Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3491

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
200.199.526/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. De appellante heeft een overlijdensrisicoverzekering afgesloten, met haar echtgenoot als verzekerde, die vervolgens binnen twee jaar na ingang van de verzekering een eind aan zijn leven heeft gemaakt. Volgens de polisvoorwaarden wordt in zo’n geval geen dekking verleend, tenzij “kan worden aangetoond dat de verzekerde handelde in een vlaag van acute waanzin (bijvoorbeeld ijlkoorts of razernij)”. Geen grond om dit uit te leggen als “verminderde wilsbekwaamheid”. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de verzekeraar geen dekking hoeft te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0745
JERF 2019/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.199.526/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/574535 / HA ZA 14-1020

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 september 2018

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellante,

advocaat: mr. S.M. Postma te Amsterdam,

tegen

DELTA LLOYD LEVENSVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Delta Lloyd genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 14 september 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en Delta Lloyd als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 28 november 2017 doen bepleiten, [appellante] door mr. Postma voornoemd en Delta Lloyd door mr. G. Straub, advocaat te Amsterdam, en mr. D.M. van der Houwen, advocaat te Amsterdam, van beide zijden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vordering zal toewijzen, met veroordeling van Delta Lloyd in de kosten van het geding in beide instanties.

Delta Lloyd heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 26 augustus 2015 onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die in de procedure voorts nog zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

a. Met ingang van 1 februari 2012 heeft [appellante] als verzekeringnemer een overlijdensrisicoverzekering bij Delta Lloyd gesloten met [S] (hierna: [S] ) als verzekerde. De verzekering voorziet in uitkering van een bedrag van
€ 450.000,- direct na het overlijden van [S] voor 19 december 2028.

b. In artikel 13 van de polisvoorwaarden is opgenomen:

“Als Delta Lloyd overlijdensrisico draagt en zich één van de hierna genoemde gevallen van overlijden voordoet, zal geen uitkering van enig verzekerd bedrag worden gedaan.
Deze regeling geldt als de verzekerde overlijdt:
(…)
c binnen twee jaar na ingang van de verzekering door een eind aan zijn leven te (doen) maken of door een poging daartoe. (…) De geestestoestand waarin de verzekerde verkeerde, wordt in de beoordeling van de daad of het overlijden tengevolge daarvan buiten beschouwing gelaten, tenzij aan Delta Lloyd kan worden aangetoond dat de verzekerde handelde in een vlaag van acute waanzin (bijvoorbeeld ijlkoorts of razernij) (…)”
c. [S] heeft op 29 december 2012 een eind aan zijn leven gemaakt.
d. Bij brief van 8 juli 2013 heeft Delta Lloyd aan [appellante] geschreven:
“(…) Zoals in de polisvoorwaarden staat geschreven in artikel 13.C, valt de oorzaak van het overlijden onder niet gedekte risico’s. (…)”
e. In een brief van dr. [D] , huisarts van [S] , van 29 november 2013 aan de advocaat van [appellante] is opgenomen:
“(…)
Journaalregels (…)
19.08.2003 (…)
(…) zit er door heen, na tegenslag op eigen bedrijf(bollen), slaapt niet, eetlust verminderd, piekert erg veel, te veel en te hard gewerkt, wil eigenlijk al wel stoppen met bedrijf ( familie bedrif) (…)
02.09.2003 (…)
(…) gaat iets beter, maalt minder en meer vrij (…)
18.01.2005 (…)
(…) gaat niet goed, wil graag antidepressiva, vader CVA, bedrijf te druk en belatstend, geniet niet, 10 kilo kwijt, slaapt slecht (…)
28.01.2005 (…)
(…) lijkt iets beter te gaan (…)
27.12.2012 (…)
(…) Gaat niet goed de laatste 10 dgn. Bollenteelt lijkt te mislukken en overlijden van vader doet er ook niet goed aan. Is afgelopen week op vakantie geweest, maar eerder teruggekomen, omdat het niet het juiste effect had. Heeft niet kunnen genieten. Heeft op de terugweg gedacht om met gezin in het water te rijden. Vanmorgen wederom plannen om een enind aan leven te maken, maar gezin heeft zich hiervan weerhouden. (…)
depressief met suïcidale gedachten (…)
aanmelden crisisdienst. (…)
31.12.2012 (…)
(…) Contact gehad met crisisdienst. Tijdens gesprek niet suicidaal ingeschat, waren geode afspraken te maken met dhr en echtgenote. (…) Heeft mirtazipine gekregen (…)”
f. Dr. [V] (hierna: [V] ), psychiater, heeft op verzoek van de advocaat van [appellante] de volgende vraag:
In verband met de mogelijke aanspraak op de uitkering levensverzekering door de weduwe verzoek ik u mij uw bevindingen mee te delen en – indien dat kan – antwoord te geven op de vraag of bij [S] sprake was van het zich opzettelijk en welbewust van het leven beroven?”
bij brief van 8 augustus 2014 als volgt beantwoord:
“(…)
Op grond hiervan is mijn oordeel dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat betrokkene zich actief heeft ingezet en gemotiveerd was om minder depressief te worden en dus om een suïcide af te wenden. (…) Op basis van het genoemde geïntegreerde model voor suïcidaal gedrag van stress-kwetsbaarheid en “entrapment” en de aanwezige depressie, aanwijzingen voor ADHD in combinatie met mirtazepine concludeer ik dat er bij betrokkene achteraf beschouwd met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen sprake was van opzettelijk en welbewust handelen met betrekking tot zijn suïcide.
(…)”.
g. Op verzoek van Delta Lloyd heeft prof. dr. [K] (hierna: [K] ), psychiater, de volgende vraag:
Heeft de heer [S] bij de beëindiging van zijn leven gehandeld in een vlaag van acute waanzin (bijvoorbeeld ijlkoorts of razernij)?”
na deze vraag als volgt te hebben geherformuleerd vanwege het feit dat hij [S] niet zelf heeft onderzocht:
“1. Wat voor psychiatrische stoornissen worden, in moderne psychiatrische terminologie, bedoeld met “een vlaag van acute waanzin, zoals ijlkoorts of razernij”?
2. Bevatten de voorgelegde medische gegevens aanwijzingen dat er bij wijlen de heer [S] op het moment van zijn suïcide van een dergelijke stoornis sprake is geweest?”
bij brief van 16 januari 2015 als volgt beantwoord:
“(…)
Ik interpreteer de antieke terminologie uit de toepasselijke polisvoorwaarden zo, dat er alleen recht op uitkering bij suïcide binnen twee jaar na afsluiten van de verzekering bestaat, indien de suïcide het gevolg is van handelen in het kader van een acuut psychotische toestand. In het kader van een depressieve stoornis, waarvan op grond van de overgelegde gegevens bij de heer [S] sprake moet zijn geweest, kan een plotselinge ontwikkeling naar aan psychotische vorm daarvan voorkomen. Dat daarvan in zijn geval sprake is geweest kan ik op grond van diezelfde gegevens noch bevestigen noch uitsluiten.
(…)”
h. Op verzoek van [appellante] en met instemming van Delta Lloyd heeft de rechtbank in het kader van de volgens de rechtbank op [appellante] ter zake rustende bewijslast bij voormeld tussenvonnis van 26 augustus 2015 een deskundigenbericht gelast waarbij de rechtbank dr. [A] (hierna: [A] ), psychiater, als gerechtelijk deskundige heeft benoemd. Aan [A] zijn de volgende vragen gesteld:
“1. Heeft de heer [S] bij zijn zelfdoding gehandeld in een vlaag van acute waanzin (bijvoorbeeld ijlkoorts of razernij), waarbij u deze termen waar nodig vertaalt naar de hedendaagse wetenschappelijke terminologie?
2. Heeft u voor het overige nog opmerkingen die u voor de beoordeling van dit geschil relevant acht?”
[A] heeft in haar bij brief van 11 april 2016 aan de rechtbank toegezonden deskundigenrapport het voorbehoud gemaakt dat zij geen uitspraken kan doen over de gezondheidstoestand van [S] , aangezien zij hem niet persoonlijk heeft kunnen onderzoeken. Zij heeft geconcludeerd in het kader van de eerste vraag:
“Zoals reeds eerder verklaard kan ik geen uitspraken doen over het toestandsbeeld van betrokkene ten tijde van de suïcide. Het is ook niet mogelijk om in retrospectief een uitspraak te doen over de vraag of er sprake was van een toestand van acute waanzin, danwel wilsbekwaamheid, van de heer [S] op het moment dat hij zelfmoord pleegde.
Uit de verklaringen van de huisarts kan worden geconcludeerd dat de heer [S] aan een depressie leed. Vanaf 1998 heeft de heer [S] zich een aantal maal bij de huisarts gemeld met depressieve klachten. Tijdens de laatste episode was er ook sprake van suïcidaliteit.
De aanwezigheid van een depressie verhoogt de kans op het plegen van zelfmoord. Deze kans werd nog hoger door het gebruik van het antidepressivum mirtazapine door de heer [S] (hij had dit medicijn niet eerder gebruikt). Het feit dat betrokkene een hele strip mirtazapine ineens gebruikte, kan wijzen op een toestand van verhoogde impulsiviteit, en mogelijk laat het ook zien in welke toestand van entrapment hij was terecht gekomen. Met het gebruik van een hogere dan de voorgeschreven dosis mirtazapine neemt de kans op suicidaliteit (vanwege toename in impulsief handelen) extra toe.
In de casus zie ik geen concrete aanwijzingen dat de heer [S] een wilsbekwame keus heeft gemaakt op het moment dat hij suïcide pleegde. Bij een wilsbekwaam besluit dient er sprake te zijn dat iemand een keus kan maken, informatie kan begrijpen, voor en nadelen op een rationele wijze kan wegen en de situatie kan waarderen.
De heer [S] had zich met klachten bij de huisarts gemeld, wilde hulp voor zijn depressiviteit en suïcidaliteit. Hij is akkoord gegaan met een verwijzing naar de crisisdienst en accepteerde het voorstel van de start van antidepressivum mirtazapine. Ookal kan hiervoor niet met zekerheid een bewering door mij worden gedaan, toch acht ik het onwaarschijnlijk dat dit duidt op iemand die in alle rust komt tot een rationele afweging van zelfmoord (zoals een balanssuïcide). Ik acht het meer waarschijnlijk dat de heer [S] wilde genezen van zijn depressieve klachten en suïcide wilde voorkomen. Deze indruk heeft hij blijkbaar ook bij de huisarts en crisisdienst gemaakt, die allen verrast waren door zijn suïcide, en van mening waren dat ze goede afspraken met hem over de behandeling en suïcidaliteit konden maken. Kennelijk achtten zij hem hierin wilsbekwaam.
Verder zijn er zowel stresserende factoren, een depressie en de mogelijke comorbiditeit van ADHA. Deze factoren verhogen de kans op suïcidaliteit en hebben tot entrapment kunnen leiden. In deze entrapment is er sprake van een tunnelvisie, waarbij het voorspelbaar is dat men de vermogens verliest tot het rationeel afwegen van voor en nadelen en het kunnen waarderen van de situatie. Deze factoren kunnen leiden tot een verminderde wilsbekwaamheid.
Ook de recente start van mirtazapine verhoogt de kans op suïcide door toename in impulsiviteit. Het gebruik door de heer [S] van een hele strip medicatie ineens in plaats van de voorgeschreven hoeveelheid kan ook te maken hebben met de entrapment en/of kan een teken zijn van impulsiviteit. De hoge hoeveelheid van dit middel kan ook de kans op suïcidaliteit extra doen toenemen. Deze toename in impulsiviteit kan ook een verstorende werking hebben gehad op zijn vermogens om voor en nadelen rationeel af te wegen en tot een adequate waardering van zijn eigen situatie te komen.”

3
3. Beoordeling

3.1

[appellante] heeft gevorderd - kort gezegd - veroordeling van Delta Lloyd tot betaling van voormeld bedrag van € 450.000,- te vermeerderen met wettelijke rente. [appellante] heeft daartoe onder meer gesteld dat bij de lezing van artikel 13 van de polisvoorwaarden aansluiting dient te worden gezocht bij het vaak in de jurisprudentie gehanteerde criterium, te weten of de suïcide van [S] is aan te merken als het zich opzettelijk en welbewust van het leven beroven. Dit laatste is naar de stellingen van [appellante] niet het geval; [S] heeft daarmee volgens [appellante] in de bewoordingen van de polisvoorwaarden geformuleerd, gehandeld in een vlaag van acute waanzin. Met het deskundigenbericht van [A] is aangetoond dat [S] geen wilsbekwaam besluit tot suïcide heeft genomen. Delta Lloyd kan zich daarom niet beroepen op de in artikel 13 van de polisvoorwaarden opgenomen uitsluitingsgrond van suïcide.

3.2

Delta Lloyd heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [appellante] en daarbij onder meer gesteld dat de vraag of de suïcide van [S] is aan te merken als het zich opzettelijk en welbewust van het leven beroven een andere vraag is dan de voorliggende vraag of [S] ten tijde van zijn zelfdoding handelde in een vlaag van acute psychose. De door [appellante] bedoelde jurisprudentie heeft naar de stellingen van Delta Lloyd betrekking op de situatie waarin suïcide categorisch is uitgesloten en dat is in onderhavige zaak niet het geval, nu een acute psychose niet is uitgesloten.

3.3

De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft daartoe - kort gezegd - overwogen dat [A] in haar rapport heeft vermeld dat de vraag of [S] zichzelf van het leven heeft beroofd in een vlaag van acute waanzin niet kan worden beantwoord. Er zijn geen aanwijzingen dat [S] ten tijde van zijn zelfdoding in een acute psychose verkeerde noch anderszins aanwijzingen van ijlkoorts of razernij of iets dat daarmee gelijkgesteld zou moeten worden. De gemotiveerde uiteenzetting van [A] dat er bij [S] sprake zal zijn geweest van verminderde wilsbekwaamheid in die zin dat hij - mogelijk mede door een combinatie van depressie en gebruik van bepaalde antidepressiva - in een toestand van ‘entrapment’ terecht is gekomen, waarin hij niet meer in staat was rationele keuzes te maken en zijn situatie adequaat te waarderen en haar uitlating dat er met grote mate van waarschijnlijkheid geen sprake was van een overwogen, doordachte keuze van zelfdoding levert naar de overwegingen van de rechtbank geen vlaag van acute waanzin op in de zin van de polisvoorwaarden, omdat daarmee, zoals door Delta Lloyd onweersproken is toegelicht, is bedoeld een situatie gelijk aan of vergelijkbaar met een acute psychose en verminderde wilsbekwaamheid als gevolg van depressie en bijkomende factoren daarmee niet gelijkgesteld kan worden. Als daarover anders zou worden geoordeeld, zou dat naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het feit dat volgens [A] in verreweg de meeste gevallen van zelfdoding verminderde wilsbekwaamheid aan de orde is, betekenen dat zelfdoding in nagenoeg alle gevallen zou zijn gedekt, terwijl Delta Lloyd nu juist alleen dekking heeft willen verlenen bij zelfdoding in een vlaag van acute waanzin.

3.4

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met vijf grieven op. Deze grieven strekken ertoe dat alsnog wordt geoordeeld dat voormelde uitzonderingsgrond aan de orde is en het beroep van Delta Lloyd op voormelde uitsluitingsgrond derhalve faalt. Zij zullen daarom gezamenlijk worden behandeld. Het verweer van Delta Lloyd zal, voor zover van belang, daarbij worden betrokken.

3.5

Het desbetreffende artikel uit de polisvoorwaarden vermeldt als uitgangspunt dat geen uitkering zal worden gedaan in geval van zelfdoding binnen twee jaar na ingang van de verzekering en voorts dat de geestestoestand waarin de verzekerde verkeerde, in de beoordeling van de daad of het overlijden ten gevolge daarvan buiten beschouwing wordt gelaten. Een uitzondering wordt gemaakt indien kan worden aangetoond dat de verzekerde handelde in een vlaag van acute waanzin. Partijen twisten over de uitleg van deze uitzonderingsgrond. Het gaat hier om de uitleg van een zinsdeel uit een polisvoorwaarde waarover tussen partijen niet is onderhandeld, zoals onweersproken door [appellante] is gesteld. De uitleg daarvan is met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.
3.6 [A] heeft de interpretatie van [K] van het begrip acute waanzin als psychose als voor de hand liggend geduid. [A] betoogt evenwel dat met het opnemen van voormelde uitzonderingsgrond gedoeld moet zijn geweest op verminderde wilsbekwaamheid, zo begrijpt het hof, en dat de in casu spelende factoren ertoe hebben kunnen leiden dat het vermogen van [S] om voor- en nadelen rationeel af te wegen en tot een adequate waardering van zijn situatie te komen verstoord is geraakt. [A] is tot deze uitleg gekomen op basis van een rechtsvergelijke studie uit 1976 over het thema levensverzekering en zelfmoord waaruit zou volgen dat in het algemeen aan de orde is de vraag of de zelfmoord al dan niet vrijwillig was en beschouwingen uit jurisprudentie betreffende de vraag in hoeverre degene die zelfmoord pleegde al dan niet opzettelijk, welbewust of weloverwogen handelde. Het hof begrijpt dat [appellante] bij uitleg van het aan de orde zijnde beding de benadering van [A] voorstaat. Nu evenwel naast [K] ook [A] de door Delta Lloyd aangehangen interpretatie van het begrip acute waanzin als psychose voor de hand liggend heeft genoemd, ziet het hof onvoldoende aanleiding een andersluidende interpretatie van genoemde polisvoorwaarde te volgen, temeer omdat de door [A] gegeven andersluidende interpretatie op niet concreet op deze polisvoorwaarde toegespitste overwegingen van medische aard, maar op algemene beschouwingen is gestoeld en slechts beperkt feitelijk is beargumenteerd. De door [appellante] voorgestane uitleg van de uitzonderingsgrond ‘vlaag van acute waanzin’ is verder niet onderbouwd. Deze uitleg zal reeds daarom niet worden gevolgd. [appellante] heeft overigens de overweging van de rechtbank dat indien in de lijn van [A] geoordeeld zou worden, dit zou betekenen dat, gelet op het feit dat volgens [A] in verreweg de meeste gevallen van zelfdoding verminderde wilsbekwaamheid aan de orde is, zelfdoding in nagenoeg alle gevallen zou zijn gedekt, niet tegengesproken. Nu zelfdoding in artikel 13 van de polisvoorwaarden juist als uitsluitingsgrond voorop is gesteld en de door [appellante] gegeven uitleg van de uitzonderingsgrond op deze uitsluiting daarmee voorshands niet als voor de hand liggend noch als redelijk is te duiden, was afdoende onderbouwing van deze uitleg des te meer aangewezen. Ook het beroep van [appellante] op de zogenaamde uitleg contra proferentem op de voet van artikel 6:238 lid 2 BW - bij twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor haar gunstigste uitleg - strandt reeds op het gebrek aan onderbouwing van de voorgestane uitleg. De slotsom is dat niet kan worden vastgesteld dat voormelde uitzonderingsgrond aan de orde is. Het ter zitting in hoger beroep nog gedane beroep op de redelijkheid en billijkheid wordt - voor zover daarmee niet de redelijkheid van de verdedigde uitleg van het onderhavige beding werd beoogd - wegens strijd met de twee conclusieregel, waarop Delta Lloyd zich ter zake heeft beroepen, gepasseerd.
3.7 Voorgaande overwegingen doen de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep. Het hof ziet daarbij aanleiding de termijn voor ingang van de gevorderde wettelijke rente over deze kosten op veertien dagen te stellen.

4
4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Delta Lloyd begroot op € 5.213,- aan verschotten en € 11.685,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, E.K. Veldhuijzen van Zanten en M. Kremer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.