Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3557

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
23-004392-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewezenverklaring belediging van een ambtenaar en mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004392-17

datum uitspraak: 3 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 december 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-009203-16 (A) en 13-211207-17 (B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

19 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 40 dagen hechtenis. Daarnaast heeft zij toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.301,85 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof bewijsoverwegingen en een overweging ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij toevoegt.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van zaak B

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het de verdachte onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte ontkent de woorden “kale knikker”, “kale kankerlijer’ en “wie denk je wel niet dat je bent, kankerlijer” te hebben gebezigd.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2017 heeft de verdachte in een discussie op straat een verbalisant de woorden “pannenkoek”, kale knikker”, “kale kankerlijer’ toegevoegd en tijdens het transport naar het bureau de woorden “wie denk je wel niet dat je bent, kankerlijer”. Hiertegenover staat de ontkenning van de verdachte. Volgens hem heeft hij niet meer gezegd dan: “Pannenkoek” en “wat een kankerzooi is dit”.

Er is onvoldoende reden om aan de juistheid van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal te twijfelen, ook al is dit (kennelijk abusievelijk) door één van de twee verbalisanten niet ondertekend. Mede gelet op het bepaalde in artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 tenlastegelegde belediging van een ambtenaar in functie.

Ten aanzien van zaak A

De raadsman heeft in hoger beroep tevens vrijspraak bepleit van het de verdachte onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de stukken in het dossier niet kan volgen dat de verdachte degene was die [naam 1] heeft geslagen.

Het hof verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Vast staat dat de verdachte en zijn toenmalige vriendin [naam 2] op 29 december 2015 op straat een heftige woordenwisseling hadden, waarbij de verdachte door zijn broer [naam 3] met beide armen om het middel werd vastgehouden. Weliswaar waren op straat meer mensen aanwezig, maar slechts één persoon heeft (naast de broer van de verdachte) handelend opgetreden, te weten [naam 1]. Hij heeft dit met een harde onverhoedse stomp in zijn gezicht moeten bekopen. [naam 1] heeft verklaard dat hij niet heeft gezien wie hem heeft geslagen, maar dat hij wel heeft gezien dat één van de twee mannen zijn armen om het middel van de andere man had. Dit leidt tot de conclusie dat het de verdachte moet zijn geweest die [naam 1] hard op diens mond heeft gestompt.

Overweging ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de toewijzing van een bedrag van € 500,00 (in plaats van de aanvankelijk gevorderde € 1.000,00) aan immateriële schade. Voorts heeft hij meegedeeld dat hij sinds het indienen van zijn vordering aanvullende (tandarts)kosten heeft gemaakt en dat zijn totale materiële kosten thans ongeveer € 1000,00 bedragen.

De advocaat-generaal heeft, gelet op de door de benadeelde partij gemaakte extra materiële kosten, gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij – in weerwil van het door de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële kosten gestelde – wordt toegewezen tot het oorspronkelijke gevorderde bedrag van € 1.301,85.

De raadsman heeft zich ter zake op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep haar vordering ten aanzien van de immateriële schade heeft beperkt tot € 500,00. Ten aanzien van de ‘extra’ materiële schade meent de raadsman dat nu in hoger beroep geen nieuwe schadeposten mogen worden opgevoerd, de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep op vragen van de voorzitter verklaard ter zake van immateriële schade thans nog een bedrag van € 500,00 te vorderen. Daarmee heeft de benadeelde partij de vordering op dit punt tot dat bedrag beperkt.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep haar vordering ter zake van materiële schade verhoogd tot

€ 1.000,00. Nu het rechtens niet is toegestaan om in hoger beroep de vordering met nieuwe schadeposten te vermeerderen, is aan materiële schade slechts het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 301,85 aan het oordeel van het hof onderworpen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. P.C. Römer, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 oktober 2018.

[…]