Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3726

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
200.242.903/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling niet in strijd met belangen minderjarigen.

Verbetering communicatie tussen ouders.

Traject “Ouderschap Blijft”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Sector civiel, team III familie en Jeugd

zaaknummer : 200.242.903/01 SKG

zaaknummer rechtbank : C/15/273538 / KG ZA 18-324

arrest van de meervoudige familiekamer van 9 oktober 2018

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M. van der Weide te Alkmaar,

tegen:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Schouten te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

De vrouw is bij dagvaarding van 16 juli 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 19 juni 2018, in kort geding gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

De dagvaarding bevat de grieven.

De vrouw heeft gediend van memorie van antwoord.

De vrouw heeft samengevat geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende en uitvoerbaar bij voorraad, de man alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans de door de man gevraagde voorzieningen alsnog zal afwijzen. Subsidiair heeft de vrouw gevorderd dat het hof een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen zal vaststellen uitsluitend onder begeleiding eenmaal per twee weken gedurende twee uren op zaterdag, althans op een dag en voor een tijdsduur die voor de begeleidende instantie is te verwezenlijken, alles kosten rechtens. De vrouw heeft voorts in voorwaardelijk incident, voor het geval het hof het geschil niet als spoedappel zal behandelen, gevorderd de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis voor de duur van de appelprocedure te schorsen.

De man heeft bij memorie van antwoord aangegeven dat de vordering van de vrouw in het voorwaardelijk incident dient te worden afgewezen, en dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 13 september 2018 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Het deel van haar pleitnota dat mr. Van der Weide niet heeft voorgedragen, maakt geen onderdeel uit van het procesdossier. De producties die partijen voorafgaande aan de zitting hebben toegezonden zijn ter zitting aan het procesdossier toegevoegd.

Voorts hebben partijen ter zitting inlichtingen verstrekt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1.

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2 (2.1. tot en met 2.5.) de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. De vrouw richt zich met haar eerste grief tegen de vaststelling van de feiten. Het hof zal in het navolgende de feiten noemen die het in hoger beroep heeft vastgesteld. Daarmee is voldoende tegemoet gekomen aan de eerste grief van de vrouw.

2.2.

Partijen hebben van 2012 tot in ieder geval begin 2017 een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren, [A] [in] 2013 (hierna te noemen: [kind a] ) en [B] [in] 2017 (hierna te noemen [kind b] ).

De man heeft [kind a] erkend; de vrouw heeft eenhoofdig gezag over de kinderen.

De vrouw heeft nog twee kinderen uit twee andere relaties: [X] (geboren [in] 1999) en [Y] (geboren [in] 2006). [X] en [Y] wonen eveneens bij de vrouw, waarbij [X] ook wel bij zijn vader verblijft.

Tijdens de relatie van partijen hadden zij ieder een eigen woning. Daarbij verbleef de man van tijd tot tijd bij de vrouw.

Na het verbreken van de relatie heeft de man de kinderen incidenteel gezien, zowel bij de vrouw als bij de man thuis. Eind maart, begin april 2018 is [kind b] in het ziekenhuis opgenomen; [kind a] heeft toen van vrijdag tot en met zondag bij de man verbleven. Op de opvolgende maandag is de man bij [kind b] in het ziekenhuis geweest.

Op 16 april 2018 heeft de man een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend, strekkende tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de erkenning van [kind b] , tot vaststelling van gezamenlijk gezag over de beide kinderen en tot verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de beide kinderen. Inmiddels heeft de rechtbank in deze procedure een bijzondere curator benoemd in verband met de gevraagde vervangende toestemming tot erkenning van [kind b] door de man. Na het uitbrengen van het advies van de bijzondere curator zal een mondelinge behandeling worden gepland in deze procedure, waarbij de verschillende onderdelen van het verzoek van de man in deze bodemzaak aan de orde zullen komen.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de man gevorderde omgangsregeling dient te worden afgewezen. Indien een regeling wordt vastgesteld, zou dat in ieder geval een begeleide omgangsregeling moeten zijn, aldus de vrouw.

3 Beoordeling

3.1.

De vrouw heeft vijf grieven geformuleerd. De eerste grief is onder de vaststelling van de feiten al voldoende aan de orde geweest. De tweede, derde en vierde grief lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Deze grieven komen er in de kern op neer dat – kort gezegd - het belang van de kinderen zich verzet tegen de vaststelling van een voorlopige omgangsregeling.

3.2.

Het hof overweegt dat ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aan de vrouw is voorgehouden dat uit de stukken naar voren komt dat zij in het verleden met de kinderen bij de man thuis is geweest. Daarop heeft de vrouw aangegeven dat zij de woning van de man kent en dat zij op de hoogte is waar de kinderen met de man verblijven. De vrouw heeft tevens verklaard dat zij geen bezwaren heeft tegen de woonomgeving waar de kinderen bij de man verblijven.

Het hof overweegt voorts dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden, op grond waarvan moet worden aangenomen dat het belang van de kinderen zich verzet tegen de uitvoering van de door de voorzieningenrechter getroffen (voorlopige) regeling. Deze regeling wordt ook thans door partijen uitgevoerd en behoudens onderstaande omstandigheden, is geen sprake van contra-indicaties voor contact tussen de man en de kinderen. Het onderzoek van Veilig Thuis waar de vrouw aan refereert betreft niet de veiligheid van de kinderen bij de man thuis. Het onderzoek lijkt zich veeleer te richten op de gezinssituatie bij de vrouw thuis en mogelijk op de gevolgen van de slechte verstandhouding tussen de man en de vrouw voor de kinderen. Veilig Thuis kan vervolgens een drang- of dwangkader starten, indien noodzakelijk in het belang van de minderjarigen.

Het is in het belang van de ontwikkeling van de minderjarigen dat zij op zo natuurlijke wijze als mogelijk contact hebben met beide ouders. Het is aan de ouders ervoor te zorgen dat dit een onbelast contact is en dat de minderjarigen niet belast worden met hun problemen. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen is daarbij een frequent contact geïndiceerd, dat (vooralsnog) in duur beperkt kan zijn. De opgelegde regeling sluit daarop aan, nu deze regeling leidt tot een tweemaal wekelijks contact met de man voor een betrekkelijk korte duur.

3.3.

De bezwaren die de vrouw naar voren heeft gebracht, vloeien met name voort uit de gebrekkige communicatie tussen partijen. Zo maakt de vrouw gebruik van een formulier en wenst zij dat de man dat formulier invult, en daarmee verslag doet van het verloop van de omgang. De man maakt geen gebruik van dat formulier. Niettemin informeert hij de vrouw, maar hij doet dat via telefoonberichten. De vrouw lijkt de telefooncontacten weer als ongewenst te ervaren. Partijen slagen er vervolgens niet in op eenduidige en voor ieder aanvaardbare wijze tot afspraken te komen over de wijze waarop zij elkaar informeren.

Ook hebben partijen meningsverschillen over andere onderwerpen, zoals de kleding van de kinderen. De man heeft de kinderen bij de vrouw teruggebracht waarbij zij andere kleren aanhadden; de kleren die de vrouw de kinderen had aangetrokken zijn niet of slechts ten dele aan de vrouw geretourneerd.

De man heeft – ook zonder de vrouw daarin te kennen – contact opgenomen met de school van [kind a] . Hoewel de man het recht heeft zich te laten informeren door school over aangelegenheden die de minderjarige aangaan, mag van de man verwacht worden dat hij dit vooraf met de vrouw afstemt.

3.4.

Het hof heeft met de man en de vrouw ter zitting besproken dat het bij deze stand van zaken in de rede ligt gebruik te maken van een informatieschriftje en dat partijen er goed aan doen een traject als “Ouderschap blijft” te doorlopen. Beide partijen hebben na een schorsing van de zitting verklaard bereid te zijn aan een dergelijk traject deel te nemen. Tijdens het traject “Ouderschap blijft” zullen partijen nadere afspraken maken zodat de omgang en de (omgangs-)contacten tussen partijen en de contacten met derden (school) meer volgens een afgesproken structuur verlopen.

Tot die tijd zal de communicatie tussen de man en de vrouw over het verloop van de omgang en over bijzonderheden betreffende de kinderen uitsluitend verlopen via een omgangsschriftje. Partijen zullen niet aan de deur met elkaar communiceren, alleen gedag zeggen. De man komt niet meer op onverwachte momenten aan de deur buiten afspraken om.

De man zal vooralsnog de kleding die hij de kinderen aantrekt in zijn woning houden en de kinderen de kleding van de vrouw aandoen en in ieder geval teruggeven bij het terugkeren van de kinderen bij de vrouw.

Wanneer de man vragen heeft over de school van [kind a] , haar taalachterstand, haar gewicht en haar gezondheid, zal hij die vragen aan de vrouw stellen via het omgangsschriftje. De man zal daarnaast [Y] niet meer aanspreken over de omgangsregeling.

3.5.

De vrouw heeft nog gewezen op het slaapritme en etensritme van [kind b] , en heeft aan de orde gesteld dat de vastgestelde regeling dat ritme doorkruist. Ook hier heeft te gelden dat met name de gebrekkige communicatie tussen partijen een soepele uitvoering van omgang in de weg staat. De belangen van de kinderen zijn vooral gediend met een betere communicatie tussen partijen; het slaap- en etensritme van de kinderen is niet dermate dwingend dat dit een contra-indicatie voor de vastgestelde regeling oplevert.

3.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven twee tot en met vier van de vrouw falen. De vastgestelde voorlopige omgangsregeling dient tussen partijen in stand te blijven. Ook acht het hof het opleggen van een dwangsom aan de vrouw geïndiceerd. In hoger beroep en in eerste aanleg heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat een omgangsregeling in strijd is met de belangen van de kinderen. De rechtbank en het hof zijn tot een andersluidend oordeel gekomen. Met het oog op de goede naleving van de voorlopig geldende regeling is het opleggen van een dwangsom gerechtvaardigd. De vijfde grief, waarmee de vrouw bezwaar maakt tegen de vaststelling van een dwangsom, faalt op grond van het voorgaande.

3.7.

Nu de onderhavige zaak als spoedappel is behandeld, is de voorwaarde voor het instellen van de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis niet in vervulling gegaan. De incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ligt daarom niet voor.

3.8.

Het voorgaande leidt tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. De kosten van het hoger beroep dienen tussen partijen als ex-partners te worden gecompenseerd. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

Het hof, rechtdoende in kort geding:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. H.A. van den Berg, mr. C.M.J. Peters en mr. T.A.M. Tijhuis en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2018.