Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3654

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
23-000185-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000185-18

datum uitspraak: 9 oktober 2018

VERSTEK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-684441-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1997,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande en/of elders.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 7 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (rug)zak/tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

subsidiair:
[medeverdachte] op of omstreeks 7 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (rug)zak/tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan naam [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 7 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde Van Berge af te leiden en/of door voor die [medeverdachte] op de uitkijk te staan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bespreking verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

Door de verdediging is bij appelschriftuur aangevoerd dat er sprake is geweest van stelselmatige observatie zonder een daartoe strekkend bevel. Bewijsuitsluiting dient hiervan het gevolg te zijn, aldus de appelschriftuur.

Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval geen sprake geweest van een stelselmatige observatie van de verdachte in de zin van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier blijkt dat de verdachte gedurende enkele uren, verdeeld over twee dagen, is geobserveerd. Deze observaties hebben steeds plaatsgevonden terwijl de verdachte zich op de openbare weg bevond.

Deze observaties waren gelet op de duur, de intensiteit, de plaats, het doel van de waarnemingen en de wijze waarop deze hebben plaatsgevonden, niet geschikt om een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van de verdachte te verkrijgen. Gelet daarop kan de met het observeren samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als zo beperkt worden beschouwd dat de algemene taakomschrijving van opsporingsambtenaren, neergelegd in artikel 3 van de Politiewet 1993 en artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, daarvoor voldoende legitimatie biedt. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op 7 oktober 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rugtas, toebehorende aan [slachtoffer] .

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een openbare gelegenheid in het centrum van Amsterdam schuldig gemaakt aan – kort gezegd – zakkenrollerij. De verdachten, die gedurende enkele uren door de politie zijn gevolgd, hebben het feit niet in een impuls, maar op tamelijk geraffineerde wijze gepleegd. De verdachte heeft kennelijk gehandeld met het oog op financieel gewin voor zichzelf en zijn mededader, en heeft getoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Met name in de stad Amsterdam is zakkenrollerij een veelvoorkomend probleem, zodat het plegen daarvan – uit het oogpunt van generale preventie – streng bestraft dient te worden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 september 2018 is hij niet eerder in Nederland strafrechtelijk veroordeeld, zodat hij als zogeheten ‘first offender’ wordt beschouwd.

Gelet op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – waaronder de omstandigheid dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft – komt oplegging van een andere, niet vrijheidsbenemende straf, niet in aanmerking.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. S.M.M. Bordenga en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van A. Ivanov, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 oktober 2018.

Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

.