Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3586

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
200.212.986/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:1983
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.212.986/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/231775 / HA ZA 15-615

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 september 2018

inzake

[de man] ,

wonend te [A] , gemeente [Z] ,

appellant,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. H.P. Verheyen te Den Burg,

tegen

[de vrouw] ,

wonend te [B] , gemeente [Z] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. Y.A.R. Seen te Noord-Scharwoude.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

De man is bij dagvaarding van 20 december 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 21 september 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de man als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis, met producties;

- memorie van antwoord tevens incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 12 april 2018 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De man heeft – na wijziging van eis – geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de vorderingen van de man in eerste instantie zal toewijzen, waarbij de beslissing van de rechtbank onder 5.1 sub f wordt verbeterd als volgt:

bepaalt dat de resultante van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2013, 2014 en 2015 bij helfte verdeeld worden, in die zin dat een teruggave bij helfte verdeeld wordt en een naheffing bij helfte gedragen wordt door partijen en partijen derhalve gelet op dit recht op teruggave bij helft en draagplicht bij helfte, verplicht zijn om elkaar te betalen de helft van hetgeen een partij aan teruggave heeft ontvangen en de helft van hetgeen een partij aanslagen IB heeft betaald, derhalve dat de vrouw binnen 14 dagen na betekening van het arrest aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting dient te betalen een bedrag van € 14.397,50,

alsmede (naar het hof begrijpt) de beslissing van de rechtbank onder 5.1 sub e voor wat betreft de paarden wordt verbeterd als volgt:

de paarden door een deskundige getaxeerd worden en partijen de kosten voor de taxatie bij helfte moeten delen, waarna de paarden aan de vrouw worden toegescheiden tegen de helft van de taxatiewaarde en de vrouw de helft van de taxatiewaarden aan de man betaalt binnen 14 dagen na betekening van het arrest;

alsmede de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen:

- uit hoofde van onverschuldigde betaling van maandelijkse hypothecaire termijnen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen 14 dagen na betekening van het arrest, een bedrag van € 2.155,37,

- een redelijke gebruiksvergoeding van € 388,- per maand vanaf augustus 2015, althans een bedrag en vanaf een datum zoals het gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

- uit hoofde van onverschuldigd betaalde kosten voor stroom en water binnen 14 dagen na betekening van het arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 618,02 aan water en een bedrag van € 2.558,15 en € 407,90 aan stroom;

met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

De vrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vorderingen en grieven, althans deze af te wijzen.

In incidenteel appel heeft de vrouw geconcludeerd dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – het bestreden vonnis verbetert en/of aanvult conform de aangevoerde grieven. Zij verzoekt te bepalen dat de polis bij Allianz met nummer [1] aan de man wordt toegedeeld onder de verplichting van de man aan de vrouw een bedrag van € 12.251,26 te betalen, te bepalen dat de auto aan de vrouw wordt toegedeeld tegen een waarde van € 3.500,- waarbij zij de helft van deze waarde aan de man dient te voldoen, alsmede af te wijzen het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw op grond van artikel 3, lid 4 van de samenlevingsovereenkomst een bedrag van

€ 82.417,32 aan de man dient te voldoen.

Zowel in principaal als incidenteel appel heeft de vrouw (tevens) geconcludeerd tot – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de man in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten.

De man heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw dan wel haar incidenteel appel af te wijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de vrouw in de kosten van het hoger beroep.

De vrouw heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

2.2

Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen hebben van 8 december 2000 tot 2 juli 2015 een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn vier thans nog minderjarige kinderen geboren. De kinderen wonen bij de vrouw.

2.3

Partijen hebben op 3 mei 2002 een samenlevingsovereenkomst gesloten. De man heeft de samenlevingsovereenkomst tegen 2 juli 2015 opgezegd.

2.4

In de samenlevingsovereenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

ALGEMEEN

Artikel 1

1. Noch het feit van samenleven noch het enkele bestaan van deze overeenkomst verschaft één van partijen enig recht op goederen die door de andere partij, ongeacht wanneer en krachtens welke titel, zijn verkregen, behoudens het hierna bepaalde.

(…)

INBOEDEL

Artikel 2

Inboedelgoederen, waaronder begrepen tot meubilering van de gemeenschappelijke woonruimte dienende zaken, alsmede de huishoudelijke apparaten en andere ten behoeve van de gewone gang van de gemeenschappelijke huishouding strekkende zaken, alsmede vervoermiddelen, behoren toe aan beide partijen, ieder voor de helft, ongeacht de herkomst van deze zaken of de wijze van financiering ervan.

Voor zoveel nodig leveren en aanvaarden partijen over en weer aan elkaar de onverdeelde helft in bovenbedoelde huidige en toekomstige zaken.

GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING

Artikel 3

(…)

4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning (…) gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen.

(…)

EINDE

Artikel 6

1. Indien de overeenkomst eindigt tengevolge van opzegging (…) zijn partijen verplicht er aan mee te werken:

a. dat ieder in het bezit gesteld wordt van zijn of haar privé-goederen;

b. dat aan iedere partij worden toebedeeld en geleverd de goederen die hij/zij heeft aangebracht.

2. Het overig gemeenschappelijk vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld.

(…)

4. Voor de bepaling van het zuiver saldo van het overig gemeenschappelijk vermogen, bedoeld in lid 2, zal per de dag van het eindigen van de overeenkomst een staat van baten en schulden worden opgesteld (…).

Voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, vindt de verdeling plaats op de wijze als bepaald in artikel 3:185 Burgerlijk Wetboek.

(…)

(TIJDELIJKE) VOORTZETTING WOONGENOT

Artikel 7

(…)

4. Indien de woning toebehoort aan beide partijen of toebehoort aan de partij, die er niet in blijft wonen, dient de partij die blijft wonen over gemelde periode een redelijke vergoeding te betalen.

De kantonrechter kan overeenkomstig het hiervoor bepaalde de partij die blijft wonen gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van het betalen van vergoeding.

(…)

VERDELING WOONHUIS

Partijen zijn overeengekomen dat indien hun samenwoning anders dan door overlijden wordt beëindigd aan partij [de vrouw] het eerste recht toekomt tot overname/verkrijging in eigendom van het aan partijen tezamen in eigendom toebehorende woonhuis cum annexis aan het [adres 1] te [B] op [Z] .”

2.5

Partijen hebben in 2001 de woning aan het [adres 1] te ( [postcode] ) [B] in gezamenlijk eigendom verkregen en in 2005 hebben zij de onder- en naastgelegen grond en schuur van de vader van de vrouw gekocht en in gezamenlijk eigendom verkregen (het hof zal hierna de onroerende zaken gezamenlijk aanduiden als de woning). Onderdeel van de woning is een aanbouw, waarin de man tot 2013 een garnalenpellerij heeft geëxploiteerd.

2.6

Vanuit een schuur die bij de woning hoort, wordt een caravanstalling geëxploiteerd, stalling [de vrouw] genaamd.

De besloten vennootschap [de onderneming] , waarvan de aandelen eigendom zijn van de man, is eigenaar van een schuur aan het [adres 2] in [A] te [Z] . Ook deze schuur wordt gebruikt voor de bedrijfsmatige stalling van caravans.

2.7

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 augustus 2015 heeft de voorzieningenrechter onder meer voorlopig het voorgezet gebruik van de woning met uitsluiting van de man aan de vrouw toegekend voor een periode van zes maanden na betekening van het vonnis. Daarnaast is in dit vonnis bepaald:

“beveelt de vrouw om uiterlijk binnen zes maanden na betekening van dit vonnis aan de man schriftelijk mee te delen of zij financieel in staat is om gebruik te maken van haar voorkeursrecht tot koop van de woning, bij gebreke waarvan het voorkeursrecht van de vrouw komt te vervallen en bepaalt dat bij positief bericht van de vrouw de notariële levering binnen één maand na datum van dat bericht van de vrouw aan de man dient plaats te vinden.

2.8

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 februari 2016 heeft de voorzieningenrechter het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw met een periode van zes maanden verlengd en voorts voor de duur van zes maanden onder verbeurte van een dwangsom een verbod aan de man opgelegd om zich op het erf, in de woning en in de schuur gelegen aan het [adres 1] (hierna: het straatverbod) te bevinden.

Bij vonnis van dezelfde rechtbank van 26 augustus 2016 heeft de voorzieningenrechter het voorgezet gebruik van de woning door de vrouw verlengd totdat de woning door één van partijen dan wel een derde is overgenomen, maar uiterlijk voor de duur van zes maanden na betekening van het vonnis. Ook het straatverbod is met een periode van zes maanden na betekening van het vonnis verlengd, met uitzondering van de momenten waarop de man volgens de zorgregeling de kinderen komt thuisbrengen.

2.9

Bij vonnis van voornoemde rechtbank van 21 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de man binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, conform het bestreden vonnis, zijn medewerking dient te verlenen aan de overdracht van – kort gezegd - de woning. Tevens heeft de voorzieningenrechter bepaald dat indien de man na vier weken na betekening van het vonnis nog steeds in gebreke is zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning, de vrouw op grond van artikel 3:174 BW wordt gemachtigd tot het te gelde maken van de woning. Het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw is verlengd tot uiterlijk zes maanden na betekening van het vonnis. Het straatverbod is eveneens met zes maanden verlengd. In hoger beroep heeft dit hof bij arrest van 25 juli 2017, voor zover thans van belang, het vonnis van 21 februari 2017 vernietigd voor zover de man daarbij is veroordeeld tot medewerking aan de overdracht van de woning en de vrouw is gemachtigd tot het te gelde maken van die woning en de vordering van de man in reconventie tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis is afgewezen. Het hof heeft de vorderingen van de vrouw tot medewerking van de man aan de overdracht van de woning en de machtiging van de vrouw tot het te gelde maken van de woning alsnog afgewezen en de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in het bestreden vonnis voor zover daarbij is bepaald dat het woonhuis aan het [adres 1] te [B] wordt toegescheiden aan de vrouw alsnog toegewezen. Voor het overige is het vonnis van 21 februari 2017 bekrachtigd.

3 Beoordeling

3.1

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de verdeling van de tussen partijen bestaand hebbende eenvoudige gemeenschap vastgesteld en daarbij, voor zover thans van belang:

- bepaald dat de woning wordt toegescheiden aan de vrouw;

- bepaald dat de vrouw uit overbedeling ter zake de woning aan de man een bedrag van € 174.550,- moet betalen;

- bepaald dat de vrouw uit hoofde van verrekening in de zin van artikel 3 lid 4 van de overeenkomst aan de man een bedrag van € 82.417,32 moet betalen;

- bepaald dat de paarden door een deskundige getaxeerd worden en partijen de kosten voor de taxatie bij helfte moeten delen, waarna de paarden aan de vrouw worden toegescheiden tegen de helft van de taxatiewaarde;

- bepaald dat de resultante van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2013, 2014 en 2015 bij helfte verdeeld worden, in die zin dat een teruggave bij helfte verdeeld wordt en een (na)heffing bij helfte gedragen wordt door partijen.

De vorderingen van de man tot toedeling van (het aandeel van de vrouw in) de woning aan hem, tot het afleggen van rekening en verantwoording van de stallingopbrengsten in de schuur bij de woning en de schuur aan het [adres 2] en tot betaling door de vrouw aan hem van de helft van de opbrengsten van de caravanstalling in de schuur bij de woning, zijn afgewezen.

Tevens is de vordering van de vrouw tot verdeling van de polis bij Allianz met nummer [1] afgewezen.

3.2

De man heeft acht grieven (genummerd I tot en met VIII) aangevoerd tegen het bestreden vonnis, de vrouw drie grieven (genummerd 1 tot en met 3). Het hof zal de grieven hierna bespreken, waar mogelijk gezamenlijk.

3.3

Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de paarden, in die zin dat deze worden toegedeeld aan de vrouw zonder vergoeding van de waarde. De vrouw zal de taxatiekosten en kosten van verzorging van de paarden voor haar rekening nemen. Partijen hebben daarbij nadrukkelijk afgesproken dat de paarden bestemd zijn voor de kinderen. Mocht de vrouw de paarden in de toekomst verkopen, dan zal de verkoopopbrengst voor de kinderen zijn. In verband met deze overeenstemming behoeft de zevende grief van de man geen bespreking meer.

De woning

3.4

De grieven I tot en met V van de man en grief 3 van de vrouw zien op de woning. In zijn eerste grief voert de man aan dat partijen niet zijn overeengekomen dat als peildatum voor de waarde van de woning 2 juli 2015 geldt. Artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst ziet slechts op het bepalen van de omvang van het gezamenlijk vermogen en niet op de waarde daarvan. Nu partijen inmiddels twee jaar verder zijn en geen feitelijke verdeling heeft plaatsgevonden, moet volgens de man voor de waarde van de woning uitgegaan worden van de waarde die zo dicht mogelijk ligt bij het moment van de feitelijke verdeling.

De vrouw is van mening dat uit het proces-verbaal van de zitting van 31 maart 2016 blijkt dat partijen de datum van 2 juli 2015 voor de waardebepaling zijn overeengekomen. Zou dat niet het geval zijn, dan moet op grond van redelijkheid en billijkheid van die datum worden uitgegaan. Zij voert hiertoe aan dat zij reeds in maart 2016 het aandeel van de man in de woning wilde en kon overnemen onder uitbetaling van de overwaarde aan de man. De man onthoudt echter zijn medewerking aan de overdracht van zijn aandeel aan de vrouw. De man zou ten gevolge van marktontwikkeling wellicht een hoger bedrag uitbetaald krijgen, waardoor de weigerachtige houding van de man om mee te werken aan de overdracht wordt beloond. De vrouw acht dit in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

3.5

Het hof oordeelt hierover als volgt.

In eerste aanleg heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de woning aan hem moet worden toegedeeld tegen de waarde van € 675.000,- (exclusief aanbouw, zoals hierna wordt overwogen) zoals bepaald in het taxatierapport van 3 juni 2015. Ook de vrouw stelt zich in haar conclusie van antwoord op het standpunt dat partijen het eens zijn dat de waarde van de woning € 675.000,- bedraagt. Dit is de waarde van de woning kort voor de peildatum 2 juli 2015. Gelet hierop, in samenhang bezien met de vaststelling van de eerste rechter in het bestreden vonnis dat partijen het erover eens zijn dat 2 juli 2015 heeft te gelden als de peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen en/of verrekening, kan naar het oordeel van het hof het proces-verbaal waarin staat vermeld dat de vrouw instemt met de peildatum van 2 juli 2015 niet anders worden begrepen dan dat partijen het ter zitting in eerste aanleg eens waren dat (ook) de peildatum voor de waardering van de woning 2 juli 2015 zou zijn. Voor dit oordeel is mede van belang dat partijen in eerste aanleg geen andersluidende stellingen over de peildatum voor de waardering hebben betrokken. Dat de overeenstemming voorwaardelijk was, is voorts gesteld noch gebleken. Nu ook overigens geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die meebrengen dat de man niet aan de overeenstemming is gehouden, zal ook het hof van de peildatum van 2 juli 2015 voor de waardering uitgaan. Weliswaar is inmiddels twee jaar verstreken en is sprake (geweest) van een aantrekkende huizenmarkt, maar omdat de vertraging mede aan het handelen van de man is te wijten is daarin geen grond gelegen niet van deze peildatum uit te gaan. Het voorgaande brengt mee dat het antwoord op de vraag op welke wijze het bepaalde in artikel 6, lid 4 van de samenlevingsovereenkomst moet worden begrepen, in het midden kan blijven. De grief van de man faalt.

3.6

In zijn tweede grief komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat voor de waarde van de woning uitgegaan kan worden van de taxatie van makelaar J.P. Couthinho van 3 juni 2015 en dat de waarde van de aanbouw waarin zich de garnalenpellerij bevindt, € 5.000,- is. Weliswaar hebben partijen, zo stelt de man, een gezamenlijke opdracht voor de taxatie gegeven, maar daarbij is niet door partijen afgesproken dat deze taxatie bindend zou zijn in het kader van de verdeling. Uit het taxatierapport blijkt dat de aanbouw van de pellerij niet in de taxatie is meegenomen. Deze is meer waard dan € 5.000,-.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank van juiste waardes is uitgegaan.

3.7

Nu de taxatie van kort voor de peildatum dateert, partijen gezamenlijk opdracht hebben gegeven voor de taxatie en de man niet heeft onderbouwd waarom de door de makelaar getaxeerde waarde niet juist zou zijn, is het hof van oordeel dat deze taxatie als uitgangpunt heeft te dienen voor de verdeling. Wel blijkt uit het taxatierapport dat de aanbouw waarin voorheen de garnalenpellerij werd uitgeoefend niet in de taxatie is meegenomen. Hoewel de vrouw heeft aangevoerd dat de makelaar haar heeft verteld dat de waarde van de aanbouw € 5.000,- bedraagt, heeft zij deze – door de man betwiste – waarde niet onderbouwd. Het hof zal daarom makelaar M. Heemskerk van Jongewaard Heemskerk NVM Makelaars te Den Helder als deskundige benoemen om de waarde vast te stellen. Daarbij dient de makelaar uit te gaan van de waarde op dezelfde datum als waarop het overige gedeelte van de onroerende zaak is getaxeerd (26 mei 2015).

Het hof is voornemens de makelaar de volgende vragen te stellen:

1. Wat is de onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak, zoals omschreven in het taxatierapport van [Z] Vastgoed B.V. van 3 juni 2015 onder “Object” op pagina 1 per 26 mei 2015 met inbegrip van de in het rapport als “werkruimte ten behoeve van de garnalenpellerij” aangeduide aanbouw? U dient deze aanbouw niet als aparte bedrijfsruimte te taxeren, maar als een onderdeel van de overige onroerende zaak (vervat in één eindwaarde), een en ander overeenkomstig de vigerende bestemming;
2. Geeft het onderzoek u aanleiding tot verdere opmerkingen? Zo ja, tot welke?

Grief 2 slaagt in zoverre.

3.8

De grieven III tot en met V komen er in de kern op neer dat de rechtbank ten onrechte de woning heeft toegedeeld aan de vrouw.

Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte betekenis toegekend aan het voorkeursrecht dat in de samenlevingsovereenkomst is opgenomen. Het voorkeursrecht is in het belang van de vader van de vrouw opgenomen, die eigenaar was van de grond waarop de woning is gebouwd. Met de interne verhouding tussen partijen had het niets van doen. De ratio is aan dit voorkeursrecht in 2005 komen te ontvallen omdat partijen toen zelf eigenaar werden van de grond waarop de woning staat. Bovendien bestaat het voorkeursrecht niet meer omdat de vrouw niet tijdig ervoor heeft gezorgd dat de notariële levering heeft plaatsgevonden. Voor zover het voorkeursrecht nog wel zou gelden, geldt het niet voor de in 2005 aangekochte onroerende zaken, nu dit ten aanzien van die zaken niet uitdrukkelijk is overeengekomen. De man acht het niet redelijk en billijk om de omstandigheid dat de kinderen bij de vrouw hun hoofdverblijf hebben, een rol te laten spelen, nu hij op last van de voorzieningenrechter de woning heeft moeten verlaten. De man heeft voorts belang bij toedeling van de woning aan hem, omdat hij de garnalenpellerij moet uitbaten. In de pellerij is € 200.000,- geïnvesteerd en de machines en apparatuur kunnen niet gemakkelijk worden verplaatst. Bovendien moet de man de caravanstalling op het terrein gaan uitbaten om zijn inkomen aan te vullen.

Doordat de rechtbank de woning die is gerealiseerd in 2001 en de in 2005 verworven zaken gezamenlijk heeft aangeduid als de woning cum annexis, is onduidelijkheid ontstaan. In de samenlevingsovereenkomst wordt ook deze omschrijving gebruikt, maar deze had toen alleen betrekking op de woning, niet de ondergrond en de belendende percelen met bebouwing. Een eventueel voorkeursrecht kan daarom geen betrekking hebben op de in 2005 aangekochte onroerende zaken. Ook deze onduidelijkheid moet er volgens de man toe leiden tot het voorkeursrecht in 2005 is komen te vervallen. De man voert ten slotte aan dat de vrouw niet in staat is de onroerende zaken over te nemen. Zij heeft dit niet onderbouwd. De man gaat ervan uit dat de vrouw samen met haar partner de woning wil overnemen, dan wel dat haar partner voor de financiering zorgt. Hiertegen heeft de man bezwaar. Voor zover het voorkeursrecht nog bestaat, geldt dit niet voor de partner van de vrouw. Als de vrouw niet zelf in staat is de toedeling te financieren, terwijl de man daartoe wel in staat is, moet de onroerende zaken aan de man worden toegedeeld.

3.9

De vrouw betwist dat het voorkeursrecht in het belang van haar vader is opgenomen. Het was de bedoeling van partijen zelf. Hieraan lagen emotionele redenen ten grondslag. Nu de man tijdens het kort geding (naar het hof begrijpt: dat heeft geleid tot het vonnis van 11 augustus 2015) heeft erkend dat het voorkeursrecht bestond en sprake is van een gerechtelijke erkentenis, kan hij daarop in deze procedure niet terugkomen. In dit kort geding vonnis is niet bepaald dat het voorkeursrecht zou komen te vervallen als de notariële levering niet binnen één maand nadat de vrouw had gemeld van dit recht gebruik te willen maken, zou plaatsvinden. Bovendien was het aan de man te wijten dat de notariële levering niet heeft plaatsgevonden. Verder voert de vrouw aan dat ook als het voorkeursrecht niet meer zou bestaan, een belangenafweging er toe moet leiden dat de onroerende zaken aan haar moeten worden toegedeeld, nu zij al geruime tijd met de kinderen in de woning woont en geen zicht heeft op andere woonruimte. Zij betwist dat de man € 200.000,- in de garnalenpellerij heeft geïnvesteerd of dat de daarin staande machines niet te verplaatsen zijn. Evenzeer betwist de vrouw dat de man de caravanstalling op de woning moet gaan uitbaten, nu de vrouw deze exploiteert en de man de caravanstalling aan het [adres 2] te [A] .

Het gebruik van de woorden “woning cum annexis” is door de rechtbank duidelijk omschreven en zorgt niet voor verwarring. Het voorkeursrecht moet ook de in 2005 gekochte onroerende zaken geacht worden te omvatten. Als partijen andere afspraken hadden willen maken, had het in de lijn der verwachting gelegen dat zij in 2005 de samenlevingsovereenkomst hadden aangepast of dat in de samenlevingsovereenkomst zou zijn opgenomen dat dit alleen voor het woonhuis gold.

De vrouw is in staat de onroerende zaak te herfinancieren. Daarbij is niet relevant hoe en op welke wijze zij dit doet. Zij heeft niet de intentie het aandeel van de man in de woning aan haar partner over te dragen.

3.10

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de woning aan de vrouw moeten worden toegedeeld. Het hof stelt daarbij voorop dat partijen in de samenlevingsovereenkomst een uitdrukkelijke bepaling hebben opgenomen dat bij beëindiging van de samenwoning aan de vrouw het eerste recht op overname toekomt. Dat dit recht in het belang van de vader van de vrouw zou zijn opgenomen en daarom zou zijn vervallen toen partijen de ondergrond van de woning kochten, heeft de man, gelet op de betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Daarbij geldt dat zelfs wanneer geoordeeld zou moeten worden dat dit voorkeursrecht zich niet uitstrekt tot de in 2005 aangekochte onroerende zaken, de afspraak blijft gelden dat de vrouw een voorkeursrecht ten aanzien van het woonhuis heeft. Redenen om in dat geval enkel de woning en niet de in 2005 aangekochte onroerende zaken aan de vrouw toe te delen, zijn gesteld noch gebleken. Het voorkeursrecht is niet vervallen doordat nog geen notariële levering heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 11 augustus 2015 slechts bepaald dat wanneer de vrouw niet binnen zes maanden na betekening van het vonnis schriftelijk aan de man zou hebben meegedeeld dat zij financieel in staat is gebruik te maken van haar voorkeursrecht tot koop van de woning, het voorkeursrecht zou komen te vervallen. Niet is bepaald dat het voorkeursrecht ook zou komen te vervallen wanneer de notariële levering niet vervolgens binnen één maand na dat bericht had plaatsgevonden. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdig aan de man kenbaar heeft gemaakt dat zij gebruik maakt van haar voorkeursrecht.

Ook een belangenafweging valt in het voordeel van de vrouw uit. Niet alleen is het woonhuis gebouwd op grond van haar familie, ook hebben de vier kinderen van partijen hun hoofdverblijf bij de vrouw en verblijven zij het merendeel van de tijd bij haar. Dat het hoofdverblijf van de kinderen aan de vrouw enkel is toegewezen omdat zij voorlopig het uitsluitend gebruik van de woning had, heeft de man niet aannemelijk gemaakt. De belangen van de vrouw wegen zwaarder dan die van de man bij herstart van de garnalenpellerij. Gelet op het verweer van de vrouw heeft de man onvoldoende onderbouwd dat hij deze niet op een andere plek kan uitoefenen. Nu de man reeds een caravanstalling in [A] exploiteert, is ook zijn belang bij de exploitatie van de caravanstalling bij woning niet zodanig dat deze groter is dan het belang van de vrouw.

De vrouw heeft met de verklaring van de notaris dat er een bedrag van € 174.550,- in depot staat en de verklaring van Obvion dat zij een hypothecaire geldlening kan krijgen en de man zal worden ontslagen uit het hoofdelijk schuldenaarschap van de bestaande hypothecaire geldlening, voldoende onderbouwd dat zij het aandeel van de man in de woning kan overnemen. Dat zij voor de financiering hulp van haar partner nodig heeft, maakt niet dat de woning niet aan haar toegedeeld zou mogen worden.

De grieven III tot en met V falen.

3.11

De vrouw komt in haar derde grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij de man een bedrag van € 82.417,32 moet voldoen op grond van het vergoedingsrecht dat in artikel 3 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst is opgenomen. Daarbij heeft de rechtbank volgens de vrouw ten onrechte een verband aangenomen tussen de omstandigheid dat de man ten tijde van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst al het merendeel van de investeringen uit eigen vermogen had voldaan en het eerste recht van de vrouw op (naar het hof begrijpt) overname van de woning. Nu de samenlevingsovereenkomst op 3 mei 2002 is gesloten, is het vergoedingsrecht met ingang van die datum van kracht geworden en geeft het geen recht op vergoedingen van voor die datum. Het recht van eerste koop staat volgens de vrouw los van de investeringen, maar is het gevolg van het feit dat de grond en de schuur eigendom waren van haar vader. De vrouw kan zich evenmin vinden in het oordeel van de rechtbank dat de aanschaf van de bij de woning behorende grond en schuur in 2005 onder de reikwijdte van artikel 3 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst valt gelet op de aanname van de vrouw dat het voorkeursrecht ook de in 2005 verworven onroerende zaken betreft. Artikel 3 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst spreekt alleen over een door partijen gezamenlijk te bewonen woning en/of door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning. Daarvan is bij de schuur geen sprake. Ten slotte is de vrouw van mening dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de man meer heeft ingebracht dan de vrouw. Zij heeft ook betalingen op de gemeenschappelijke bankrekening voldaan. Omdat de man over de bankafschriften uit de periode 2001 en 2002 beschikt, dient hij deze over te leggen.

De man betwist dat het vergoedingsrecht alleen ziet op investeringen gedaan na 3 mei 2002. Partijen hebben eerst de gezamenlijke woning gebouwd en zijn daarna de zaken gaan regelen bij de notaris. Omdat de vrouw tijdens de zwangerschap van de oudste dochter voortdurend ziek en misselijk was en partijen naast de bouw van de woning nergens anders aan toe kwamen, is dat niet voor 3 mei 2002 gelukt. Partijen hadden allebei uit eigen vermogen gelden geïnvesteerd in de woning en wilden regelen dat bij een einde van hun relatie ieder de eigen investering terug zou krijgen. Voor de man klemde dit des te meer omdat de vrouw een eerste recht van koop had. Zonder de bepaling van artikel 3 lid 4 zou de man in dat geval de woning noch zijn investering terugontvangen. Gezien het feit dat partijen net een woning hadden gebouwd is niet logisch dat de bepaling alleen voor een nieuwe woning zou gelden. Verder is in 2005 niet alleen een schuur en grond gekocht, maar ook de grond bij en onder de woning. Deze valt in elk geval onder de strekking van de bepaling en de bedoelingen van partijen. De man betwist dat uit zijn stukken niet zou blijken dat hij meer heeft ingebracht dan de vrouw of dat hij over de bankafschriften van de gezamenlijke rekening over 2001 en 2002 beschikt.

3.12

Het hof overweegt als volgt. Hoewel de vrouw kan worden toegegeven dat de tekst van artikel 3 lid 4 niet geheel duidelijk is, is het hof van oordeel, mede gelet op de door de man geschetste gang van zaken die door de vrouw niet is betwist, dat het vergoedingsrecht ziet op alle investeringen die één van partijen uit eigen vermogen heeft geïnvesteerd in de woning en daarmee ook op de investeringen die voor het sluiten van de samenlevingsovereenkomst hebben plaatsgevonden. Het gevolg van de door de vrouw ingenomen stelling zou zijn dat de man zonder deugdelijke grondslag een aanzienlijk groter bedrag voor de aanschaf en bouw van de woning zou investeren zonder zicht op terugbetaling. Een dergelijke grondslag kan niet worden gevonden in de omstandigheid dat de onderliggende grond van de woning eigendom van de vader van de vrouw was; partijen hebben deze grond immers in 2005 alsnog gekocht. Dat deze grond goedkoop is aangeschaft, zoals door de vrouw ter zitting in hoger beroep is aangevoerd, heeft zij onvoldoende onderbouwd.

Het hof acht verder, net als de rechtbank, ook van belang het verband tussen artikel 3 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst en het aan de vrouw toekomende eerste recht op overname van de woning.

Evenmin volgt het hof de vrouw in haar stelling dat het vergoedingsrecht niet op de in 2005 aangekochte schuur en grond ziet, nu er, net zo min als bij het voorkeursrecht van de vrouw, geen aanleiding is onderscheid te maken tussen de woning en de aan deze woning grenzende grond met schuur. Gelet op de betwisting door de man heeft de vrouw ten slotte onvoldoende onderbouwd dat uit de door de man overgelegde stukken niet blijkt dat hij meer heeft ingebracht dan de vrouw. Het enkele feit dat zij betalingen op de gezamenlijke bankrekening heeft gedaan is daarvoor onvoldoende. De grief van de vrouw faalt.

Belastingaanslagen en teruggaven

3.13

Grief VI van de man ziet op de afwikkeling van de belastingaanslagen en

-teruggaven over de jaren 2013 tot en met 2015. De man is van mening dat inmiddels voldoende duidelijk is wat ieder van partijen heeft moeten nabetalen of heeft terug ontvangen. Per saldo heeft de man een vordering op de vrouw van € 14.397,50, welke vordering de man ter zitting heeft vermeerderd tot een bedrag van € 15.129,- naar aanleiding van de onlangs ontvangen definitieve aanslag over 2015. De vrouw betwist de door de man genoemde bedragen en heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis.

3.14

Het hof acht de vermeerdering van eis niet in strijd met de goede procesorde en staat deze toe. De vermeerdering van eis ziet slechts op het verschil in de te betalen belasting volgens de voorlopige en de definitieve aanslag over 2015, welk verschil eenvoudig te zien is. De definitieve aanslag is bovendien voor de zitting door de man overgelegd.

De man heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat hij over 2013 € 10.922,- heeft moeten betalen. Nu dit bedrag lager is dan het bedrag dat de vrouw in haar memorie van antwoord heeft genoemd, zal het hof van het door de man genoemde bedrag uitgaan. Gelet op het moment waarop de aanslag is opgelegd, is de man belastingrente verschuldigd, zodat het hof daarmee rekening zal houden. De vrouw heeft over 2013 een teruggave van € 781,- ontvangen. Ter zitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat zij deze na het uiteengaan van partijen heeft ontvangen. Het hof zal de teruggave dan ook tussen partijen verdelen.

Wat betreft 2014 volgt uit producties 45 en 56 aan de zijde van de man dat hij (inclusief de verschuldigde belastingrente) een aanslag heeft ontvangen van € 9.896,- na het uiteengaan van partijen. De vrouw is van mening dat van dit bedrag de voorlopige teruggave van € 4.501,- moet worden afgetrokken. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat voor zover hij weet, de teruggave op de rekening van zijn bedrijf werd betaald. Het had op de weg van de man gelegen aan te tonen dat deze teruggave aan partijen ten goede is gekomen. Nu hij dat heeft nagelaten, brengt het hof de voorlopige teruggave in mindering op de definitieve aanslag en zal het rekening houden met een bedrag van € 5.395,-. De vrouw heeft over 2014 een teruggave van € 891,- ontvangen.

Over 2015 heeft de man (inclusief belastingrente) per saldo € 7.447,- betaald. Daarbij is rekening gehouden met een voorlopige teruggave van € 4.830,-. Ook hier geldt dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de voorlopige teruggave aan partijen ten goede is gekomen, zodat het hof rekening zal houden met een bedrag van € 2.617,-. De vrouw heeft een teruggave van € 321,- ontvangen.

Over de jaren 2013 tot en met 2015 heeft de man derhalve een bedrag van (€ 10.922,- + € 5.395,- + € 2.617,- =) € 18.934,- betaald en de vrouw een bedrag van € 1.993,- ontvangen. Per saldo dient de vrouw aan de man een bedrag van € 10.463,50 te betalen. Het hof zal de vrouw hiertoe veroordelen. In zoverre slaagt grief VI.

Stallingsopbrengsten

3.15

Met zijn achtste grief komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat de stallingsopbrengsten van de schuur aan het [adres 1] alleen aan de vrouw toekomen. De man voert aan dat ten onrechte een verband is aangekomen tussen het verrichten van werkzaamheden en het recht op de opbrengst omdat er nauwelijks werkzaamheden verrichten hoeven te worden. Gelet op het feit dat de schuur gezamenlijk eigendom is van partijen, moeten de opbrengsten worden gedeeld.

De vrouw betwist dat er nauwelijks werkzaamheden worden verricht. Zij onderhoudt de contacten, haalt de caravans uit de schuur en zet deze er weer in en reserveert en houdt bij wie de caravan nodig heeft.

3.16

Ter zitting in hoger beroep hebben beide partijen verklaard dat werkzaamheden moeten worden verricht voor de stalling van de caravans. Hoewel partijen van mening verschillen over de frequentie van deze werkzaamheden, is niet (langer) in geschil dat deze door de vrouw zijn verricht. Nu zonder deze werkzaamheden geen inkomsten worden verkregen, is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de opbrengsten na 2 juli 2015 niet aan de man maar aan de vrouw toekomen. In zoverre faalt de grief.

De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording door de vrouw voor wat betreft de stallingsopbrengsten van de schuur aan het [adres 2] in [A] ingetrokken, zodat het hof hierover niet meer hoeft te beslissen.

Hypotheekrente en gebruiksvergoeding

3.17

De man vordert na vermeerdering van eis een vergoeding van de door hem betaalde hypotheekrente over de maanden februari 2016 tot en met augustus 2016, zijnde een bedrag van in totaal € 2.155,37. Ter zitting heeft de man dit bedrag verminderd tot € 1.250,11 in verband met de door hem genoten hypotheekrente aftrek. De man voert aan dat hij, hoewel er geen rechtsgrond was voor betaling van de hypotheekrente vanaf het moment dat hij niet meer in de woning woonde, bereid was gedurende zes maanden de helft van de rentelasten te betalen. Per ongeluk heeft hij echter zeven maanden langer betaald, welk bedrag hij terugvordert. Daarnaast vordert de man een redelijke gebruiksvergoeding van € 388,- per maand vanaf augustus 2015, welke vergoeding hij baseert op artikel 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst.

3.18

De vrouw betwist dat de man zonder rechtsgrond heeft betaald, aangezien partijen samen schuldenaar zijn van de hypothecaire geldlening. Ook op grond van artikel 3:166 lid 2 en 3:172 BW dient de man naar evenredigheid van zijn aandeel bij te dragen. Verder betwist de vrouw de hoogte van het gevorderde bedrag. Zij wijst erop dat de man een bruto bedrag vordert, terwijl hij een teruggave (naar het hof begrijpt: van de belastingdienst) heeft ontvangen.

De vrouw betwist eveneens dat de man een gebruiksvergoeding toekomt. De man heeft geen enkele vergoeding betaald in de periode dat hij het alleengebruik van de woning had. Bovendien had hij al lang over vermogen kunnen beschikken als hij had meegewerkt aan de overdracht van (naar het hof begrijpt: zijn aandeel in) de woning. Tot slot betwist de vrouw de hoogte van de gevorderde vergoeding en de ingangsdatum.

3.19

Nu partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de woning, ieder voor de onverdeelde helft, en tevens hoofdelijk schuldenaar zijn van de hypothecaire geldlening, is het hof van oordeel dat de man, gelet op het bepaalde in artikel 3:172 BW, in beginsel gehouden is voor de helft bij te dragen in de hypotheekrente. Dit zou anders kunnen zijn wanneer partijen anders zijn overeengekomen of wanneer de rechter anders heeft bepaald. Dat partijen nadere afspraken hebben gemaakt, is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat de man slechts bereid was gedurende zes maanden nog een bijdrage te betalen, maar niet langer, maakt dit niet anders. Evenmin is sprake van een beslissing van een rechter op dit punt. Het hof zal de vordering van de man ter zake de hypotheekrente dan ook afwijzen.

Wat betreft de gebruiksvergoeding bepaalt de samenlevingsovereenkomst in artikel 7 lid 4 dat de partij die in de woning woont terwijl deze toebehoort aan beide partijen, aan de ander een redelijke vergoeding dient te betalen. De man heeft in hoger beroep voor het eerst aanspraak gemaakt op een gebruiksvergoeding. Hoewel de man in de procedure in eerste aanleg zijn rechten heeft voorbehouden op een gebruiksvergoeding, behoefde de vrouw naar het oordeel van het hof geen rekening te houden met een verplichting tot betaling daartoe met terugwerkende kracht. Beoordeeld dient derhalve te worden wat een redelijke vergoeding is vanaf het moment dat de man zijn vordering heeft ingediend, derhalve de datum van indiening van de memorie van grieven (zijnde 27 juni 2017). Gebleken is dat de vrouw inmiddels – in ieder geval sinds augustus 2016 – alle kosten van de woning, waaronder de volledige hypotheekrente, betaalt. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is een vergoeding vast te stellen. Het hof zal dan ook de vordering van de man afwijzen.

Kosten energie en water

3.20

De man heeft daarnaast een vergoeding van de door hem betaalde kosten voor water en stroom gevorderd. Het betreft een bedrag van € 618,02 aan water en (na een ter zitting gedane vermindering van eis) € 2.558,15 aan stroom. Hij stelt zich op het standpunt dat de vrouw deze kosten dient te betalen, nu het gebruikerslasten betreft en de vrouw deze voor haar rekening neemt.

3.21

De vrouw wijst erop dat de nota’s niet door de man, maar door zijn BV zijn betaald. Voor zover al sprake zou zijn van een vordering op haar, dient deze door de BV te worden ingesteld. Zij wijst er verder op dat de facturen het stroomverbruik van het noodgebouw betreffen waarin een vriescel stond, die evenals de machines eigendom is van de vennootschap van de man.

3.22

De man heeft als productie 59 een akte van cessie overgelegd, waarin de vennootschap van de man de vorderingen uit hoofde van de door de vennootschap betaalde facturen op de vrouw aan de man heeft gecedeerd. De man kan dan ook in zijn vordering worden ontvangen. Gelet op het feit dat het hier gebruikslasten betreft, is het hof van oordeel dat deze voor rekening van de vrouw dienen te komen. Dat de kosten (deels) zien op het stroom- en waterverbruik in de aanbouw waarin voorheen de garnalenpellerij werd uitgeoefend, doet daar niet aan af. De vrouw heeft de hoogte van de gevorderde bedragen niet betwist. Het hof zal de vrouw dan ook veroordelen tot betaling van een bedrag van € 618,02 ter zake van de factuur voor het water en € 2.558,15 ter zake van de factuur voor de stroom.

Polis Allianz

3.23

In haar eerste grief in incidenteel appel voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte de polis, afgesloten bij Allianz met polisnummer [1] , buiten de verdeling heeft gelaten. De polis is indertijd afgesloten door de man en was verbonden aan de hypothecaire geldlening die op zijn woning rustte. Na verkoop van die woning is de polis echter voortgezet en deze is thans gekoppeld aan de hypothecaire geldlening van partijen die thans op de woning aan het [adres 1] rust. De premie werd bovendien via de gezamenlijke rekening van partijen voldaan, aldus de vrouw.

3.24

De man betwist dat de polis gezamenlijk eigendom is. De polis staat op zijn naam en hij heeft de premie betaald. De omstandigheid dat de polis is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening zegt niets over de vraag wie recht heeft op de waarde uit de polis. Artikel 1 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst bepaalt dat het feit van het samenleven noch het bestaan van de overeenkomst, één van partijen enig recht geeft op goederen die door de andere partij zijn verkregen. Voor zover de premie vanaf de gemeenschappelijke rekening is betaald, wijst de man erop dat op grond van de samenlevingsovereenkomst partijen naar rato van ieders inkomen de huishoudelijke kosten moesten dragen. Een berekening naar rato en storting van inkomen naar rato heeft echter nooit plaatsgevonden. De man stortte zijn volledige inkomen op de en/of rekening. Uit het gedeelte dat de man meer heeft betaald dan zijn aandeel, heeft hij de premies betaald.

3.25

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de polis door de man is afgesloten en hij als enig verzekeringnemer op de polis staat vermeld. Hieruit volgt dat de man enig eigenaar is van de polis. Gelet op artikel 1 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst is deze geen gemeenschappelijk eigendom geworden toen partijen deze overeenkomst sloten. De omstandigheid dat de premies op enig moment van de gemeenschappelijke rekening zijn voldaan, zou aanleiding kunnen zijn voor een vergoedingsrecht, maar brengt niet mee dat de polis hierdoor gemeenschappelijk eigendom van partijen is geworden. De grief van de vrouw faalt.

Auto

3.26

De vrouw heeft ter zitting haar vordering te bepalen dat de auto aan haar wordt toegedeeld tegen een waarde van € 3.500,- ingetrokken. Wel vordert zij, zo begrijpt het hof, te bepalen dat de man haar de helft van de verkoopwaarde van de auto moet voldoen, zijnde een bedrag van € 1.750,-. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de man dit bedrag aan de vrouw moet betalen, zal het hof deze vordering toewijzen.

Conclusie

3.27

De slotsom is dat de grieven II en VI van de man deels slagen. De overige grieven falen. Daarnaast zal het hof bij eindvonnis de (verminderde) vordering ten aanzien van de kosten voor energie en water toewijzen. De grieven 1 en 3 van de vrouw falen, grief 2 slaagt deels.

3.28

Ter bepaling van de waarde van de aanbouw waarin voorheen de garnalenpellerij werd uitgeoefend dient een deskundige te worden benoemd. Het hof zal dan ook een deskundigenonderzoek bevelen naar de hieronder te vermelden vragen en zal de hieronder te noemen persoon daartoe tot deskundige benoemen. Gelet op de van de deskundige verkregen begroting wordt het voorschot voor zijn kosten voorshands bepaald op € 1.815,- (inclusief BTW). Deze beslissingen, waaronder de aan de deskundige te stellen vragen, worden definitief indien partijen niet uiterlijk op de rolzitting van 2 oktober 2018 daartegen schriftelijk bezwaar hebben gemaakt dan wel aanvullende vragen voor de deskundige hebben geformuleerd, in welk geval het hof nader zal beslissen. Het door de deskundige te berekenen voorschot op zijn kosten zal door partijen ieder bij helfte dienen te worden voldaan. Aangezien aan de vrouw een toevoeging is verleend, zal haar deel van het voorschot echter voorshands door de griffier worden betaald. Bij eindarrest zal worden beslist wie van partijen deze kosten zal dienen te dragen.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de navolgende vragen:

1. Wat is de onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak, zoals omschreven in het taxatierapport van [Z] Vastgoed B.V. van 3 juni 2015 onder “Object” op pagina 1 per 26 mei 2015 met inbegrip van de in het rapport als “werkruimte ten behoeve van de garnalenpellerij” aangeduide aanbouw? U dient deze aanbouw niet als aparte bedrijfsruimte te taxeren, maar als een onderdeel van de overige onroerende zaak (vervat in één eindwaarde), een en ander overeenkomstig de vigerende bestemming;
2. Geeft het onderzoek u aanleiding tot verdere opmerkingen? Zo ja, tot welke?

benoemt voor het geval geen van partijen uiterlijk op de rolzitting van 2 oktober 2018 heeft aangegeven zich hierover nog te willen uitlaten tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

De heer M. Heemskerk

Jongewaard Heemskerk NVM Makelaars

Middenweg 159 A
1782 BE Den Helder
T: 0223-612230

E: info@jongewaardheemskerk.nl

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat de vrouw vóór 16 oktober 2018 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundige zal doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;

wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig – in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundige te bepalen tijdstip;

bepaalt dat de deskundige Heemskerk een voorschot toekomt van € 1.815,- (inclusief BTW);

bepaalt dat de man een bedrag van € 907,50 vóór 16 oktober 2018, althans binnen twee weken na ontvangst van de na te noemen nota, als voorschot van de deskundige zullen voldoen;

bepaalt dat de man van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota met betaalinstructies zullen ontvangen;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen;

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 13 november 2018;

bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit bericht zijn declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van zaaknummer 200.212.986;

verwijst de zaak naar de rol van 13 november 2018 voor deskundigenbericht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, M.C. Schenkeveld en T.A.M. Tijhuis en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 september 2018.