Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3453

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
200.220.119/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:5425
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:685, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verwijderen BKR-registratie ook in hogere beroep niet toewijsbaar.

Relatieve bevoegdheid. Verjaring vordering. Rechtsverwerking.

Registratie niet disproportioneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.220.119/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/625635 / HA RK 17-83

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 september 2018

inzake

[appellant] ,

domicilie gekozen hebbend te [plaats] ,

appellant,

verweerder in het incident,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

verzoekster in het incident,

advocaat: mr. C.M. Jakimowicz te Rotterdam.

1 Procesverloop

Partijen worden hierna [appellant] en ABN AMRO genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 20 juli 2017, in hoger beroep gekomen van de onder bovengenoemd zaaknummer gegeven beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2017. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof genoemde beschikking zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, het oorspronkelijke verzoek van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van het geding in beide instanties, dan wel de zaak te verwijzen naar de rechtbank te Arnhem.

Op 8 november 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift, tevens houdende incident ex artikel 224 Rv, met producties, van ABN AMRO ingekomen. Zij heeft het hof verzocht - op straffe van niet-ontvankelijkheid - te oordelen dat [appellant] zekerheid stelt voor de proceskosten waartoe hij in eerste aanleg reeds is veroordeeld alsmede voor de proceskosten waartoe hij in hoger beroep mogelijk wordt veroordeeld en het verzoek van [appellant] af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Op 19 december 2017 is ter griffie van het hof van de zijde van [appellant] een verweerschrift in het incident ontvangen.

[appellant] heeft een nadere productie ingediend, ontvangen ter griffie van het hof op 13 maart 2018.

De mondelinge behandeling van het beroepschrift en het incidentele verzoek heeft plaatsgevonden op 11 april 2018. Bij die gelegenheid is [appellant] verschenen, die het beroepschrift en het verweer in het incident heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. Aan de zijde van ABN AMRO is [X] , klachtenbehandelaar, verschenen, bijgestaan door mr. Jakimowicz voornoemd, die het verweerschrift van ABN AMRO en het verzoek in het incident heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen.

Vervolgens is uitspraak bepaald.

2 Feiten

De rechtbank heeft in de beschikking onder 2, 2.1 tot en met 2.25, de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat de feiten door de rechtbank onjuist en onvolledig zijn vastgesteld. Hij licht dit toe met een aantal stellingen omtrent de omvang van de door hem verschuldigde hoofdsom en over de door hem gestelde verjaring. De rechtbank heeft onder 2 niets vastgesteld over die hoofdsom of over die verjaring. Het hof zal voor zover relevant hierna op de stellingen van [appellant] terugkomen. [appellant] voert tevens aan dat ABN AMRO niet heeft aangetoond dat zij de in de beschikking onder 2 genoemde brieven heeft verzonden. Het hof zal daarmee rekening houden in die zin dat alleen als vaststaand zal worden aangenomen dat brieven waarop [appellant] heeft gereageerd door ABN AMRO zijn verzonden. De feiten zijn in hoger beroep voor het overige niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] heeft op 7 juli 2009 een kredietovereenkomst met ABN AMRO gesloten voor een (aflopend) kredietbedrag van € 25.000,-, terug te betalen in 60 termijnen van € 525,- elk (inclusief rente). [appellant] is zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst niet nagekomen.

2.2

ABN AMRO heeft [appellant] bij brief van 25 februari 2010 verzocht de achterstand vóór 9 maart 2010 te betalen om te voorkomen dat de rekening met een code ‘achterstand’ wordt aangemeld bij het Bureau Krediet Registratie (verder: BKR) en wordt overgedragen aan het incassobureau van ABN AMRO. [appellant] heeft op deze brief gereageerd bij e-mail van 10 maart 2010, onder meer inhoudende dat hij die dag de brief van 25 februari 2010 betreffende de achterstand op zijn lening heeft ontvangen. [appellant] heeft de achterstand op zijn betalingsverplichtingen uit de lening daarna niet ingelost.

2.3

Op 26 maart 2010 heeft ABN AMRO de kredietovereenkomst met [appellant] in het Centraal Krediet Informatiesysteem (verder: CKI) van het BKR doen registreren met de code ‘A’ van achterstand. Op 19 april 2010 wordt aan de registratie de bijzonderheidscode ‘2’ toegevoegd. Die code staat voor ‘(restant)vordering geheel opeisbaar’.

2.4

Het door ABN AMRO ingeschakelde incassobureau heeft [appellant] bij e-mail van 31 juli 2012 geattendeerd op een brief aan [appellant] van 5 juli 2012, en deze brief nogmaals aan [appellant] doen toekomen. De brief luidt onder meer:

‘Wij attenderen u erop dat het debetsaldo van bovengenoemde overeenkomst op dit moment EUR 28.771,95 bedraagt (…).

Wij sommeren u het genoemde bedrag binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief aan ons te voldoen.

Geeft u aan deze sommatie geen gevolg, dan stellen wij u reeds nu voor alsdan in gebreke en zullen wij overgaan tot het nemen van rechtsmaatregelen.’

[appellant] heeft bij e-mail van 6 augustus 2012 daarop aldus gereageerd:

‘Hartelijk dank voor uw schrijven. Helaas ben ik tot op heden niet in staat om aan mijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen.’

2.5

Op 15 augustus 2012 wordt aan de BKR-registratie de bijzonderheidscode ‘3’ toegevoegd, welke code staat voor ‘bedrag van 250 Euro of meer is afgeboekt’

2.6

[appellant] heeft ABN AMRO bij brief van 24 juni 2016 verzocht om verwijdering van zijn BKR-registratie. ABN AMRO heeft dat bij brief van 8 augustus 2016 geweigerd, omdat - kort gezegd - de vordering nog niet is betaald en evenmin is verjaard.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg aan de rechtbank Den Haag, welke rechtbank de zaak na een beroep op relatieve onbevoegdheid van de zijde van ABN AMRO heeft verwezen naar de rechtbank Amsterdam, op grond van artikel 46 van de Wet Bescherming Persoonsgegevens verzocht, zakelijk weergegeven, ABN AMRO te verplichten om aan het BKR als einddatum van de registratie door te geven 19 april 2010, althans 19 april 2015, althans een nadere vast te stellen datum, als bedrag van de schuld te registreren € 25.000,- en de coderingen A, 2 en 3 te verwijderen alsmede de hele registratie te verwijderen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, en ABN Amro te veroordelen een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding te betalen, met veroordeling van ABN AMRO in de proceskosten. [appellant] stelde daartoe dat hem uit de BKR-registratie is gebleken dat de vordering van ABN AMRO jegens hem op 19 april 2010 geheel opeisbaar is geworden zodat deze vordering op 19 april 2015 is verjaard. Hij heeft van ABN AMRO geen correspondentie ontvangen zodat de verjaring niet is gestuit. Indien geen sprake is van verjaring dan is volgens [appellant] sprake van rechtsverwerking. [appellant] betwistte voorts dat het door ABN AMRO aan het BKR opgegeven bedrag van € 31.500,- juist is. Een en ander maakt dat de registratie onjuist althans disproportioneel is, aldus [appellant] .

3.2

De rechtbank overweegt dat [appellant] onvoldoende heeft betwist dat het geregistreerde bedrag een bedrag inclusief rente en kosten dient te zijn. Gelet op de e-mail van [appellant] van 6 augustus 2012 staat vast dat hij de brief namens ABN AMRO van 5 juli 2012 heeft ontvangen. Die brief van 5 juli 2012 voldoet aan de vereisten van artikel 3:317 lid 1 BW en kan dan ook als een stuitingshandeling worden aangemerkt. Van rechtsverwerking is geen sprake. Het enkele tijdsverloop is daarvoor onvoldoende, terwijl de registratie van de afboeking bij [appellant] niet de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen wekken dat ABN AMRO haar aanspraak niet meer geldend zou maken. De rechtbank wijst op grond van een en ander de verzoeken van [appellant] af en veroordeelt hem in de proceskosten.

3.3

Het beroepschrift van [appellant] is niet ingedeeld in grieven. Het hof zal de inhoud daarvan per onderwerp bespreken.

3.4

[appellant] voert aan dat niet de rechtbank Amsterdam bevoegd is maar de rechtbank Rotterdam, omdat de kredietovereenkomst op een kantoor van ABN AMRO aldaar is ondertekend, dan wel de rechtbank Gelderland, omdat het BKR in dat rechtsgebied is gevestigd. [appellant] voert aan dat het aan hem is om de keuze te maken tussen de bevoegde rechtbanken en dat hij zich altijd heeft verzet tegen verwijzing naar de rechtbank Amsterdam. Het hof overweegt het volgende. [appellant] heeft geen bekende woonplaats in Nederland en verblijft naar zijn zeggen ook niet in Nederland. Ingevolge artikel 262 Rv is in dat geval de woonplaats van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende bepalend voor de relatieve bevoegdheid. [appellant] heeft in de kop van zijn inleidende verzoekschrift vermeld ‘geschil met ABN-AMRO Bank N.V. te Amsterdam’, en (onder 2.) ABN AMRO genoemd als verweerder en vervolgens zijn verzoek gericht jegens die verweerder. De vestigingsplaats van ABN AMRO is Amsterdam zodat de rechtbank Amsterdam, en daarmee dit hof, relatief bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Dat wordt niet anders doordat de kredietovereenkomst te Rotterdam is getekend, en evenmin doordat het BKR in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland is gevestigd. Het BKR wordt in het inleidende verzoekschrift overigens niet als belanghebbende genoemd, terwijl uit de processtukken van de eerste aanleg evenmin blijkt dat [appellant] een verwijzing naar de rechtbank Gelderland heeft bepleit.

3.5

[appellant] voert daarnaast aan dat de rechtbank Amsterdam het recht op hoor en wederhoor heeft geschonden, naar het hof begrijpt omdat hij door de rechtbank Amsterdam niet mondeling op zijn verzoek is gehoord en de rechtbank evenmin acht heeft willen slaan op de aanvulling van zijn pleitnota van 18 februari 2017. Het hof overweegt dat het stuk waarop [appellant] doelt, en overigens ook de door hem genoemde brief van zijn zijde van 26 februari 2017, thans wel tot de processtukken behoort en dat het hof daar acht op heeft geslagen. Ook is [appellant] door het hof mondeling gehoord op zijn beroep en heeft [appellant] de genoemde processtukken bij die gelegenheid nader kunnen toelichten. Thans is dan ook geen sprake (meer) van schending van het recht op hoor en wederhoor. [appellant] heeft geen verdere conclusies verbonden aan de door hem gestelde schending van het recht op hoor en wederhoor door de rechtbank Amsterdam zodat het hof daaraan verder voorbij gaat.

3.6

[appellant] verwijt ABN AMRO ook dat zij zijn brief aan haar van 3 juli 2011 opzettelijk niet heeft overgelegd. ABN AMRO betwist dit en voert aan dat zij helaas niet meer over dit stuk beschikt. Het hof overweegt dat [appellant] geen verdere aanwijzingen heeft gegeven voor opzet aan de zijde van ABN AMRO tere zake van het ontbreken van de brief zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Dat het hof niet van de inhoud daarvan kan kennisnemen, dient voor rekening van [appellant] te blijven nu hij zelf ook niet meer over deze brief beschikt.

3.7

[appellant] wijst voorts erop dat het geregistreerde bedrag van € 31.500,- te hoog is. Hij voert aan dat hij in 2009 vier termijnen heeft betaald zodat zijn schuld op 19 april 2010, de datum van registratie, maximaal € 25.500,- bedroeg. De registratie is daarom onrechtmatig, aldus [appellant] . ABN AMRO brengt daartegen in dat het BKR-reglement voorschrijft dat bij een aflopend krediet het bruto bedrag van de lening dient te worden geregistreerd, ofwel het geleende bedrag inclusief rente en kosten. Zij heeft daarom, uitgaande van 60 door [appellant] verschuldigde termijnen ad € 525,- , een bedrag van € 31.500,- opgegeven. [appellant] heeft - hoewel ABN AMRO een en ander reeds in eerste aanleg had aangevoerd - niet betwist dat het BKR-reglement voorschrijft dat de hoofdsom op deze wijze dient te worden geregistreerd. Het gaat dus niet om de omvang van de achterstand, zoals [appellant] veronderstelt, maar om de omvang van de kredietovereenkomst die met rente en kosten dient te worden opgegeven. Dat ABN AMRO in de verdere correspondentie onduidelijk is, zoals [appellant] aanvoert, over de exacte hoogte van haar vordering op [appellant] is in dit verband niet relevant.

3.8

[appellant] voert verder aan dat de vordering van ABN AMRO op hem is verjaard. Het hof overweegt dat [appellant] op 6 augustus 2012 op de inhoud van de sommatiebrief van de zijde van ABN AMRO van 5 juli 2012 heeft gereageerd en dat hij dus ergens tussen 5 juli 2012 en 6 augustus 2012 van de inhoud van die brief heeft kennisgenomen. [appellant] kan gelet op dit feit niet volstaan met de enkele stelling dat hij de sommatiebrief niet heeft ontvangen zodat het hof op grond daarvan vaststelt dat hij deze brief wel heeft ontvangen. Het hof is tevens van oordeel dat deze brief voldoet aan de vereisten voor een stuitingsmededeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. Dat het in die brief genoemde bedrag onjuist zou zijn of dat een afdoende specificatie van dit bedrag ontbreekt staat daaraan niet in de weg. Uit niets blijkt dat [appellant] niet heeft begrepen op welke vordering ABN AMRO doelt. [appellant] heeft dan ook niet voldoende onderbouwd dat de brief niet voldoet aan de vereisten voor een stuiting. Een en ander betekent dat de verjaring van de vordering door voornoemde brief is gestuit. [appellant] heeft niet betoogd dat de vordering nadien is verjaard zodat zijn stelling dat de BKR-registratie onrechtmatig of disproportioneel is wegens de verjaring van de vordering feitelijke grondslag mist.

3.9

[appellant] stelt voorts dat sprake is van rechtsverwerking omdat ABN AMRO aan het BKR heeft doorgegeven dat het krediet dient te worden geregistreerd met code 3. ABN AMRO heeft daarmee aangegeven, aldus [appellant] , dat zij de vordering niet meer op hem wenste te verhalen. Dit moet volgens [appellant] worden gezien als een bijzondere omstandigheid waardoor kan worden aangenomen dat sprake is van rechtsverwerking. Het hof overweegt als volgt. In artikel 13 van het Algemeen Reglement CKI van het BKR is te lezen dat code 3 betekent dat de kredietgever een bedrag van € 250,- of meer op het krediet heeft afgeboekt en dat, als afboeking plaatsvindt en de consument niets meer hoeft te betalen (finale kwijting), daarbij een einddatum van de overeenkomst wordt vermeld. [appellant] heeft niet aangevoerd, en daar zijn verder ook geen aanwijzingen voor, dat ABN AMRO hem finale kwijting heeft verleend of dat ABN AMRO een einddatum aan het BKR heeft opgegeven. Integendeel, het maakt juist onderdeel uit van het verzoek van [appellant] dat ABN AMRO wordt veroordeeld tot opgave van een einddatum aan het BKR. Een en ander leidt tot de conclusie dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn betoog. Hij heeft uit de BKR-registratie niet kunnen afleiden dat ABN AMRO haar vordering niet meer op hem wenst te verhalen. Er is dan ook geen aanleiding om te concluderen tot rechtsverwerking.

3.10

[appellant] heeft geen andere omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat de thans bestaande BKR-registratie onjuist of disproportioneel is. Er is dan ook geen grond voor toewijzing van enig onderdeel van het verzoek van [appellant] .

3.11

Op grond van het voorgaande dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

3.12

Gelet op de uitkomst van het geschil en de heden uitgesproken beslissing is er geen aanleiding [appellant] te veroordelen tot zekerheidstelling voor de proceskosten. Het incidentele verzoek van de zijde van ABN AMRO daartoe zal dan ook worden afgewezen. Het hof ziet onvoldoende aanleiding ter zake van het incident een aparte proceskostenveroordeling uit te spreken.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van ABN AMRO gevallen, op € 716,- aan verschotten en € 2.148,- voor salaris advocaat;

wijst af het door ABN AMRO in het incident verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D. Kingma, H.M.M. Steenberghe en R.J.Q. Klomp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.