Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3484

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
Zaaknummers : 200.238.759/01 NOT en 200.241.279/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer, afwijzing van het verzoek tot wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Zaaknummers : 200.238.759/01 NOT en 200.241.279/01 NOT

beslissing van de wrakingskamer van 13 september 2018

op het op 13 september 2018 gedane wrakingsverzoek van:

[verzoeker]

.

1 Het geding

Het verzoek tot wraking is gedaan op 13 september 2018 ter zitting van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer (hierna: de notariskamer) in de zaken met

bovengenoemde zaaknummers. Het verzoek strekt tot wraking van mrs. J.H. Lieber, J.W.M. Tromp en B.J.M. Gehlen, raadsheren in de notariskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna ook: de raadsheren).

Het wrakingsverzoek is heden ter openbare terechtzitting door de wrakingskamer behandeld. Daarbij is verzoeker verschenen, die het verzoek nader heeft toegelicht. Tevens zijn de raadsheren verschenen. De wederpartij in de hoofdzaken is eveneens verschenen.

De wrakingskamer heeft heden, na de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting, uitspraak gedaan.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het proces-verbaal van de behandeling van de zaken met bovengenoemde zaaknummers ter openbare terechtzitting van de notariskamer op 13 september 2018, vermeldt voor zover van belang het volgende:

“De voorzitter deelt mee dat het hof uitspraak zal geven op 27 november 2018. Klager [wrakingskamer: verzoeker] vraagt om de zaak minimaal vier maanden aan te houden, zodat het BF de mogelijkheid heeft om dit fraudedossier te bekijken en hij wellicht met de notaris tot een schikking kan komen. De voorzitter antwoordt dat het hof op dit aanhoudingsverzoek zal responderen in zijn beslissing van 27 november 2018 en dat dit een tussenbeslissing zal zijn indien de aanhouding zal worden gehonoreerd.

Daarop wraakt klager de leden van het hof

Vz: wat zijn de feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot het wrakingsverzoek? Wilt u ze geconcentreerd voordragen?

Klager: ik ben het niet ermee eens dat ik hier nu al mijn wrakingsgronden moet geven.

Vz: ik vraag u nu om de wrakingsgronden te geven.

Zakelijk weergegeven komen de wrakingsgronden van klager hierop neer:

1. Het hof kan op dit moment de klacht niet goed beoordelen, omdat er zoveel strafbare feiten

in het dossier worden vermeld (witwaspraktijken, melding ongebruikelijke transacties, moord en doodslag, testamentfraude) en omdat er geen bewijs is dat die feiten ter kennis zijn gebracht van het BFT en de KNB.

2. Niet gebleken is dat de betrokken kamers en het hof de stukken van het dossier hebben doorgeleid naar het BFT en de KNB en dat hebben gemeld aan klager en aan de notaris.

3. Zolang het BFT en de KNB buiten beeld zijn, kan het hof niet oordelen over de klacht.”

2.2.

Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker meegedeeld dat de in het proces-verbaal vermelde wrakingsgronden op zichzelf juist zijn weergegeven, maar dat deze niet volledig zijn. Doordat verzoeker ter zitting zijn wrakingsgronden moest aanvoeren, heeft verzoeker niet alle wrakingsgronden die hij zou willen aanvoeren, naar voren kunnen brengen, aldus verzoeker. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker zijn wrakingsgronden aldus nader toegelicht, kort samengevat:

De notariskamer kan nu geen goed oordeel geven over de zaak. Verzoeker weet bijna zeker dat het procesdossier niet volledig is. De notariskamer is op grond van art. 162 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) verplicht de zaak door te geleiden naar het Openbaar Ministerie. Ook moet de zaak gemeld worden bij het BFT en de KNB. Het lijkt erop dat zij omzeild worden. Er is geen sprake van een spoedzaak en de zaak is complex. Ook daarom heeft verzoeker gevraagd om aanhouding voor vier maanden. Het hof kan dan informeren bij BFT en KNB wat er met zijn klachten is gedaan. Anders kan de zaak niet goed beoordeeld worden. Anders dan de kamer voor het notariaat in Den Haag vanmorgen berichtte, is verzoeker wel belanghebbende. Doordat de kamer voor het notariaat hem geen informatie geeft over de doorzending van zijn klachten aan de KNB wordt hem de kans onthouden om te reageren. Het gaat om een complexe, internationale zaak en verzoeker krijgt geen antwoorden van het BFT op zijn vragen over hoe het ervoor staat met zijn stukken en klachten. Het BFT moet actie ondernemen. De voorzitter van de notariskamer zit zonder de stukken van het BFT nog met een onvolledig dossier, aldus verzoeker.

2.3.

De raadsheren hebben niet berust in het wrakingsverzoek. Zij hebben zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen.

3 Beoordeling

3.1.

Ingevolge artikel 100 van de Wet op het notarisambt (Wna) in verbinding met artikel 513, leden 1 en 3 Sv, wordt het wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden als bedoeld in art. 100 Wna aan de verzoeker bekend zijn geworden en moeten alle feiten of omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. Op het voorgaande stuit de klacht van verzoeker af, dat hij ter zitting van de notariskamer reeds al zijn wrakingsgronden moest voordragen. Daarbij komt dat verzoeker ter zitting van de wrakingskamer ruim de gelegenheid is geboden om zijn gronden toe te lichten en aan te vullen, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt. Verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer verder ook niet gevraagd om aanhouding of schorsing van de behandeling van het wrakingsverzoek. Er bestaat dan ook geen aanleiding de behandeling van het wrakingsverzoek aan te houden.

3.2.

In essentie komt het wrakingsverzoek erop neer dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van de notariskamer om niet eerder dan in de op 27 november 2018 te geven beslissing te responderen op het aanhoudingsverzoek van verzoeker.

3.3.

Op grond van artikel 100 Wna in verbinding met de artikelen 512 e.v. Sv, kunnen zij die deel uitmaken van een kamer voor het notariaat worden gewraakt, indien te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.4.

Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.5.

Voorts geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door de rechter gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen. De vrees voor vooringenomenheid kan, indien het wrakingsverzoek zich richt op (de motivering van) een gegeven beslissing, slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

3.6.

De wrakingskamer stelt voorop dat de notariskamer nog geen beslissing heeft genomen op het verzoek tot aanhouding, en dat de voorzitter slechts heeft meegedeeld dat de notariskamer op het verzoek zal responderen in zijn beslissing van 27 november 2018 en dat dit een tussenbeslissing zal zijn, indien de aanhouding zal worden gehonoreerd. Dat levert geen uitzonderlijke omstandigheid op als hiervoor in rov. 3.4 bedoeld. De beslissing van de notariskamer om op het aanhoudingsverzoek te responderen in zijn beslissing van 27 november 2018 is geen beslissing die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

Dit betekent dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

4 Beslissing

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.N. van de Beek, I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en A.R. Sturhoofd en is in tegenwoordigheid van mr. J.G.E.Y. Lok als griffier in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018.