Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3605

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
200.236.403/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:2044, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vernietiging beschikking ondertoezichtstelling, moeder accepteert en initieert hulpverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.236.403/ 01

zaaknummer rechtbank: C/15/269223 / JU RK 18/129

beschikking van de meervoudige kamer van 2 oktober 2018 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H. Asal te Rotterdam,

en

Raad voor de Kinderbescherming Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] );

- [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- de gecertificeerde instelling de Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar (hierna te noemen: de GI).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 19 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 30 maart 2018 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 19 februari 2018.

2.2

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de raad van 9 mei 2018, ingekomen op 14 mei 2018;

- een brief van de zijde van de moeder, ingekomen op 16 april 2018.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 20 juli 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. A.L Witteveen, advocaat te Rotterdam, waarnemend voor mr. Asal voornoemd;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer Daalderop;

- de vader.

2.4

De GI is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.5

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de moeder desgevraagd bij brief van 24 juli 2018, ingekomen ter griffie van het hof op 25 juli 2018, emailcorrespondentie tussen de raad en de gezinsmanager overgelegd.

3 De feiten

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is [de minderjarige] geboren, [in] 2012, te [geboorteplaats] . De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . Sinds het uiteengaan van de ouders verblijft [de minderjarige] samen met haar moeder en halfzus [halfzus] bij de grootouders (mz). In de weekenden verblijft [de minderjarige] bij de vader.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is [de minderjarige] op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 februari 2018 tot 19 november 2018.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

4.3.

De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de machtiging terecht is afgegeven. Ten aanzien van de vraag of de ondertoezichtstelling nog altijd noodzakelijk is, heeft de raad zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of in de onderhavige zaak de gronden voor afgifte van de machtiging ondertoezichtstelling aanwezig waren ten tijde van het geven van de bestreden beschikking en of dit ook thans nog het geval is.

5.3

De moeder stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de wettelijke grond voor de ondertoezichtstelling zoals vastgelegd in artikel 1:255, eerste lid BW. Naar mening van de moeder is er geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Het gaat goed met [de minderjarige] . Ze heeft de hulpverlening in het kader van het programma ‘Piep zei de muis’ afgerond en daarvoor ook een diploma gekregen. Op school gaat het goed en [de minderjarige] is over naar groep drie. Daarnaast wijst de moeder er op dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium dat de benodigde zorg niet, of niet voldoende wordt geaccepteerd. De moeder heeft immers zelf het initiatief genomen tot het inschakelen van hulpverlening. De hulpverlening voor [de minderjarige] was daardoor al gestart voordat de machtiging tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] werd afgegeven. Sinds de ondertoezichtstelling is er geen verandering in de geboden hulpverlening. De ouders hebben een goede samenwerking en de moeder staat open voor hulpverlening. Voorts is de machtiging verleend in strijd met het bepaalde in artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK: de ondertoezichtstelling maakt onnodig inbreuk op het familieleven van de moeder en [de minderjarige] en is ook niet in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk.

5.4

De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking terecht is afgegeven. Hoewel ook voor afgifte van de machtiging al hulpverlening was gestart, waren er ernstige zorgen over [de minderjarige] . [de minderjarige] is een kwetsbaar meisje dat meermalen te maken heeft gekregen met huiselijk geweld. Op de huidige thuissituatie van [de minderjarige] heeft de raad geen zicht. In de ter zitting door de moeder voorgelezen email-correspondentie lijkt te worden bevestigd dat de ouders hulpverlening accepteren. Wat betreft de vraag of de ondertoezichtstelling nog altijd noodzakelijk is refereert de raad zich daarom aan het oordeel van het hof.

5.5

Het hof oordeelt als volgt.

5.6

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Tussen de ouders van [de minderjarige] is sprake geweest van huiselijk geweld. In augustus en september 2017 zijn meldingen binnengekomen bij Veilig Thuis omtrent huiselijk geweld tussen de moeder en de vader, waarbij [de minderjarige] en haar zusje [halfzus] aanwezig waren. Het wijkteam was toen al betrokken bij het gezin vanwege de verstoorde relatie tussen de moeder en haar ex-partner, de vader van [halfzus] .

De vader van [de minderjarige] is op jonge leeftijd opgenomen geweest in een afkickkliniek voor een drugsverslaving, en later nogmaals voor een gok-, coke-, en alcoholverslaving. Vorig jaar september heeft de vader een terugval gehad en opnieuw alcohol gedronken. Dit was in de periode waarin het huiselijk geweld plaatsvond. Nadien heeft hij geen verdere begeleiding gezocht voor zijn verslavingsproblematiek. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verklaard dat hij sindsdien clean is en hard werkt in de bouw.

Na de tweede melding van huiselijk geweld tussen de ouders, is de moeder met [de minderjarige] en [halfzus] bij de grootouders moederzijde ingetrokken. Inmiddels heeft zij een nieuwe woning gevonden in [plaats] , welke zij binnenkort zal betrekken. Naar aanleiding van het huiselijk geweld is hulpverlening opgestart voor [de minderjarige] in het kader van het programma ‘Piep zei de muis’. Vervolgens heeft de raad in januari 2018 een ondertoezichtstelling verzocht. Hoewel de ouders goede intenties toonden door het opstarten van hulpverlening, schatte de raad toen in dat ouders onvoldoende in staat zouden zijn om, zonder een ondertoezichtstelling, de zorgen omtrent de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] te reduceren. Ook waren er zorgen over de onduidelijke relatiestatus van de ouders en kon niet worden uitgesloten dat de vader weer bij de moeder zou intrekken. De GI stelde zich op dat moment op het standpunt dat de ondertoezichtstelling niet noodzakelijk was en uit de overlegde email-correspondentie tussen de raad en de GI lijkt te volgen dat de GI deze mening ook in mei 2018 nog was toegedaan.

5.7

In de afgelopen periode zijn er grote spanningen geweest in de gezinssituatie van [de minderjarige] . Niet alleen zijn er veel conflicten tussen de moeder en de vader van [de minderjarige] ’s zusje [halfzus] , ook tussen de moeder en de vader van [de minderjarige] is sprake geweest van huiselijk geweld, waarvan [de minderjarige] getuige is geweest. Naar het oordeel van het hof bestonden daarom terecht grote zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Met de moeder is het hof evenwel van oordeel dat de vanwege deze grote zorgen aanwezige ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] door middel van hulpverlening in het vrijwillig (drang) kader kan worden weggenomen. Gebleken is dat de moeder, samen met de vader, in staat is om de zorgen over [de minderjarige] ’s veiligheid en ontwikkeling te reduceren. De relatie tussen de ouders is inmiddels al geruime tijd verbroken en de ouders hebben thans een goed contact zonder incidenten. De moeder heeft daarnaast zelf het initiatief genomen om hulpverlening voor [de minderjarige] te initiëren, en deze hulpverlening is inmiddels succesvol afgerond. Ook werken de ouders goed samen in de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] en is een duidelijke zorgregeling voor [de minderjarige] afgesproken. Hoewel de vader geen nazorg heeft ontvangen na de terugval in zijn verslavingsproblematiek, is niet gesteld of gebleken dat hij in de afgelopen periode opnieuw een terugval heeft gehad of dat er anderszins zorgen zijn omtrent de opvoeding en verzorging door de vader.

Een ondertoezichtstelling kan slechts worden uitgesproken indien de benodigde zorg door de ouders niet, of niet voldoende wordt geaccepteerd. Zowel ten tijde van de bestreden beschikking als nu is gebleken dat de ouders zich openstellen voor hulpverlening voor [de minderjarige] , deze accepteren en deze ook zelf initiëren. Ten aanzien van de wenselijk geachte nazorg voor de vader geldt dat in de afgelopen maanden niet is gebleken dat deze hulp noodzakelijk is voor het wegnemen van de zorgen omtrent [de minderjarige] . Na de moeilijke periode waarin het huiselijk geweld plaatsvond, hebben de ouders derhalve zelf de nodige stappen gezet om de zorgen omtrent [de minderjarige] weg te nemen. Die ontwikkeling had zich reeds ingezet op het moment van afgifte van de bestreden beschikking. Ook geldt dat de hulpverlening na de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] niet is veranderd of geïntensifieerd ten opzichte van de hulpverlening van daarvoor. Het hof oordeelt dan ook dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] op het moment van de bestreden beschikking niet aanwezig waren en ook thans niet aanwezig zijn.

5.8

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking dan ook vernietigen en het inleidend verzoek van de raad alsnog afwijzen. Dit brengt mee dat de overige grieven van de moeder geen bespreking meer behoeven.

5.9

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 19 februari 2018 en, opnieuw recht doende:

wijst af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar), afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.A.M. Tijhuis, mr. C.E. Buitendijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. K.A.M. van der Zon als griffier en is op 2 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken door mr. M.T. Hoogland.