Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3552

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
23-004235-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis waarvan beroep; nadere overweging met betrekking tot incident voorafgaand aan ontuchtige handeling; strafmaatoverweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004235-17

datum uitspraak: 28 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-870042-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

18 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte van het aan hem primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:

- het in het vonnis onder 6.2 opgenomen oordeel van de rechtbank ten aanzien van de strafmaat aanvult met een nadere overweging;

- de hieronder genoemde door de rechtbank gebruikte weergave van de bewijsmiddelen aanpast;

- de zinnen ‘De rechtbank is van oordeel dat het onverhoeds grijpen in het kruis per definitie een ontuchtige handeling is. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen’ op pagina 2 uit het vonnis schrapt en vervangt door de navolgende overweging:

Het hof is van oordeel dat van een ontuchtige handeling als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht sprake is indien het een handeling betreft van seksuele aard die in strijd is met de nu geldende sociaal-ethische norm. Als niet gelijk uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handeling duidelijk naar voren komt dat deze een seksueel karakter draagt, komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn onder meer de verhouding tussen de betrokkenen en de context waarbinnen de handeling zich voltrok.

Aan het incident ging vooraf dat de verdachte – conciërge op de school waar het destijds 15-jarige slachtoffer leerling was – over de strakke broek die het slachtoffer aanhad opmerkte: “ik zie je lul er doorheen” of woorden van gelijke aard of strekking. Kort daarna betastte de verdachte het slachtoffer in diens schaamstreek. Gezien de voornoemde context kan daarbij naar het oordeel van het hof geen sprake zijn geweest van een onopzettelijke handeling waarbij het niet de bedoeling was de schaamstreek van het slachtoffer te raken. De verdachte kan in die context niet anders dan met een seksuele intentie het slachtoffer in de schaamstreek hebben betast. Daarmee is het bewijs voor een ontuchtige handeling gegeven.

Naar het oordeel van het hof levert reeds het onmiskenbaar onverhoedse karakter van dit grijpen in het kruis – anders dan ook de advocaat-generaal meent – de feitelijkheid op waardoor het slachtoffer is gedwongen de ontuchtige handeling te dulden.

Strafmaatoverweging

De verdachte en zijn raadsvrouw hebben ter terechtzitting in hoger beroep over de straf gezegd dat de bijzondere voorwaarden kunnen komen te vervallen, omdat de verdachte inmiddels vrijwillig een behandeling bij De Waag volgt.

Het hof is van oordeel dat uit hetgeen ter terechtzitting namens en door de verdachte naar voren is gebracht, blijkt dat een behandeling van de verdachte nog steeds wenselijk is. Het hof ziet – anders dan de advocaat-generaal – daarbij meerwaarde in een gedwongen kader. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden te wijzigen.

Aanpassing van de bewijsmiddelen

Het hof schrapt de onder bewijsmiddel ‘Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 18 april 2016 (dossierpagina 77)’, opgenomen zinsnede: “Ik heb hem met mijn hand een por in zijn kruis gegeven.”.

Het hof schrapt in het bewijsmiddel ‘Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 5 februari 2016 (dossierpagina 69, 70) het woord: ‘eigen’ in de laatste zin.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M.M. van der Nat en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool en D. de Jong, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 september 2018.

Mr. M.M. van der Nat en D. de Jong zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]