Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3599

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
23-004203-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1735, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan handelingen ter voorbereiding van een transport van verboden harddrugs (XTC). Bewijsoverweging mbt betrouwbaarheid getuigenverklaring. Sole and decisive.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004203-15

datum uitspraak: 3 juli 2018

TEGENSPRAAK (raadsman uitdrukkelijk gemachtigd)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-528339-06 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van feit 2.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2017, 7 februari 2018, 13 maart 2018 en 19 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman van de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2006 tot en met 30 januari 2007 te Amsterdam en/of Almere en/of Arnhem, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) een of meerdere vliegticket(s) geregeld en/of geld ter beschikking gesteld en/of partijen (kopers en verkopers) (in mogelijke deals) aan elkaar voorgesteld en/of een koffer geprepareerd (door de bodem van die koffer te vullen met pakketjes pillen en/of XTC en/of MDMA).


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere overwegingen en beslissingen komt dan de rechtbank.

Voorvragen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi aangevoerd dat de dagvaarding van het onder 1 ten laste gelegde nietig dient te worden verklaard. Ten laste is gelegd het voorbereiden van een feit als bedoeld in artikel 10 lid 3 en 4 van de Opiumwet, te weten het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, en de in- en uitvoer. Er is sprake van twee inconsistenties, te weten : voorbereidingshandelingen ter zake van artikel 10 lid 3 dat ziet op het aanwezig hebben zijn wel ten laste gelegd maar niet strafbaar, en de in- en uitvoer zijn strafbaar gesteld in artikel 10 lid 5, maar dit wordt niet in de tenlastelegging genoemd. Derhalve is de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een innerlijk tegenstrijdige en onbegrijpelijke tenlastelegging. De vermelding bij feit 1 in de tenlastelegging dat de voorbereiding ziet op een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, zal, gelet op de huidige tekst van artikel 10a van de Opiumwet, als een kennelijke verschrijving worden aangemerkt. Het hof zal in plaats van ‘derde of vierde lid’ lezen: ‘vierde of vijfde lid.’

Partiële vrijspraak

Het hof is met de rechtbank, en overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2018 en 19 juni 2018, van oordeel dat slechts het prepareren van de koffer bewezen kan worden verklaard, en dat ten aanzien van de overige in feit 1 ten laste gelegde handelingen het dossier onvoldoende bewijs bevat dat deze op voorbereiding in de zin van artikel 10a Opiumwet waren gericht, zodat de verdachte in zoverre dient te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

  1. De aanvankelijke verklaringen van [getuige] over XTC-pillen zijn onbetrouwbaar. Bij de raadsheer-commissaris op 16 mei 2017 gehoord als getuige in de zaak van de verdachte heeft [getuige] verklaard dat hij destijds niet naar waarheid heeft verklaard, dat het om een oplichtingszaak ging en dat er geen XTC-pillen, maar salmiaksnoepjes in de koffer zaten. De nieuwe verklaring kan niet als onbetrouwbaar terzijde worden geschoven. Ten eerste wordt de verklaring van [getuige] ondersteund door de verklaring van de verdachte, ten tweede is het aannemelijk dat hij als (mede)verdachte aanvankelijk een valse verklaring heeft afgelegd gelet op zijn eigen belangen (wraak op de verdachte en om zo snel mogelijk in vrijheid te worden gesteld).

  2. Voorts kunnen, afgezien van de onbetrouwbaarheid van de eerdere verklaringen van [getuige], deze niet worden gebezigd voor het bewijs, nu er sprake is van een situatie waarbij [getuige] in de zaak van de verdachte zelf op zijn eerdere verklaringen is teruggekomen bij de raadsheer-commissaris en [getuige] niet is opgeroepen als getuige door het hof om de betrouwbaarheid van de verklaringen te toetsen. Hoewel de rechtbank een en ander heeft overwogen over de verklaring van [getuige] ter terechtzitting, maakt die verklaring in [getuige] eigen strafzaak geen onderdeel uit van het dossier. Conform de jurisprudentie van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:1994:AB7528 en ECLI:NL:HR:2014:2753, kunnen zijn belastende verklaringen dat het om XTC-pillen ging niet worden gebruikt voor het bewijs.

  3. Voorts kan niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat voor materiaal in de koffer heeft gezeten, nu de koffer niet is onderschept, er geen verdovende middelen zijn aangetroffen en er geen rapporten omtrent de verdovende middelen in het dossier zitten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

ad 1) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige]

verklaringen van de verdachte en van [getuige]

De verdachte heeft in eerste instantie tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris van 30 januari 2007 en op de zitting van de rechtbank van 3 mei 2007 verklaard dat hij niets met drugs te maken had en dat [getuige] liegt als hij zegt dat het om XTC pillen ging . Eerst op de zitting van 5 juli 2007 heeft hij verklaard dat [getuige] (het hof begrijpt hier en hierna : [getuige]) bezig was om iemand op te lichten. Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris van 8 november 2007 heeft hij verklaard dat hij geld had voorgeschoten aan [getuige] met de bedoeling om [naam 1] een koffer te laten prepareren, maar dat het ging om een oplichtingszaak, waarbij [getuige] salmiaksnoepjes zou leveren in plaats van XTC-pillen. Tijdens de daarop volgende terechtzittingen in eerste aanleg heeft de verdachte dit standpunt gehandhaafd.

[getuige] heeft in zijn verhoor bij de politie van 14 februari 2007 (dossierpp. CB 385-398) onder meer verklaard dat [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) hem had gebeld dat hij naar [naam 1] ( het hof begrijpt hier en hierna : [naam 1]) moest gaan om een koffer te laten prepareren door [naam 1] voor het vervoer van XTC, dat hij met [naam 1] naar de woning in Almere is gereden en dat toen de door [verdachte] geregelde pillen er al waren. [verdachte] had hem verteld dat het er 30.000 waren. De pillen waren lichtgrijs-bruinig van kleur en hij rook dat de pillen een chemische lucht hadden en zag dat het poederig verstuifde.

Ook in zijn verhoor inbewaringstelling bij de rechter-commissaris op 16 februari 2007 heeft [getuige] verklaard dat hij begreep dat de koffer geprepareerd moest worden voor drugs.

In zijn verhoor bij de politie van 1 maart 2007 (dossierpp. CB 603-621) heeft [getuige] verklaard dat [naam 1] spullen ging kopen die nodig waren voor het prepareren van de koffer met die XTC-pillen, dat [naam 1] een vierkante kist met een glazen plaat erop gebruikte en dat hij, [getuige], ervan uitging dat dit een vacuümpers was, en dat hij een chemische lucht heeft geroken.

In zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 8 november 2007 heeft [getuige] verklaard dat hij blijft bij de verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd, dat hij er nog eens over heeft teruggedacht en dat het ook achteraf bezien juist is wat hij heeft verklaard. Voorts heeft hij toen verklaard dat hij wel eens ruzie met [verdachte] heeft gehad, maar dat ze in 2006 net weer een beetje met elkaar omgingen, dat de bewering van [verdachte] dat hij een oplichting zou hebben georganiseerd of bezig was daarvoor voorbereidingen te treffen, niet juist is, dat hij niets met oplichting te maken heeft, dat de pillen een crème witte kleur hadden, dat hij erbij blijft dat hij een chemische lucht heeft geroken, dat hij stof zag op de vloer en dacht dat het stof van de pillen kwam, en dat het getal 30.000 viel en dat hij dat heeft gekoppeld aan het aantal pillen.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat [getuige] voor het eerst ter terechtzitting bij de rechtbank in zijn eigen zaak in februari 2010 is teruggekomen op zijn eerdere verklaringen en heeft verklaard dat de koffer met salmiaksnoepjes zou zijn geprepareerd.

Tijdens zijn verhoor als getuige in de zaak van de verdachte bij de raadsheer-commissaris op 16 mei 2017 heeft [getuige] verklaard dat de koffer gebruikt zou worden bij een oplichtingspraktijk, dat de tegenpartij moest denken dat er XTC-pillen in de koffer zaten en dat hij van tevoren met [verdachte] en twee andere jongens had bedacht dat er in plaats van XTC-pillen, salmiakpillen in de koffer zouden worden gestopt. Voorts heeft [getuige] in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij bij de politie niet de waarheid heeft gezegd, dat dit kwam omdat hij heel erg teleurgesteld was in [verdachte], dat de agenten alleen hun waarheid wilden horen, en dat hij naar huis wilde naar zijn pasgeboren baby.

Oordeel van het hof

Het hof gaat uit van de juistheid en de betrouwbaarheid van de aanvankelijk afgelegde verklaringen van [getuige]. De omstandigheid dat [getuige] ter terechtzitting in zijn eigen zaak in februari 2010 en als getuige in de zaak van de verdachte bij de raadsheer-commissaris in mei 2017 is teruggekomen op zijn eerder afgelegde verklaringen dat sprake was van XTC-pillen, geeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van bovengenoemde in het vooronderzoek afgelegde verklaringen. De stelling van [getuige] dat hij zijn verklaringen over XTC heeft afgelegd omdat hij naar eigen zeggen wraak wilde nemen op de verdachte en omdat hij zo snel mogelijk vrij wilde komen, geven evenmin aanleiding tot twijfel.

Het hof overweegt hiertoe allereerst dat de verdachte aanvankelijk niet over de oplichting heeft verklaard, maar bij herhaling over XTC-pillen. Daarbij worden de door [getuige] afgelegde verklaringen dat sprake was van XTC-pillen ondersteund door de verklaring van medeverdachte [naam 1], die verklaard heeft in zijn verhoor bij de politie op 21 februari 2007 dat [verdachte] hem gevraagd had om een koffer te prepareren in Almere met, naar hij dacht pillen, omdat de substantie hard aanvoelde, waarmee hij bedoelt : verdovende middelen. Hij vermoedt XTC, omdat het de enige pillen zijn die hij kent. [getuige] gaf hem geld voor het prepareren van de koffer, afkomstig van [verdachte] (CB 480-491). Voorts heeft [getuige] tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris in november 2007, geconfronteerd met de bewering dat er sprake zou zijn van een oplichtingszaak, uitdrukkelijk ontkend dat deze bewering juist was en heeft hij verklaard dat hij bleef bij de – belastende – verklaringen die hij bij de politie had afgelegd en dat het ook achteraf bezien juist is wat hij had daar verklaard, terwijl de verdachte in diezelfde maand tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat het om een oplichtingszaak ging. [getuige] is vervolgens pas bij de behandeling van zijn eigen zaak in februari 2010 met een andere verklaring gekomen, overeenkomend met die van de verdachte. Het hof volgt de raadsman dus niet in de stelling dat de verklaring van [getuige] wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte.

Dat [getuige] een valse verklaring heeft afgelegd omdat hij wraak wilde nemen op de verdachte, is evenmin aannemelijk geworden. Integendeel, uit de verklaring die [getuige] in november 2007 heeft afgelegd bij de rechter-commissaris volgt juist dat hij en de verdachte in 2006 net weer een beetje met elkaar omgingen. Ook de stelling van de verdediging dat [getuige] een valse verklaring over XTC-pillen heeft afgelegd omdat hij zo snel mogelijk in vrijheid wilde worden gesteld, acht het hof niet aannemelijk. Immers valt niet in te zien dat het afleggen van dergelijke (ook zichzelf belastende) verklaringen zonder meer tot invrijheidstelling zou leiden. Daarbij komt bovendien dat [getuige] ook in zijn verhoor bij de politie op 1 maart 2007, nadat hij inmiddels door de RC was geschorst en derhalve niet in voorlopige hechtenis zat, heeft verklaard dat er een koffer met XTC-pillen was geprepareerd.

Het hof ziet derhalve geen aanleiding om de aanvankelijke verklaringen van [getuige] onbetrouwbaar te achten. Het hof verwerpt het verweer.

ad 2) ‘Sole and decisive’

Het hof komt voorts tot het oordeel dat een bewezenverklaring voor het onder 1 ten laste gelegde niet in beslissende mate steunt op de verklaringen van [getuige]. Diens verklaringen worden immers in belangrijke mate ondersteund door de verklaring van [naam 1] in zijn verhoor bij de politie van 21 februari 2007 (dossierpp. CB 480-491). Dit brengt mee dat er geen sprake is van een verklaring die “ sole and decisive” is. Het verweer van de raadsman dat [getuige] ten onrechte niet ter terechtzitting als getuige is opgeroepen, terwijl hij voor het eerst in de zaak van de verdachte als getuige bij de raadsheer-commissaris op zijn verklaring is teruggekomen , snijdt onder deze omstandigheden naar het oordeel van het hof geen hout. Daarbij merkt het hof op dat de raadsvrouw van de verdachte (voor wie de raadsman waarneemt) zelf heeft verzocht [getuige] bij de raadsheer-commissaris te laten horen en het hof –op verzoek van de raadsvrouw– de verklaring die [getuige] op de zitting in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd in het dossier van de verdachte heeft laten voegen.

Het hof verwerpt het verweer.

ad 3) Aanwezigheid XTC

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de koffer is geprepareerd met XTC-pillen. Dat het om XTC-pillen ging baseert het hof op de verklaringen van de medeverdachten [getuige] en [naam 1]. Beiden hebben uitgebreid verklaard over de wijze waarop de koffer is geprepareerd en pakketjes in de bodem van de koffer zijn verborgen. [getuige] heeft daarbij verklaard dat hij een chemische geur rook, dat het ging om poederachtige stoffen en dat de pakketjes vacuüm waren verpakt, hetgeen steun vindt in de verklaring van [naam 1] die zegt dat hij werd opgehaald voor de vacuümpomp. Naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten deze handelingen geacht worden te zijn gericht op vervoer of uitvoer van verboden middelen. [getuige] heeft verschillende malen verklaard dat het XTC betrof. Deze verklaring vindt, mede gezien de beschreven preparerings-handelingen, in voldoende mate steun in de verklaring van [naam 1] dat de inhoud van de pakketjes aanvoelde als pillen.

De (latere) verklaringen van de verdachte en van [getuige] omtrent een (voorgenomen) oplichting, waarbij

een koffer gevuld met salmiaksnoepjes op Sint Maarten aan kopers in een (nep)drugsdeal zou worden overhandigd als een koffer gevuld met XTC-pillen om zodoende, als tegenprestatie voor vermeend geleverde XTC, geld in ontvangst te nemen van de kopers, acht het hof niet geloofwaardig.

Voorts hecht het hof belang aan het feit dat de verdachte pas na zijn vrijlating uit de voorlopige hechtenis op 20 september 2007 met de verklaring over de salmiaksnoepjes en de nepdeal is gekomen. Voor [getuige] geldt dat hij in zijn verhoren bij de politie meerdere keren heeft verklaard dat het om XTC-pillen ging, ook op 1 maart 2007, toen hij niet meer in voorlopige hechtenis zat. Bij de rechter-commissaris heeft hij aan deze verklaringen vastgehouden, nadat de verdachte al anders had verklaard.

Naast het feit dat het hof niet zonder meer aannemelijk acht dat met het oog op een “nepdeal” in het buitenland, reeds in Nederland een koffer zou zijn geprepareerd, draagt ook het navolgende bij aan de overtuiging van het hof dat hier sprake is geweest van XTC.

Uit tapgesprek 3177 (CB 346-347) van 12 december 2006 tussen de verdachte en [naam 2] (het hof begrijpt hier en hierna: [naam 2]) volgt dat [naam 2] zegt dat [verdachte] hem de informatie moet doorgeven, waarop [verdachte] opgeeft: ‘[getuige], [getuige]’, waarna [verdachte] zegt: “Wanneer je het geld overmaakt moet je de mensen vragen welke valuta hij hier krijgt” en “je moet steeds vierduizend doen” en ‘doe ongeveer 20 tot 25 keer’.

Uit tapgesprek 3384 (CB 348-350) van 13 december 2006 tussen de verdachte en [naam 2] volgt dat [naam 2] zegt: ‘de prijs is vreselijk, ik kan je niet meer dan drie geven, ik ga het gewoon voor drie verkopen’.

Uit tapgesprek 3434 (CB 351-352) van 14 december 2006 tussen [verdachte] en [naam 2] volgt dat [naam 2] zegt: ‘de prijs die men ons wil geven , 2 dollar, 3 dollar. Ik zei welke prijs had je me dan opgegeven, volgens mij 4 dollar, 5 dollar. Als wij er 1 dollar afhalen, moet ik hem 4 dollar betalen. Nog steeds kunnen ze niemand vinden hoor, die voor die prijs gaat’.

[getuige], geconfronteerd met de passage in tapgesprek 3177, heeft verklaard (dossierpp. CB 397): “Het is mij zo gezegd door [verdachte]: [naam 2] zou dat geld naar mij toe sturen via Western Union Transfer. [verdachte] kan aan die pillen komen en [naam 2] kan ze kwijt met zijn contacten, zo is het”.

Voorts heeft [getuige] in zijn verhoor bij de politie van 15 februari 2007 (dossierpp. CB 385-398) verklaard dat [verdachte] hem heeft gezegd dat het 30.000 XTC-pillen waren.

Het hof heeft op grond van algemeen toegankelijke bronnen vastgesteld dat de straatwaarde van een XTC-pil in december 2006, 5 dollar per pil was. [getuige] heeft verklaard dat het hier ging om 30.000 pillen, die tegen een gemiddelde prijs van 3 dollar - nu blijkens voornoemd tapgesprek de prijs van 4 of 5 dollar te hoog is – worden verkocht, derhalve een totaalbedrag van 90.000 dollar. Volgens tapgesprek 3177 moest het geld in ongeveer 20 tot 25 keer worden overgemaakt. Uitgaande van een gemiddelde van 22,5 keer, correspondeert de deelsom 90.000: 22,5 = 4000, exact met het bedrag genoemd in tapgesprek 3177. Naar het oordeel van het hof is er derhalve sprake geweest van XTC.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 januari 2007 te Almere tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, zich en/of een of meer anderen gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachtes mededaders een koffer geprepareerd door de bodem van die koffer te vullen met pakketjes XTC.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, zich of een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het hem onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan handelingen ter voorbereiding van een transport van verboden harddrugs (XTC). Deze drugs zijn in pakketjes verborgen en weggewerkt in de bodem van een koffer. Uit de in de bewijsmiddelen beschreven handelingen komt naar voren dat het om een aanzienlijke hoeveelheid XTC ging. Dit is een ernstig feit.

Naar algemeen bekend is, vormen harddrugs een bedreiging voor de volksgezondheid. Verder wordt door de handel in deze drugs bevorderd dat de gebruikers daarvan vermogensdelicten plegen om hun gebruik te kunnen financieren. Tenslotte worden met de handel in harddrugs grote criminele winsten gemaakt. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 10a Opiumwet komt naar voren dat de wetgever –kort gezegd– de handel in harddrugs een onaanvaardbaar risico acht en dat voorbereidingshandelingen ten aanzien van deze drugs strafbaar zijn gesteld om te voorkomen dat degenen die zich met de handel daarin inlaten straffeloos zouden blijven. Dat de wetgever dergelijke voorbereidingshandelingen ernstige misdrijven acht komt tot uiting in de daarop in artikel 10a Opiumwet gestelde gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte als opdrachtgever van de voorbereidingshandelingen moet worden gezien. De koffer is in zijn opdracht met de harddrugs geprepareerd, in een woning waarvan hij het medegebruik had en waarvan hij de sleutels ter beschikking heeft gesteld. Hij heeft ook het geld voor de benodigde materialen ter beschikking gesteld en de medeverdachte die de feitelijke werkzaamheden heeft uitgevoerd, betaald. Hij heeft aanwijzingen gegeven wie bij het prepareren aanwezig moesten zijn, hoe een bij het prepareren ontstaan probleem diende te worden opgelost en is tenslotte het eindresultaat komen inspecteren.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 juni 2018 is hij eerder ter zake van het plegen van een strafbaar feit onherroepelijk veroordeeld, maar niet voor Opiumwetdelicten.

Het hof constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tussen het moment waarop de verdachte in redelijkheid kon verwachten dat hij zou worden vervolgd – 30 januari 2007 – en het vonnis van de rechtbank op 24 februari 2010, zijn ruim drie jaren verstreken, derhalve een termijnoverschrijding van ruim een jaar. De rechtbank heeft deze overschrijding verdisconteerd in de strafmaat en heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden opgelegd.

Voorts is er sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof wijst thans op 3 juli 2018 arrest, ruim 7 jaren en vier maanden na het vonnis in eerste aanleg. Omstandigheden die deze overschrijding zouden kunnen rechtvaardigen zijn niet gebleken. Het hof zal de door de rechtbank opgelegde straf – waarin de overschrijding in eerste aanleg reeds is verdisconteerd – als uitgangspunt nemen bij de strafmaat in hoger beroep. Op grond van de geconstateerde ernstige overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zal het hof de op te leggen straf matigen in na te noemen zin. Toepassing van de maximale strafkorting van 6 maanden, zoals door de raadsman bepleit, komt, gelet op de ernst van het feit, evenwel niet in aanmerking. Het hof acht oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK Kentekenbewijs MERCEDES deel 1a [kenteken]

2. 1.00 STK Kentekenbewijs MERCEDES deel 1b [kenteken]

3. 1.00 STK Bon ( betaling van 10.000 euro)

4. 5.00 STK Boek (onderhouds)

5. 1.00 STK Akte (schuldbek.)

6. 1.00 STK Papier (kwitantie reena reizen 341.000 euro) .

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. A.M. Kengen en mr. F.G. Hijink, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van der Drift, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juli 2018.

[…]