Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3519

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
17/00287
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:2745, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Belanghebbende is door handelwijze rechtbank niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank mocht de stukken in zijn beschouwing betrekken. Controle door middel van scanauto's is geen schending van artikel 8 EVRM op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 17/00287

23 januari 2018

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[naam] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr.drs. J.M.C. Niederer),

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AMS 16/2145 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar,

(mr. B. Brekveld).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan [X] B.V. op 16 januari 2016 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (hierna de Naheffingsaanslag) opgelegd.

1.2.

Nadat belanghebbende tegen de naheffingsaanslag bezwaar heeft gemaakt, heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 24 februari 2016, het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de Naheffingsaanslag vernietigd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 25 april 2017 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 26 mei 2017. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 25 december 2017 is bij de griffie van het Hof een nader stuk van belanghebbende ingekomen. Een afschrift hiervan is aan de heffingsambtenaar verstrekt.

1.6.

Op 9 januari 2018 heeft de heffingsambtenaar het Hof enige stukken toegezonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. B. Brekveld. Zonder bericht aan het Hof zijn belanghebbende noch zijn gemachtigde verschenen. Blijkens gegevens van PostNL – in te zien via het internet – is de naar de gemachtigde op 19 december 2017 per aangetekende post verzonden uitnodiging om op de zitting te verschijnen op 20 december 2017 bezorgd op het adres van de gemachtigde. Gemachtigde is aldus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd, zodat de zitting doorgang kon vinden.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Op naam van [X] B.V. stond in het kentekenregister een auto met het kenteken [kenteken 1] (hierna: de Auto) ingeschreven.

2.2.

Belanghebbende heeft de Auto op [datum] geparkeerd op de locatie [naam locatie] ter hoogte van nummer […] te [plaats] , een plaats waar ten tijde van het parkeren parkeerbelasting verschuldigd was.

2.3.

Belanghebbende heeft bij een automaat parkeerbelasting voldaan. Daartoe moest hij het kenteken van de Auto invoeren. Bij het intoetsen heeft belanghebbende een letter van het kenteken verkeerd ingevoerd. Het uitgegeven betaalbewijs met daarop het ingevoerde kenteken heeft belanghebbende achter de voorruit van de Auto gelegd.

2.4.

De gemeente controleert de voldoening van de verschuldigde parkeerbelasting met een zogenoemde scanauto, die ‘scans’ maakt van de kentekens van geparkeerde voertuigen. De gescande kentekens worden vergeleken met de kentekens van de auto’s waarvoor parkeerbelasting is voldaan. Nacontrole op de geparkeerde voertuigen waarvan het gescande nummer niet kan worden gekoppeld aan een verrichte betaling, vindt niet plaats.

2.5.

Vanwege het onjuist ingevoerde kenteken werd de betaling van belanghebbende niet gekoppeld aan de geparkeerde Auto. Daarom werd aan [X] B.V op 16 januari 2016 de Naheffingsaanslag opgelegd.

2.6.

Belanghebbendes gemachtigde - een professionele rechtsbijstandverlener - heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en een kopie van het in 2.3 genoemde betaalbewijs overgelegd. In zijn bezwaarschrift heeft hij verzocht om te worden gehoord.
Voorts heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase.

2.7.

Bij uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag vernietigd. Daarbij heeft de heffingsambtenaar geen kostenvergoeding toegekend. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende niet gehoord.

2.8.

Tot de gedingstukken behoort een op 15 maart 2017 gedagtekende brief (met bijlagen) van de heffingsambtenaar (hierna de 15-maart-stukken) aan de rechtbank waarin staat:

“Naar aanleiding van uw telefonisch verzoek zend ik u bijgaand:

- aanslaggegevens

- bezwaarschrift

- uitspraak op bezwaar

Wij vertrouwen erop u hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd.”

2.9.

De onder 2.8 vermelde ‘aanslaggegevens’ bestaan uit een print van de resultatennota waarop onder andere vermeld staat: de naam en het adres van degene aan wie de Naheffingsaanslag is opgelegd, het bedrag van de aanslag (€ 1,40), het bedrag van de in verband met de aanslagoplegging in rekening gebrachte kosten (€ 47,80), de dagtekening van de Naheffingsaanslag en het kenteken van de Auto.

2.10.

Een kopie van de 15-maart-stukken heeft de rechtbank op 16 maart 2017 naar belanghebbende gestuurd.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil:

1. of de rechtbank de 15-maart-stukken (als bedoeld in 2.8) in haar beschouwing had mogen betrekken;

2. of de heffingsambtenaar het horen van belanghebbende in de bezwaarfase achterwege had mogen laten;

3. of belanghebbende ex artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) recht heeft op vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten;

4. of de heffingsambtenaar gebruik mocht maken van de gegevens die aan de Naheffingsaanslag ten grondslag lagen.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen: (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“2. In de bestreden uitspraak heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. Verweerder heeft toegelicht dat is gebleken dat eiser per abuis het verkeerde kenteken [kenteken 2] in plaats van het kenteken [kenteken 1] heeft ingevoerd. Omdat er wel voldoende was betaald voor het parkeren heeft verweerder in dit specifieke geval besloten om de naheffingsaanslag in te trekken. De door eiser geclaimde kosten worden niet vergoed, omdat het stelsel van gemeentelijke belastingen hiervoor expliciet geen ruimte biedt. Er is geen sprake van een onrechtmatige overheidsdaad

3. Eiser voert aan dat verweerder op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan hem een proceskostenvergoeding in bezwaar dient toe te kennen. Eiser heeft het betaalbewijs op een van buitenaf duidelijk zichtbare plaats van het voertuig gelegd. Indien de parkeercontroleur zorgvuldig had gekeken, dan had hij dit kunnen waarnemen. De onrechtmatigheid van de naheffingsaanslag is daarmee gegeven. Omdat verweerder niet geheel is tegemoetgekomen aan het bezwaar, had niet van het horen mogen worden afgezien. Eiser had in de gelegenheid moeten worden gesteld om zich over de relevante feiten en omstandigheden uit te laten. Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet alle zaaksstukken aan hem heeft toegestuurd. Dit is in strijd met het beginsel van equality of arms en eiser verwijst hierbij tevens naar het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:114). Verder verwijst eiser ter onderbouwing van zijn stellingen naar een artikel van 19 april 2008 van mr. dr. L.M. Koenraad in de Gemeentestem over het afzien van het horen. Volgens eiser heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door aan hem een naheffingsaanslag op te leggen. Daarnaast is er geen wettelijke basis voor de manier waarop de heffingsambtenaar de benodigde gegevens heeft vergaard voor het opleggen van een naheffingsaanslag en was hij evenmin bevoegd. Er is daarom sprake van een inbreuk op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Awb op goede gronden van het horen is afgezien. Een niet ingewilligd verzoek om proceskosten doet daar niet aan af. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van 16 september 2005 van het gerechtshof Leeuwarden (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU2944). Daarnaast is verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 23 februari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:1107) van mening dat indien de naheffingsaanslag wordt vernietigd als gevolg van het abusievelijk invoeren van een verkeerd kenteken, de naheffingsaanslag niet wordt herroepen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit deze uitspraak volgt tevens dat eiser geen aanspraak kan maken op vergoeding van de door hem in de bezwaarfase gemaakte kosten.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder de naheffingsaanslag heeft vernietigd, omdat eiser abusievelijk een verkeerd kenteken heeft ingevoerd. De rechtbank is het met verweerder eens dat dit geen reden is om een proceskostenvergoeding toe te kennen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de eerder genoemde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam. In deze uitspraak heeft het gerechtshof, kort gezegd, bepaald dat de naheffingsaanslag niet is herroepen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Volgens het gerechtshof was het ten onrechte opleggen van de naheffingsaanslag te wijten aan de belanghebbende die abusievelijk een verkeerd kenteken heeft ingevoerd. Er is volgens het gerechtshof geen algemene rechtsregel die de heffingsambtenaar ertoe verplicht om een nader onderzoek in te stellen alvorens een naheffingsaanslag op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dus geen sprake van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. De heffingsambtenaar wist immers niet dat de parkeerbelasting was betaald. Daarnaast bestaat er geen algemene verplichting voor het doen van een onderzoek. De stelling van eiser dat verweerder dit wel had kunnen weten, omdat hij een betaalbewijs achter de voorruit heeft gedaan, is door eiser overigens niet onderbouwd. Hij heeft alleen een kopie van het betaalbewijs overgelegd, maar daaruit blijkt niet dat het ook ten tijde van de controle zichtbaar achter de voorruit heeft gelegen. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling voorbij. Omdat van onrechtmatigheid van de aanslag geen sprake is heeft verweerder op goede gronden geen aanleiding gezien voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in bezwaar.

6. Onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden is de rechtbank van oordeel dat verweerder ingevolge artikel 7:3, aanhef onder e, van de Awb op goede gronden heeft afgezien van het horen van eiser. Verweerder is immers volledig aan het bezwaar van eiser tegemoetgekomen. Dat verweerder geen proceskostenvergoeding heeft toegekend maakt daarbij niet uit. Het verzoek om toekenning van proceskosten is immers een afzonderlijk verzoek dat niet kan worden gezien als behorend tot het bezwaar tegen de naheffingsaanslag waarop de hoorplicht betrekking heeft.

7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder geheel tegemoet is gekomen aan het bezwaar van eiser. Om die reden was er voor verweerder ook geen aanleiding voor het toezenden van de stukken. Daarnaast kent de Awb niet de verplichting om alle stukken toe te zenden, maar uitsluitend de verplichting voor een bestuursorgaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. In artikel 7:4, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage legt. In het derde lid, van artikel 7:4 van de Awb is bepaald dat bij de oproeping voor het horen wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de stukken ter inzage hebben gelegen. Omdat van het horen is afgezien is eiser hier niet op gewezen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee in deze situatie niet in strijd met zijn verplichtingen heeft gehandeld. Daar komt bij dat van een professionele gemachtigde mag worden verwacht dat hij ervan op de hoogte is dat stukken ter inzage liggen. Indien gewenst had (de gemachtigde van) eiser hiervan gebruik kunnen maken. De rechtbank is niet gebleken dat (de gemachtigde van) eiser geprobeerd heeft om hiervan gebruik te maken of dat hij niet in staat was om hiervan gebruik te maken.

8. Ten aanzien van de gestelde inbreuk op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Volgens eiser ontbeert de heffingsambtenaar elke wettelijke grondslag om actief onderzoek in te stellen naar het doen en laten van eiser als belastingplichtige. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar de conclusies van de Advocaat-Generaal van 16 augustus 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:853 en ECLI:NL:PHR:2016:885). De Hoge Raad heeft na voornoemde conclusies van de Advocaat-Generaal op 24 februari 2017 arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2017:288). De rechtbank stelt vast dat het in de genoemde conclusies en in het arrest van de Hoge Raad gaat om het verzamelen en gebruiken van de door ANPR-camera’s (camera’s met ‘Automatic Number Plate Recognition’) vastgelegde gegevens, voor de controle van rittenregistratie in verband met privégebruik van zakelijke auto’s. Hieruit kan niet worden geconcludeerd dat de werkwijze van verweerder bij het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting, met behulp van scangegevens, onrechtmatig is. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 7 januari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:146) In deze uitspraak heeft het gerechtshof geconcludeerd dat het door de heffingsambtenaar toegepaste systeem van kentekenparkeren niet in strijd komt met het EVRM dan wel de Wet bescherming persoonsgegevens. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het gebruik van scangegevens in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Het toelaten tot het geding van de 15-maart-stukken

5.1.1.

In zijn hoger beroepschrift schrijft de gemachtigde van belanghebbende dat de heffingsambtenaar te kort voor de zitting bij de rechtbank (die plaatsvond op 24 maart 2017) stukken heeft ingebracht. Hij licht dit als volgt toe;

“Verweerder zendt nog diverse, relevante zaakstukken aan de rechtbank bij brief van 15 maart 2017, en daarmee binnen de termijn van (artikel 8:58, lid 1, Awb). Bij de stukken die verweerder toen ingezonden heeft (Hof: hierna ook de 10-dagen-stukken) bevonden zich ook voor appellant nieuwe stukken. De rechtbank had op die stukken geen acht mogen slaan nu ze tardief zijn ingezonden en daarmee een goede procesorde verstoren.”

5.1.2.

Anders dan belanghebbende kennelijk meent, heeft een rechter binnen het kader van een goede procesorde de mogelijkheid stukken die binnen de termijn van tien dagen zijn ingediend in de procedure toe te laten (zie bijv. Hoge Raad ECLI:NL:HR:2009:BI0562).

5.1.3.

Belanghebbende heeft geen nadere specificatie gegeven van de 10-dagen-stukken; noch heeft hij de inhoud van die stukken beschreven. Echter, gelet op de onder 2.8 tot en met 2.10 vermelde feiten en in aanmerking genomen het onder 5.1.1 vermelde citaat, is aannemelijk dat de 10-dagen-stukken de stukken zijn die de heffingsambtenaar op 15 maart 2017 naar de rechtbank zond (zie 2.8). Bovendien kan aangenomen worden dat belanghebbende die stukken voorafgaande aan de rechtbankzitting heeft ontvangen (zie 2.10 en voormeld citaat in 5.1.1.). Geen van deze stukken bevatte - relevante - informatie die belanghebbende niet bekend was. Alsdan heeft de rechtbank reeds op die grond niet in strijd met een goede procesorde gehandeld door die stukken in haar beschouwing te betrekken.

5.1.4.

Aan voorgaande rechtsoverweging voegt het Hof nog toe dat belanghebbende op de zitting bij de rechtbank de mogelijkheid heeft gehad om zijn standpunt dat een of meer van de 10-dagen-stukken tardief waren toe te lichten. Belanghebbende of zijn gemachtigde zijn - zonder bericht van verhindering - niet verschenen en hebben zich daarmee de mogelijkheid ontnomen om op die zitting toe te lichten waarom de goede procesorde zou zijn geschonden als de rechtbank voornoemde stukken in haar beschouwing zou betrekken.

5.1.5.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangegeven dat sommige van de 10-dagen-stukken nieuw voor hem waren, maar hij heeft niet aangegeven welk stuk ‘nieuw’ was en ook niet waarom het buiten beschouwing diende te worden gelaten. De enkele stelling van gemachtigde dat de stukken te laat zijn ingezonden “en daarmee een goede procesorde verstoren” is onvoldoende.

5.1.6.

Ook is in hoger beroep niet gesteld of gebleken dat en waarom belanghebbende door de handelwijze van de rechtbank in zijn verdediging zou zijn geschaad. Daar komt bij dat hij of zijn gemachtigde - zonder bericht van verhindering - ook niet ter zitting van het Hof zijn verschenen en zij hebben zich daarmee de mogelijkheid ontnomen om op die zitting toe te lichten waarom de goede procesorde zou worden geschonden als de rechtbank (en het Hof ) voornoemde stukken in hun beschouwingen zouden betrekken. Daarbij merkt het Hof op dat het oordeel dat de rechtbank de stukken in zijn beschouwing mocht betrekken automatisch meebrengt dat ook het Hof deze stukken zal toelaten; belanghebbende heeft immers in de hoger beroepsfase voldoende gelegenheid gehad om zich over de stukken uit te laten.

5.1.7.

Gelet op het voorgaande acht het Hof geen gronden aanwezig om de 15-maart-stukken, dan wel - voor zover die anders zouden zijn - de 10-dagen-stukken, niet in de procedure toe te laten.

5.1.8.

Het Hof merkt nog op dat door het Hof op 8 januari 2018 (per mail) bij de heffingsambtenaar stukken zijn opgevraagd (gevraagd is om de stukken die de heffingsambtenaar op 15 maart 2017 naar de rechtbank heeft gezonden). Op 9 januari 2018 heeft de heffingsambtenaar het Hof stukken toegezonden; deze stukken zijn geheel identiek aan de zich reeds in het dossier bevindende 15-maart stukken (zie 2.8). Kopieën van deze stukken zijn volledigheidshalve aan deze uitspraak gehecht.

5.1.9.

Nu belanghebbende niet ter zitting van het Hof verschenen is en het Hof op basis van het tot 8 januari 2018 gevormde procesdossier over voldoende gegevens beschikte om de geschilpunten te beslechten, heeft het besloten de door de heffingsambtenaar op 9 januari 2018 toegezonden stukken volledig buiten beschouwing te laten.

5.2.

Het niet-horen van belanghebbende in de bezwaarfase

5.2.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar belanghebbende, hoewel zij daarom in het bezwaarschrift had verzocht, op goede gronden niet heeft gehoord (zie r.o. 6 rechtbankuitspraak).

5.2.2.

Belanghebbende bestrijdt dit oordeel.

5.2.3.

Volgens artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Awb kan, voor zover hier van belang, het horen achterwege blijven indien aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen.

5.2.4.

Belanghebbende bestrijdt dat volledig aan zijn bezwaar is tegemoetgekomen. Hij heeft immers in zijn bezwaarschrift om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand gevraagd. Dat verzoek vormt onderdeel van het bezwaar, en aan dat onderdeel van het bezwaar is niet tegemoetgekomen.

5.2.5.

Het Hof verwerpt belanghebbendes betoog.

5.2.6.

Belanghebbendes standpunt verdraagt zich niet met het systeem van de Awb. Artikel 7:15, lid 2, Awb bepaalt dat de kosten van bezwaar door het bestuursorgaan worden vergoed “voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid”. Men kan dus in artikel 7:15 twee besluiten onderkennen. Het eerste besluit is het besluit waarmee de justitiabele het niet eens was en waartegen hij bezwaar heeft gemaakt (het “primaire besluit”). Het tweede besluit is het besluit door het bestuursorgaan om al dan niet een vergoeding toe te kennen voor de kosten van bezwaar (hierna te noemen: de kostenbeslissing).

5.2.7.

Ofschoon de kostenbeslissing op de voet van artikel 7:15, lid 3, Awb tegelijk met de beslissing op het bezwaar tegen het primaire besluit moet worden genomen, moet zij daarvan worden onderscheiden.

5.2.8.

Wanneer dus in artikel 7:3, aanhef en onder e, Awb wordt gesproken over een situatie waarin “aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen”, brengt, naar het oordeel van het Hof, een consistente wetsuitleg mee dat daaronder moet worden verstaan: “volledig aan het bezwaar gericht tegen het primaire besluit tegemoet wordt gekomen”. Deze uitleg is ook logisch, want het bezwaar kan zich alleen richten tegen het primaire besluit; de kostenbeslissing bestaat immers nog niet op het moment dat bezwaar wordt gemaakt. Het verzoek om een kostenvergoeding kan niet worden aangemerkt als een (voorwaardelijk) bezwaar tegen de nog niet genomen kostenbeslissing.

5.2.9.

Voor het onderhavige geval betekent het voorgaande, dat belanghebbendes bezwaar was gericht tegen de Naheffingsaanslag, en dat aan dat bezwaar volledig is tegemoetgekomen, zodat de heffingsambtenaar op de voet van artikel 7:3, aanhef en onder e, Awb van het horen kon afzien.

5.3.

Kostenvergoeding voor in de bezwaarfase gemaakte kosten

5.3.1.

Belanghebbende meent recht te hebben op vergoeding van kosten voor het bezwaar ex artikel 7:15 Awb, omdat de Naheffingsaanslag, zo stelt hij, is herroepen wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid, zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, Awb. De onrechtmatigheid is gelegen in de omstandigheid dat de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag heeft opgelegd op basis van scangegevens, zonder een nadere controle ter plaatse in te stellen om vast te stellen of de belasting was voldaan. Hiermee heeft hij gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 Awb, aldus belanghebbende.

5.3.2.

De heffingsambtenaar betwist het standpunt van belanghebbende. De Naheffingsaanslag is zijns inziens een gevolg van een door belanghebbende gemaakte fout (zie 2.3).

5.3.3.

In het arrest van 22 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3226) betrof het een naheffingsaanslag parkeerbelasting die opgelegd was door de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam nadat belanghebbende een verkeerd kenteken had ingevoerd. De Hoge Raad overwoog:

“2.1.2.De gemeente controleert de voldoening van de verschuldigde parkeerbelasting met een zogenoemde scanauto, die ‘scans’ maakt van de kentekens van geparkeerde voertuigen. De gescande kentekens worden vergeleken met de kentekens van de auto’s waarvoor parkeerbelasting is voldaan. Nacontrole op de geparkeerde voertuigen waarvan het gescande nummer niet kan worden gekoppeld aan een verrichte betaling, vindt niet plaats. (…)

2.2.1.

Voor het Hof was in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de naheffingsaanslag is herroepen wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag niet is herroepen wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. De herroeping is in gang gezet om de gevolgen van een door belanghebbende gemaakte fout ongedaan te maken, aldus het Hof. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de heffingsambtenaar niet een nadere onderzoeksplicht had maar kon volstaan met een controle zoals beschreven in 2.1.2.

2.3.

De klachten in cassatie houden onder meer in dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 3:2 Awb heeft gehandeld omdat de gemeente moet controleren of de belasting is voldaan alvorens een naheffingsaanslag op te leggen. Bij die controle zou zijn geconstateerd dat het betaalbewijs achter de voorruit lag, aldus de klacht.

2.4.1.

Deze klacht faalt. Het invoeren van het (juiste) kenteken behoort tot de voorschriften voor de wijze van voldoening op aangifte van parkeerbelasting als bedoeld in artikel 234, lid 2, Gemeentewet, die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in het Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2015 heeft vastgelegd. Belanghebbende heeft niet op de voorgeschreven wijze aangifte gedaan en als gevolg daarvan is een naheffingsaanslag opgelegd. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het herroepen van de naheffingsaanslag aan de heffingsambtenaar is te wijten.”

5.3.4.

Uit de feiten volgt dat belanghebbende niet op de voorgeschreven wijze aangifte heeft gedaan en dat als gevolg daarvan de Naheffingsaanslag is opgelegd. Het Hof is, mede in het licht van het onder 5.3.3 geciteerde arrest, van oordeel dat de Naheffingsaanslag niet is herroepen wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid.

5.3.5.

Zoals uit het arrest volgt is niet van belang of het betaalbewijs zichtbaar in de auto lag (zie 2.3). Belanghebbende heeft overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat er nadat de Auto gescand was een nacontrole heeft plaatsgevonden waarbij het Betaalbewijs door een parkeercontroleur is gezien of had moeten worden gezien. Het Hof voegt daaraan toe dat aannemelijk is dat een eventuele nacontrole ook niet bedoeld is om te onderzoeken of een Betaalbewijs in de auto lag. De afwezigheid in de auto van een betaalbewijs geeft immers geen uitsluitsel over de vraag of de verschuldigde parkeerbelasting al dan niet is voldaan.

5.3.6.

Op grond van bovenstaande rechtsoverwegingen komt het Hof tot het oordeel dat de rechtbank terecht beslist heeft dat belanghebbende geen recht ex artikel 7:15 Awb heeft op vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten.

5.4.

Het gebruik maken van de gegevens die aan de Naheffingsaanslag ten grondslag lagen.

5.4.1.

Belanghebbende betoogt voorts dat de naheffingsaanslag onrechtmatig zou zijn opgelegd:

“De heffingsambtenaar ontbeert elke wettelijke grondslag om, zoals in het onderhavige geval, actief onderzoek in te stellen naar het doen en laten van appellante als belastingplichtige. Derhalve is tevens sprake van een inbreuk op artikel 8 EVRM, en is deze inbreuk niet op grond van het bepaalde van het tweede lid van dat artikel gerechtvaardigd. Ook in het geval dat de bevoegdheid wel uit de wet zou kunnen worden afgeleid wordt opgemerkt dat in dat geval die bevoegdheid niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen zoals voorzienbaarheid en toegankelijkheid, zodat ook daarom het vastleggen van die gegevens en het gebruik ervan niet was toegestaan.

In dit verband wordt nog verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal van 16 augustus 2016 in de zaak met nummer 15/058261. De scangegevens die zich in het dossier bevinden - voor wat ze waard zijn - kunnen en mogen dan ook niet ten grondslag worden gelegd aan de naheffingsaanslag. Verweerder had deze gegevens hierom buiten het geding moeten laten en mocht niet overgaan tot het opleggen van een naheffingsaanslag op basis van die gegevens.

De Hoge Raad heeft dit betoog van de AG (Hof: in zijn arrest van 24 februari 2017, nr. 15/05826, ECLI:NL:HR:2017:288; hierna: het arrest van 24 februari) inmiddels gevolgd.”

5.4.2.

Belanghebbende heeft zijn standpunt niet verder toegelicht.

5.4.3.

Kennelijk is belanghebbende van mening dat de naheffingsaanslag herroepen is vanwege een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid, welke onrechtmatigheid zou bestaan uit het vaststellen van de naheffingsaanslag op basis van in strijd met artikel 8 EVRM - door scanauto’s - vergaarde gegevens (en dat belanghebbende daarom recht heeft op vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten).

5.4.4.

De gemeenteraad was bevoegd de Verordening vast te stellen. Naar het oordeel van het Hof is daarmee tevens een controlebevoegdheid gegeven op de naleving van de Verordening: de gemeente mag controleren of de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan.

5.4.5.

De controlebevoegdheid kent echter grenzen, gesteld door wet, verdrag en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende stelt dat de grens getrokken door artikel 8 EVRM is overschreden.

5.4.6.

Artikel 8, lid 1, EVRM, bepaalt - voor zover hier van belang - dat “een ieder (…) recht (heeft) op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven”. Lid 2 bepaalt vervolgens dat “geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid (Hof: en enige andere opgesomde belangen)”.

5.4.7.

Een schending van artikel 8 EVRM vindt dus plaats indien sprake is van (a) een inmenging als bedoeld in het tweede lid die (b) niet gerechtvaardigd wordt door een van de in dat lid genoemde belangen. De vraag of zich een inmenging voordoet dient als eerste te worden beantwoord; is er geen inmenging, dan komt men aan de vraag of zich een rechtvaardigend belang voordoet niet toe.

5.4.8.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft meermaals overwogen dat het begrip “privé leven” een “broad term” is die zich niet voor een uitputtende definitie leent (zie onder andere EHRM 28 januari 2003, nr. 44647/98, Peck v. United Kingdom, par. 57, ECLI:NL:XX:2003:AP0717). Uit de sterk casuïstische jurisprudentie kan het volgende worden afgeleid.

5.4.9.

Aan de ene kant mag het begrip privé leven niet te beperkt worden opgevat. Artikel 8 EVRM beschermt niet alleen activiteiten in privé ruimten (thuis), maar kan ook andersoortige activiteiten daarbuiten beschermen (zie onder andere EHRM 25 september 2001, nr. 44787/98, P.G. en J.H. v. United Kingdom, par. 56, ECLI:NL:XX:2001:AN9273). De enkele omstandigheid dat belanghebbende in de publieke ruimte handelingen verrichtte (het parkeren van zijn auto), laat dus onverlet de mogelijkheid dat het respect voor zijn privé leven is geschaad.

5.4.10.

Aan de andere kant levert niet ieder optreden van de overheid dat het privé leven raakt een “inmenging” op. Zo vormen waarnemingen in de publieke ruimte op zichzelf geen “inmenging” , ook niet als die waarnemingen plaatsvinden met behulp van apparatuur zoals camera’s. Bijzondere omstandigheden kunnen dat anders maken, bijvoorbeeld indien de waarnemingen systematisch worden opgeslagen en bewerkt, op een wijze als aan de orde in het door belanghebbende aangevoerde arrest van 24 februari 2017. De Hoge Raad overwoog dat sprake was van een inmenging in het privé leven

“door de wijze van verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren, en door het gebruik van de met ANPR‑camera’s verkregen gegevens (…) Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het hier niet gaat om één of enkele waarnemingen in de openbare ruimte, maar om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland, op een zodanige wijze dat die gegevens aan de hand van het kenteken tot een bepaald voertuig en daarmee (in beginsel) tot een bepaalde persoon kunnen worden herleid, en waarbij het doel (mede) is om aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te krijgen van de verplaatsingen daarvan gedurende een jaar (vgl. EHRM 2 september 2010, Uzun vs. Germany, nr. 35623/05, par. 44 e.v.)”.

5.4.11.

Een andere wezenlijke (in de woorden van het EHRM: “significant”) omstandigheid die een rol speelt bij de vraag of een waarneming door de overheid een verboden inmenging oplevert, is de redelijke verwachting die de burger in de omstandigheden van het geval mocht hebben ten aanzien van zijn privacy.

5.4.12.

Het Hof komt voor het onderhavige geval tot het oordeel dat zich geen verboden inmenging zich heeft voorgedaan. De controles door middel van scanauto’s zijn aan te merken als waarnemingen in de publieke ruimte die op zichzelf geen verboden inmenging opleveren. Bijzondere omstandigheden die zouden leiden tot een ander oordeel, zijn door belanghebbende niet gesteld en volgen ook niet uit de stukken van het geding. De redelijke verwachtingen van belanghebbende omtrent zijn privacy zijn niet geschaad. Integendeel, zij kon nu juist verwachten dat controle van de parkeerbelasting zou plaatsvinden, en dat bij en ten behoeve van die controle zijn kenteken zou worden geregistreerd. Voorts heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot de conclusie leiden dat aan de door het EHRM of de Hoge Raad gestelde voorwaarden - als weergegeven onder 5.4.10 - is voldaan. Zo volgt uit hetgeen belanghebbende aanvoert niet dat sprake is van het “jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen (…) waarbij het doel (mede) is om aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te krijgen van de verplaatsingen daarvan gedurende een jaar”. Evenmin heeft het Hof enige andere omstandigheid in het dossier kunnen onderkennen, die de onderhavige waarneming in de publieke ruimte tot een verboden inmenging zou maken, of anderszins de conclusie rechtvaardigen dat artikel 8 EVRM zou zijn geschonden.

5.4.13.

Belanghebbendes beroep op de schending van artikel 8 EVRM wordt derhalve verworpen.

5.4.14.

Het Hof heeft reeds eerder in een gelijke casus aldus beslist (ECLI:NL:GHAMS:2017:2604). De Hoge Raad heeft het daartegen ingestelde beroep in cassatie – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie – niet‑ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:HR:2017:2830).

Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, P.F. Goes en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 23 januari 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.