hiervoor ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is overwogen, zal het hof behoedzaam met het strafdossier omgaan, hetgeen ertoe leidt dat het hof zal voorbijgaan aan belastend bewijsmateriaal dat niet voldoende is verankerd in ander bewijsmateriaal. Het hof zal daarom onder meer de tapgesprekken niet voor het bewijs bezigen. Het hof acht geen termen aanwezig om de briefwisseling van de verdachte en zijn moeder, voor zover een machtiging van de rechter-commissaris ten grondslag lag aan de kennisname daarvan van het bewijs uit te sluiten, waarbij het hof verwijst naar hetgeen het hieromtrent eerder heeft overwogen.

Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen reden de bevindingen en conclusies van patholoog [deskundige 2] van het bewijs uit te sluiten. In 2017 heeft patholoog [deskundige 1] een revisie van het sectierapport gedaan. Uit de revisie zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen die doen twijfelen aan de inhoud van het rapport van [deskundige 2] . Het hof heeft evenmin aanleiding de verklaringen van [medeverdachte 1] in twijfel te trekken. Vanaf zijn eerste verhoor op 12 september 1997 heeft [medeverdachte 1] tegenover de politie zonder terughoudendheid verklaard over hetgeen zich volgens hem op 30 augustus 1997 heeft afgespeeld. Het hof merkt in dat kader op dat [medeverdachte 1] belastend over zichzelf heeft verklaard. De verklaring die [medeverdachte 1] op 3 augustus 2018 ten overstaan van de raadsheer-commissaris in bijzijn van de raadsman heeft afgelegd, komt overeen met zijn eerder afgelegde verklaringen tegenover de politie, in het bijzonder op cruciale onderdelen. [medeverdachte 1] is met andere woorden consistent in de door hem gepresenteerde lezing. De verklaringen van [medeverdachte 1] , die zeer gedetailleerd zijn, vinden bovendien op verschillende onderdelen steun in overige, objectieve bewijsmiddelen. Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte 1] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, waarbij het hof herhaalt dat de omstandigheid dat [medeverdachte 1] zich (na ruim twintig jaren) niet alles meer weet te herinneren, niet maakt dat de verdediging geen effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft gehad.

Het hof zal ook de verklaringen die de moeder van de verdachte bij de politie heeft afgelegd voor het bewijs gebruiken. Weliswaar is de moeder van de verdachte, vanwege haar overlijden, niet in bijzijn van de verdediging gehoord, maar het hof neemt in aanmerking dat haar verklaring niet in beslissende mate het bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde vormt. Haar verklaring vindt in belangrijke mate steun in ander bewijsmateriaal, met name in de verklaringen van [medeverdachte 1] , en het hof ziet ook overigens geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid ervan.

Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

Op 31 augustus 1997 is rond 11.04 uur bij de politie een melding binnengekomen over het aantreffen van een vermoedelijk overleden man in een personenauto die stond geparkeerd bij een appartementen-complex in Schagen. Ter plaatse troffen de verbalisanten in de personenauto, een zwarte Hyundai Sonata, kenteken [kenteken] , het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aan. De dag daarvoor was [slachtoffer] , garagehouder van autobedrijf ‘ [bedrijf] ’ in Alkmaar, als vermist opgegeven. Hij was op 30 augustus 1997 ‘s middags vertrokken voor een proefrit die hij zou maken met twee potentiële klanten in voornoemde personenauto en niet teruggekeerd bij het autobedrijf. Uit het sectierapport van patholoog [deskundige 2] blijkt dat er aanwijzingen zijn verkregen voor geweldsinwerking aan de hals en dat in de tong zekere tekenen van geweldsinwerking waren vastgesteld. Op basis van deze geweldsinwerking kunnen volgens de patholoog circulatie- en ademhalingsbelemmering zijn opgetreden, op basis waarvan verstikking kan zijn opgetreden en het overlijden van [slachtoffer] kan worden verklaard. Uit de revisie van patholoog [deskundige 1] blijkt dat de bevindingen van de lijkschouwing wijzen op samendrukkend geweld op de hals alsmede verwikkelingen daarvan als oorzaak van het intreden van de dood. Bij de revisie zijn geen aanwijzingen voor een andere doodsoorzaak gevonden.

Na politieonderzoek is op 12 september 1997 medeverdachte [medeverdachte 1] aangehouden. Hij heeft van begin af aan verklaard dat hij betrokken was bij het dodelijke incident en consequent zijn vriend “ [naam 2] ” aangewezen als degene die “het heeft gedaan”. [medeverdachte 1] heeft de verdachte op een foto herkend als deze “ [naam 2] ”. [medeverdachte 1] had met de verdachte een plan bedacht om snel op criminele wijze geld te verdienen: zij wilden een auto regelen onder het mom van het maken van een proefrit en er vervolgens met die auto vandoor gaan. De verdachte en [medeverdachte 1] gingen om die reden naar het autobedrijf van [slachtoffer] . Daar zagen ze een Hyundai Sonata staan waarmee ze ‘een proefrit’ wilden maken.

Toen de auto niet wilde starten, spraken zij met [slachtoffer] af dat zij later telefonisch contact zouden hebben, waarna de verdachte en [medeverdachte 1] zijn opgehaald door een taxi en zijn afgezet in het centrum in Alkmaar, waar zij een café bezochten. [slachtoffer] haalde hen later bij dat café met de Hyundai Sonata op. [slachtoffer] nam in de auto plaats op de bestuurdersstoel, [medeverdachte 1] ging aanvankelijk op de passagiersstoel zitten en de verdachte achterin. Even later zijn [medeverdachte 1] en [slachtoffer] van plaats gewisseld. Op een gegeven moment pakte de verdachte [slachtoffer] van achteren bij zijn hoofd en zei dat hij moest uitstappen en dat er dan niets zou gebeuren. [slachtoffer] wilde weten waarom hij dat moest doen en rukte zich los. Daarop greep de verdachte [slachtoffer] met twee armen om zijn nek en trok hem tussen de twee voorstoelen door op de achterbank. Totdat de auto uiteindelijk in Schagen werd geparkeerd, heeft de verdachte [slachtoffer] daar om zijn nek/hals vastgehad. Onderweg keek [medeverdachte 1] steeds achterom. Op een gegeven moment zag hij dat het gezicht van [slachtoffer] rood was aangelopen en hoorde hij hem steeds meer snurken. Nadat [medeverdachte 1] de auto in Schagen had geparkeerd, hoorde hij de verdachte zeggen: “Hij is dood”. [medeverdachte 1] schudde [slachtoffer] aan zijn benen maar deze gaf geen kik. De verdachte duwde [slachtoffer] tussen de voorstoel en de achterbank, scheurde een stuk van het shirt van [slachtoffer] af en gebruikte dat om vingerdrukken in de auto weg te vegen. Ook heeft de verdachte de portemonnee van [slachtoffer] uit diens broek gehaald, door met zijn zakmes de broek kapot te snijden. De verdachte pakte er geld uit; later bleek het om fl. 1.800,00 te gaan. Vervolgens hebben [medeverdachte 1] en de verdachte de auto met het levenloze lichaam van [slachtoffer] erin laten staan en zijn ze met de trein weggegaan.

De route die de verdachte met [medeverdachte 1] en [slachtoffer] heeft afgelegd, is door politieambtenaren nagereden. In samenhang met de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt daaruit dat de verdachte gedurende ongeveer 41 minuten geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend.

De verdachte is op 5 september 1997 via Frankfurt naar de Filipijnen gegaan.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leiden tot de slotsom dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer in de Hyundai Sonata ruggelings achterover heeft getrokken en in een wurggreep heeft genomen en gehouden, welke gedragingen tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid.

Dat van de verdachte geen DNA-sporen in de auto zijn aangetroffen acht het hof onvoldoende redengevend om tot een andersluidend oordeel te komen. Evenmin acht het hof de verschillen tussen het door sommige getuigen gegeven signalement van de verdachte en zijn daadwerkelijke lichaamslengte van doorslaggevend belang.

De door de verdachte geschetste alternatieve scenario’s

De alternatieve scenario’s die door de verdachte zijn aangevoerd, zijn op geen enkele wijze aannemelijk geworden. [medeverdachte 1] heeft de verdachte herkend op een foto. Tevens heeft de verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] zowel de verdachte als zijn halfbroer [naam 1] kende. Het hof sluit daarom een persoonsverwisseling door [medeverdachte 1] uit. Ook bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat door medeverdachte [medeverdachte 1] en de moeder van de verdachte in strijd met de waarheid is verklaard om [naam 1] uit de wind te houden. Daarvoor bestaat in het dossier geen enkel solide aanknopingspunt. In dat verband wijst het hof er op dat [medeverdachte 1] ten tijde van het verhoor bij de raadsheer-commissaris onherroepelijk was veroordeeld en [naam 1] en de moeder van de verdachte inmiddels waren overleden. In zoverre ziet het hof geen reden voor [medeverdachte 1] om – in de visie van de verdachte – te volharden in een leugen. Het hof volgt de lezing van de verdachte dan ook niet.

Opzet op de dood van [slachtoffer]

Het hof ziet zich voor de vraag geplaatst of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het intreden van de dood van [slachtoffer] . Voor de beantwoording van die vraag dient het hof te beoordelen of de verdachte door zijn handelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood als gevolg zou intreden.

Vast is komen te staan dat de verdachte gedurende ongeveer 41 minuten de nek van [slachtoffer] heeft omklemd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het dermate langdurig omklemmen van de nek van een persoon levensbedreigende gevolgen kan hebben. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] in de auto in zijn gezicht rood aanliep en steeds meer snurkende geluiden maakte. Dit leidt het hof tot de conclusie dat de omklemming stevig moet zijn geweest en dat de verdachte zich hiervan bewust was, althans bewust had moeten zijn. Desalniettemin is de verdachte de nek van [slachtoffer] blijven omklemmen, met het fatale gevolg van dien. Door aldus te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat [slachtoffer] zou komen te overlijden en heeft hij deze aanmerkelijke kans ook welbewust aanvaard. Contra-indicaties daarvoor heeft het hof niet in het dossier aangetroffen. Aldus acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 meer subsidiair:
hij op 30 augustus 1997 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk als volgt gehandeld: verdachte heeft, terwijl de mededader een auto gedurende langere tijd bestuurde, [slachtoffer] , die op de passagiersstoel voorin in die auto zat, ruggelings achterover getrokken en in een wurggreep genomen en gedurende langere tijd in een wurggreep gehouden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden;

feit 2:
hij op 30 augustus 1997 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet [slachtoffer] gedurende langere tijd in een auto rondgereden en tijdens die rit [slachtoffer] in een wurggreep genomen en gehouden.

Hetgeen onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

medeplegen van doodslag

en

de voortgezette handeling van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair (het medeplegen van gekwalificeerde doodslag) en onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsman heeft verzocht geen langere gevangenisstraf op te leggen dan in eerste aanleg is opgelegd, nu het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld en het niet zo moet zijn dat de verdachte, omdat hij zijn aanwezigheidsrecht wenst uit te oefenen, zwaarder wordt bestraft. Bovendien is hij niet eerder met justitie in aanraking geweest en bevindt hij zich thans in een geheel andere levensfase, waarbij de penibele situatie waarin zijn dochter zich op de Filipijnen bevindt hem zeer zwaar valt. Voorts acht de raadsman matiging van de straf op zijn plaats wegens de detentie van de verdachte op de Filipijnen in afwachting van zijn uitzetting naar Nederland en vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat de verdachte zich met een ander heeft schuldig gemaakt aan een van de zwaarste delicten die het Nederlandse strafrecht kent, namelijk het medeplegen van doodslag. De verdachte heeft teneinde zonder betaling een auto te bemachtigen de verkoper van die auto tijdens een proefrit in een wurggreep genomen en hem gedurende ongeveer 41 minuten in die zeer benarde positie gehouden. Het slachtoffer, dat al die tijd in doodsangst moet hebben verkeerd, is als gevolg van die wurggreep op gruwelijke wijze overleden. Dit handelen van de verdachte heeft groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de familie en andere naasten van het slachtoffer. Ook nu, ruim éénentwintig jaren na de bewezenverklaarde feiten, ondervinden de nabestaanden daarvan de gevolgen. Dit blijkt uit de ter terechtzitting in hoger beroep namens hen voorgelezen slachtofferverklaringen. De nabestaanden vonden het te confronterend om zelf ter terechtzitting aanwezig te zijn. Zij denken nog vaak aan de verschrikkelijke momenten die het slachtoffer moet hebben beleefd voordat hij is overleden. Het verwerken van het verlies duurt bovendien veel langer, omdat de verdachte enkele dagen na het overlijden van het slachtoffer is vertrokken naar de Filipijnen en het met name daardoor ruim twintig jaren heeft geduurd voordat de strafzaak in hoger beroep is behandeld. Door zijn ontkenning heeft de verdachte bovendien geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn verwerpelijke daden. Dit soort feiten heeft ook voor anderen, waaronder degene die het overleden slachtoffer in de auto aantrof, maar ook voor de rechtsorde in zijn algemeenheid, een zeer schokkend karakter.

Op dergelijke ernstige feiten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 9 jaren onvoldoende recht doet aan de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde, het leed dat dit voor de nabestaanden heeft veroorzaakt en de gevoelens van onrust die het bewezenverklaarde in de samenleving heeft teweeggebracht. Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend voor deze strafbare feiten. Dat uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 september 2018 blijkt dat hij niet eerder in Nederland voor enig strafbaar feit strafrechtelijk is veroordeeld, leidt niet tot een andere strafmaat, evenmin als de door de verdachte doorgebrachte detentie op de Filipijnen, nu dat geen strafrechtelijke detentie betrof. Ook de overige omstandigheden die de raadsman heeft aangevoerd acht het hof niet van dien aard dat die tot een lagere strafoplegging dienen te leiden.

Het hof houdt echter wel rekening met het volgende. Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in hoger beroep is overschreden. Voor de berechting van een strafzaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen zestien maanden nadat het rechtsmiddel is ingesteld indien de verdachte in verband met de strafzaak in voorlopige hechtenis verkeert. Door verschillende omstandigheden, waaronder de drie regiezittingen waarop de verdediging onderzoekwensen kenbaar heeft gemaakt, de tijd die met de uitvoering van een deel van deze onderzoekwensen was gemoeid en het feit dat de verdachte pas in een laat stadium door de politie is verhoord, wijst het hof pas tweeëndertig maanden na het instellen van hoger beroep arrest. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat deze lange duur van de hoger beroep fase niet volledig aan de verdachte is te wijten. Het hof acht – alle omstandigheden in aanmerking genomen – de redelijke termijn met negen maanden overschreden. Het hof houdt met deze overschrijding van de redelijke termijn bij de bepaling van de aan de verdachte op te leggen straf in die zin rekening, dat het hof in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 9 maanden zal opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De broer van het slachtoffer, [benadeelde] , heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd als benadeelde partij met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt fl. 8.660,42 (omgerekend

€ 3.929,93) aan materiële schade. Dit bedrag bestaat uit kosten die zijn gemaakt voor de crematie van het slachtoffer. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen, waarbij de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van fl. 4.330,21 (omgerekend € 1.964,96) is opgelegd.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het verzoek tot vergoeding van de schade geheel wordt toegewezen, dat het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente en dat voor het volledige bedrag de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat voor de toekenning van de wettelijke rente geen ruimte bestaat gezien de omvang van de handhaving van de vordering van de benadeelde partij.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat de verdediging de hoogte van de opgevoerde schade niet heeft betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering volledig hoofdelijk wordt toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op, op de hierna te noemen wijze.

De stukken van het geding houden niet in dat de benadeelde partij de vergoeding van de wettelijke rente in eerste aanleg heeft gevorderd, waardoor die rente niet vergoed kan worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 56, 282 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren en 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.929,93 (drieduizend negenhonderdnegenentwintig euro en drieënnegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.929,93 (drieduizend negenhonderdnegenentwintig euro en drieënnegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 (negenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen ten aanzien van de materiële schade hebben voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 oktober 2018.

[...]