Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3783

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
200.216.893/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen zijn betrokken bij de overname van een hotel. Transactie gaat uiteindelijk niet door. Appellant vordert terugbetaling van door hem betaalde “waarborgsom”. Actie uit onverschuldigde betaling slaagt tegen één van de partijen, maar vordering is niet toewijsbaar (noch op grond van ongerechtvaardigde verrijking noch op grond van onrechtmatige daad) jegens andere betrokkenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.216.893/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/235740 / HA ZA 15-797

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 oktober 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

2. REKREA SPORT B.V.,

gevestigd te Haarlem,

3. [X] PROJECTONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden in principaal appel,

van wie Rekreatie Sport B.V. tevens appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. R. Beele te Amstelveen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [appellant] en [geïntimeerden] waarbij de laatsten afzonderlijk ook worden genoemd [geïntimeerde sub 1] , Rekrea en [X] .

[appellant] is bij dagvaarding van 29 april 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 februari 2017, onder bovenvermeld zaak-/ rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie.

Partijen hebben hierna de volgende stukken gewisseld:

- memorie van grieven tevens houdende aanvulling c.q. wijziging van eis;

- memorie van antwoord in principaal appel, teven houdende memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met productie.

[appellant] heeft geconcludeerd, naar het hof begrijpt, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog zal toewijzen: 1) de vordering jegens [geïntimeerde sub 1] en [X] om € 49.087,50 aan hem te voldoen, 2) de vordering, mede jegens Rekrea, tot betaling van de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 29 maart 2011, 3) de vordering jegens [geïntimeerden] tot betaling van vergoeding voor de door hem verrichte werkzaamheden in en ten behoeve van het hotel “ [naam hotel] ” in de periode van 15 april 2011 tot 1 augustus 2011 en 4) de vordering jegens [geïntimeerden] tot vergoeding van de door hem geleden schade, nader op te maken bij staat, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van deze procedure.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd, zakelijk samengevat, in principaal appel tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] en in incidenteel appel tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover Rekrea is veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 49.087,50 met de wettelijke rente met ingang van de dag van de inleidende dagvaarding, tot afwijzing alsnog van die vordering en tot toewijzing van de vordering tot betaling van € 5.284,= aan Rekrea, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der inleidende dagvaarding, met veroordeling van [appellant] in de kosten van, naar het hof begrijpt, zowel het principale als het incidentele appel.

[appellant] heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot verwerping van de daarin door Rekrea opgeworpen grief.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.2 tot en met 2.11 een aantal feiten vastgesteld. Partijen hebben tegen deze feitenvaststelling geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Die feiten luiden als volgt.

2.2.

[appellant] , van beroep hotelier, is in contact getreden met [geïntimeerde sub 1] in verband met het overnemen van een hotel, geheten “ [naam hotel] ” (hierna: het hotel). Het hotel was eigendom van [X] en werd verhuurd aan en geëxploiteerd door Rekrea. [geïntimeerde sub 1] bezat de aandelen van zowel [X] als Rekrea.

2.3.

Na onderhandelingen hebben partijen een principe overeenstemming bereikt, volgens welke het pand, inclusief het daarin gelegen hotel, op termijn eigendom zou worden van [appellant] . Daartoe is een aantal overeenkomsten dan wel afspraken gemaakt. Eerst hebben partijen een intentieverklaring getekend van 17 januari 2011, vervolgens een overeenkomst van 29 maart 2011 en tenslotte een huurovereenkomst van 4 april 2011.

2.4.

De intentieverklaring van 17 januari 2011 is gesloten tussen [X] en Rekrea, vertegenwoordigd door [geïntimeerde sub 1] in de hoedanigheid van directeur enerzijds en De Bloomsbury B.V., vertegenwoordigd door [A] en [appellant] , anderzijds. In de intentieverklaring is onder meer opgenomen dat partijen de intentie hebben om een overeenkomst af te sluiten voor het aanhuren en het op termijn kopen van locatie [naam locatie] (waarmee kennelijk bedoeld is: het hotel). Partijen zijn het eens over een huurprijs van € 165.000,= per jaar exclusief btw en servicekosten, en een koopprijs van € 2.200.000,= k.k. exclusief btw. Partijen zijn overeengekomen dat voor het eerste jaar een ‘ingroeihuur' zal gelden. Partijen hebben afgesproken dat een specialist zal onderzoeken of een huurkoopconstructie mogelijk is, waarbij uitgangspunt is dat de constructie gelijkwaardig zal moeten zijn aan de gemaakte afspraken en het geen van de partijen in een nadelige positie zal brengen. Partijen hebben de afspraak gemaakt vanaf ondertekening van de intentieverklaring de samenwerking te laten starten. [appellant] zal worden ingewerkt door [geïntimeerde sub 1] en participeren in het management van het hotel tot de datum van aanvang van de huurovereenkomst en [geïntimeerde sub 1] zal tot 31 december 2012 beschikbaar zijn voor managementondersteuning voor ongeveer tien uur per week. Partijen zijn overeengekomen dat er over en weer geen vergoeding betaald zal worden voor deze ondersteuning.

2.5.

De overeenkomst van 29 maart 2011 is gesloten tussen [X] en Rekrea, vertegenwoordigd door [geïntimeerde sub 1] in de hoedanigheid van directeur enerzijds en (eveneens) Rekrea, vertegenwoordigd door [appellant] , anderzijds. In de overeenkomst is onder meer opgenomen dat partijen een huurovereenkomst hebben afgesloten voor het aanhuren en het op termijn kopen van de locatie [naam locatie] . Partijen hebben hierin de afspraken willen vastleggen die horen bij de huurovereenkomst en het kopen van het pand. Partijen hebben daarnaast de hoofdpunten van de wijze van samenwerken bij het verder ontwikkelen van het complex willen vastleggen. [geïntimeerde sub 1] zal als onderdeel van deze overeenkomst beschikbaar zijn voor managementondersteuning tot 31 december 2012. De ondersteuning zal ongeveer tien uur per week bedragen. [geïntimeerde sub 1] geeft [appellant] het recht om Rekrea te verkrijgen, de verkoopprijs zal worden vastgesteld op € 1,= en de verkoop zal plaatsvinden per 15 april 2011. [geïntimeerde sub 1] zal houder blijven van tien preferente aandelen zonder zeggenschap. De aandelenoverdracht zal notarieel plaatsvinden Daarnaast heeft partij B het recht om de gehele omschreven onroerende zaak te kopen voor de vaste prijs van € 2.200.000,= exclusief btw en k.k. inclusief inventaris en goodwill.

2.6.

De huurovereenkomst van 4 april 2011 is gesloten tussen verhuurder [X] , vertegenwoordigd door [geïntimeerde sub 1] in de hoedanigheid van directeur, enerzijds en Rekrea, vertegenwoordigd door [appellant] , als huurder anderzijds. In de huurovereenkomst is onder meer opgenomen dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar ingaande per 15 april 2011. In artikel 5, getiteld ‘bankgarantie’, is bepaald dat de in artikel 27.1 van de algemene bepalingen bedoelde borg tussen partijen wordt vastgesteld op € 49.087,50,= inclusief btw. In artikel 27.1 van de algemene bepalingen, eveneens getiteld ‘bankgarantie’, is opgenomen dat als waarborg voor de juiste nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst de huurder bij ondertekening van de huurovereenkomst aan verhuurder een bankgarantie zal afgeven overeenkomstig een door verhuurder aangegeven model ter grootte van een in de huurovereenkomst weergegeven bedrag gerelateerd aan de betalingsverplichtingen van huurder aan verhuurder. Deze bankgarantie dient mede te gelden voor de verlengingen van de huurovereenkomst, inclusief wijzigingen daarvan, en dient geldig te blijven tot tenminste zes maanden na de datum waarop het gehuurde feitelijk is ontruimd en tevens de huurovereenkomst is beëindigd. Bovendien dient deze bankgarantie te gelden voor de rechtsopvolger(s) van verhuurder.

2.7.

Op 30 maart 2011 heeft [appellant] een bedrag van € 49.087,50 inclusief btw aan Rekrea overgeboekt ter voldoening van artikel 5 van de huurovereenkomst. Als omschrijving bij deze overboeking is opgenomen: “lening per 15/4/11, borgbetaling [X] , projectontwikkeling b.v. inc.BTW. Gaarne factuur zenden inc.BTW”.

2.8.

[geïntimeerde sub 1] heeft het onder 2.7 genoemde bedrag op enig moment naar een rekening van [X] overgeboekt.

2.9.

Bij e-mail van 28 juni 2011 heeft [geïntimeerde sub 1] het concept van de notariële akte tot overdracht van de aandelen in Rekrea aan [appellant] doorgezonden. Daarin was onder meer opgenomen dat de aandelen in Rekrea vanaf 15 april 2011 voor rekening en risico van de koper [appellant] zijn, zodat hij gerechtigd is tot alle uitkeringen die de vennootschap vanaf die datum op de aandelen zal doen. De aandelen zouden worden overgedragen voor € 1,=.

2.10.

Een inhoudelijke reactie van [appellant] op de e-mail van [geïntimeerde sub 1] , zoals genoemd onder 2.9, is uitgebleven. Tot een daadwerkelijke aandelenoverdracht van Rekrea door [geïntimeerde sub 1] aan [appellant] is het dan ook niet gekomen.

2.11.

[appellant] is desondanks vanaf 15 april 2011 in het hotel met de exploitatie begonnen. Hij heeft deze voortgezet tot 1 augustus 2011 waarna partijen uit elkaar zijn gegaan.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] heeft in de eerste plaats gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen tot (terug)betaling aan hem van € 49.087,50. De rechtbank heeft die vordering afgewezen voor zover deze was gericht tegen [geïntimeerde sub 1] en [X] , maar toegewezen voor zover gericht tegen Rekrea. In incidenteel appel is Rekrea tegen die toewijzing opgekomen. Het hof zal eerst hierop ingaan.

3.2.

Rekrea heeft aangevoerd dat de rechtbank [appellant] ten onrechte heeft gevolgd in zijn stelling dat de overboeking door hem aan Rekrea (als vermeld onder de feiten onder 2.7) onverschuldigd is gedaan, namelijk zonder een daartoe strekkende rechtsgrond, aangezien gesteld noch gebleken is dat [appellant] een verplichting had om die overboeking aan Rekrea te doen. Deze klacht van Rekrea faalt, aangezien zij ook in hoger beroep niet duidelijk heeft weten te maken wat de rechtsgrond was van [appellant] om het bedrag van € 49.087,50 aan Rekrea te betalen. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat ook als ervan wordt uitgegaan dat de overboeking door [appellant] als een lening moet worden beschouwd, [appellant] terugbetaling door Rekrea van het uitgeleende bedrag mag verlangen. De vordering kon ook op die grond worden toegewezen.

3.3.

[appellant] komt met grief I in principaal appel op tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering tot betaling van € 49.087,50 voor zover gericht tegen [X] en [geïntimeerde sub 1] .

3.4.

Het hof zal eerst ingaan op de stellingen van [appellant] die betrekking hebben op [X] .

3.5.

[appellant] voert ten eerste aan dat [X] gehouden is tot betaling van dit bedrag aan hem op grond van toerekenbaar tekortschieten door [X] . Volgens [appellant] hield [X] dit bedrag als verhuurder onder zich en diende zij dat te houden en was zij, gelijk elke andere verhuurder bij beëindiging dan wel niet tot stand komen van een huurovereenkomst, hetgeen volgens [appellant] het geval was, gehouden dat bedrag terug te betalen. Deze door [appellant] aangevoerde grond is ontoereikend, omdat [X] de waarborgsom niet van [appellant] heeft ontvangen, maar dit bedrag betaald heeft gekregen van Rekrea, die ook huurster was dan wel zou worden. Het door [appellant] aangevoerde rechtvaardigt mogelijk een terugbetalingsverplichting van [X] jegens Rekrea, maar niet jegens hem.

3.6.

[appellant] voert verder aan dat [X] onrechtmatig handelt door het bedrag niet aan hem terug te storten, omdat zij weet dat de reden voor het verkrijgen van het bedrag geen ander is dan het voldoen aan een verplichting uit hoofde van een huurovereenkomst, die evenwel niet tot stand is gekomen. Ook met dit betoog heeft [appellant] geen succes. [X] is mogelijk gehouden de waarborgsom aan Rekrea terug te betalen indien zij als verhuurder geen grond zou hebben zich te verhalen op de waarborgsom. Zonder bijkomende omstandigheden, die [appellant] niet heeft gesteld, is [X] niet aansprakelijk voor het niet terugbetalen door Rekrea van het bedrag aan Fijnhout, hoewel zij daartoe verplicht is.

3.7.

Ten derde stelt [appellant] dat hij zich jegens [X] voor wat betreft de terugbetaling van het bedrag van € 49.087,50, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel op onverschuldigde betaling kan baseren. Het hof volgt hem daarin niet en deelt het oordeel van de rechtbank, omdat Rekrea de ontvanger is van het bedrag en de stellingen die [appellant] daarover bij grieven inneemt, niet de conclusie kunnen dragen dat Rekrea bij het in ontvangst nemen van het bedrag als vertegenwoordiger van verhuurder [X] is opgetreden.

3.8.

Ten slotte beroept [appellant] zich voor zijn vordering op [X] op ongerechtvaardigde verrijking. Ook dat beroep slaagt niet, omdat [appellant] niet stelt en uit zijn stellingen niet valt af te leiden dat tussen de door hem gestelde verrijking van [X] en zijn verarming een (voldoende) verband bestaat. Als al sprake is van verrijking van [X] is deze immers ingetreden door een tussenkomende betalingshandeling van Rekrea in het kader van de tussen Rekrea en [X] bestaande contractuele verhouding van huurder en verhuurder, terwijl de verarming van [appellant] is ontstaan doordat hij zijn vordering op Rekrea niet kan verhalen. Voorts geldt dat de vraag of [X] is verrijkt slechts is te beoordelen in het kader van de tussen [X] en Rekrea bestaande rechtsverhouding (die immers kan meebrengen dat [X] zich op de waarborgsom moet kunnen verhalen).

3.9.

Ter onderbouwing van zijn vordering tot betaling van het bedrag van € 49.087,50 door [geïntimeerde sub 1] , voert [appellant] aan dat deze als directeur en enig aandeelhouder van zowel Rekrea als [X] de afspraak met hem heeft gemaakt dat hij het bedrag zou overmaken op de rekening van Rekrea, bedoeld als borg ten voordele van [X] . [geïntimeerde sub 1] had volgens [appellant] het bedrag vervolgens niet mogen overboeken van de rekening van Rekrea naar de rekening van [X] , aangezien de huurovereenkomst nog geen feit was en [geïntimeerde sub 1] daardoor heeft bereikt dat Rekrea niet meer beschikt over dit bedrag. Daargelaten dat het hof [appellant] niet kan volgen waar hij stelt dat de huurovereenkomst nog niet was gesloten (tussen [X] en Rekrea is immers op 4 april 2011 een huurovereenkomst tot stand gekomen, die door [appellant] namens Rekrea is ondertekend), acht het hof een en ander onvoldoende voor het oordeel dat [geïntimeerde sub 1] jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld. Voorts geldt dat het enkele feit dat [geïntimeerde sub 1] enig aandeelhouder is van [X] en een verrijking van [X] een toename van het vermogen van [geïntimeerde sub 1] inhoudt, nog niet tot de conclusie leidt dat [geïntimeerde sub 1] door de verarming van [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt. [appellant] heeft voor het kunnen slagen van een verrijkingsactie jegens [geïntimeerde sub 1] eveneens te weinig gesteld.

3.10

Uit het voorgaande vloeit voort dat grief I in principaal appel faalt.

3.11.

Met grief II in principaal appel komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen aanknopingspunt bestaat de vordering tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 49.087,50 eerder te laten ingaan dan de dag van de inleidende dagvaarding (24 november 2015). [appellant] heeft in hoger beroep niet geconcretiseerd wanneer hij Rekrea heeft aangeschreven tot terugbetaling van het bedrag noch heeft hij duidelijk gemaakt waarom de wettelijke rente al op 29 maart 2011 is ingegaan. De enkele verwijzing in de memorie van grieven door [appellant] naar in eerste aanleg overgelegde sommatiebrieven zonder de vindplaats en de relevantie daarvan te vermelden, is in dit verband onvoldoende. De grief is tevergeefs voorgesteld.

3.12.

Grief III in principaal appel betreft de vordering van [appellant] tot vergoeding van de werkzaamheden die hij van 15 april 2011 tot 1 augustus 2011 ten behoeve van het hotel heeft verricht. [appellant] klaagt over het oordeel van de rechtbank dat die vordering niet toewijsbaar is omdat niet gebleken is dat partijen een vergoeding voor die werkzaamheden zijn overeengekomen. [appellant] erkent dat partijen geen afspraak over een vergoeding hebben gemaakt, maar volgens hem neemt dat niet weg dat hij voor zijn werkzaamheden vergoed moet worden. Bij gebreke van vermelding van enige deugdelijke rechtsgrond hiervoor, is de vordering door de rechtbank terecht niet toewijsbaar geacht. Zonder nadere onderbouwing van die stelling, valt niet in te zien dat het onrechtmatig is dat [geïntimeerden] zich op het standpunt stellen dat de werkzaamheden niet worden vergoed. [appellant] heeft die werkzaamheden klaarblijkelijk uitgevoerd in de verwachting dat hij eigenaar van Rekrea zou worden. Dat die verwachting niet is uitgekomen, brengt niet mee dat een vergoeding voor de desbetreffende werkzaamheden moet worden betaald. Ook deze grief faalt.

3.13.

Met grief IV in principaal appel klaagt [appellant] over de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Onder verwijzing naar al hetgeen in de inleidende dagvaarding is uiteengezet, stelt [appellant] dat de rechtbank de vordering niet als onvoldoende onderbouwd heeft kunnen afwijzen. In hoger beroep heeft [appellant] geen nader licht geworpen op die in eerste aanleg ingenomen stellingen. De grief dient daarom als onvoldoende toegelicht te worden verworpen. Het hof is overigens van oordeel dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat [appellant] voor zijn vordering onvoldoende heeft gesteld. Ook de laatste grief treft geen doel.

3.14.

Rekrea heeft in incidenteel appel gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling aan haar van € 5.284,=. Rekrea stelt dat in eerste aanleg dit bedrag per abuis door [geïntimeerden] is gevorderd in plaats van door haar. Nu Rekrea niet heeft toegelicht waarom dit bedrag aan haar toekomt, dient de vordering te worden afgewezen.

3.15.

De slotsom is dat zowel de grieven in principaal hoger beroep als in incidenteel hoger beroep falen. Het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd. Het door Rekrea in hoger beroep gevorderde zal worden afgewezen. [appellant] dient in de kosten van het principaal appel te worden verwezen en Rekrea zal worden belast met de proceskosten in incidenteel appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 726,= aan verschotten en € 1.959,= voor salaris van de advocaat,

veroordeelt Rekrea in de kosten van de procedure in incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op nihil voor verschotten en € 979,= voor salaris van de advocaat;

wijst af het meer of anders in hoger beroep gevorderde;

verklaart de wederzijdse proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, J.E. Molenaar en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.