Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3434

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
200.236.222/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondernemingskamer. Wet Medezeggenschap Scholen. Beroep tegen de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms van 26 februari 2018, gewezen onder nummer 107962. Kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de medezeggenschapsraad (artikel 28 lid 2 Wms), waaronder ook de kosten voor het voeren van de procedures bij de commissie en de Ondernemingskamer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2018/207
AR-Updates.nl 2018-1113
Onderwijs Totaal 2019/935
JONDR 2018/1247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer : 200.236.222/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 25 september 2018

inzake

DE OUDERGELEDING VAN DE MEDEZEGGENSCHAPSRAAD VAN HET SINT-MAARTENSCOLLEGE,

gevestigd te Maastricht,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. W.H. Hogerzeil, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

de stichting

STICHTING LIMBURGS VOORTGEZET ONDERWIJS,

gevestigd te Sittard,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. H.A.A. Berendsen, kantoorhoudende te Heerlen.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zal verzoekster (ook) worden aangeduid als de OMR en verweerster als LVO.

1.2

De OMR is bij op 26 maart 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift, met producties, in beroep gekomen tegen de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms (hierna: de commissie) van 26 februari 2018, gewezen onder nummer 107962, tussen de OMR als verzoekster en LVO als verweerster. In deze uitspraak heeft de commissie geoordeeld dat LVO artikel 28 lid 2 van de Wet medezeggenschap scholen (Wms) juist heeft toegepast en de verzoeken van de OMR afgewezen. De OMR heeft de Ondernemingskamer verzocht de bestreden uitspraak te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat LVO de redelijkerwijs noodzakelijke kosten op zich neemt van de advisering aan de OMR met betrekking tot de in de brief van de OMR van 9 oktober 2017 genoemde onderwerpen, alsmede met betrekking tot het voeren van rechtsgedingen, het voeren van de procedures in eerste en tweede instantie daaronder begrepen.

1.3

LVO heeft bij op 31 mei 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer primair verzocht de bestreden uitspraak van de commissie te vernietigen en de OMR in hoger beroep alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft LVO verzocht de bestreden uitspraak te bekrachtigen, zonder LVO in de kosten te veroordelen.

1.4

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 21 juni 2018. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 De vaststaande feiten

2.1

LVO vormt het bevoegd gezag van 21 scholen op meer dan 30 locaties in Limburg. Er zitten ruim 26.000 leerlingen op deze scholen en er werken ruim 3000 werknemers. LVO biedt op deze scholen alle varianten van voortgezet onderwijs aan. Een van de scholen is het Sint-Maartenscollege. Het Sint-Maartenscollege is een katholieke school gevestigd op twee locaties in Maastricht en biedt vmbo, havo onderbouw en vwo aan. De OMR is de oudergeleding van de medezeggenschapsraad (verder: MR) van het Sint-Maartenscollege en bestond voorafgaand aan het indienen van het onderhavige verzoekschrift uit [C] .

2.2

In een brief van 9 oktober 2017 heeft mr. Hogerzeil aan [A] (verder: [A] ), de voorzitter van het college van bestuur (verder: CvB) van LVO het volgende geschreven:

“Tot mij wendde zich de omr van het St. Maartenscollege te Maastricht met het verzoek deskundige hulp te verlenen ten aanzien van de medezeggenschapsrechten van de omr met betrekking tot de schoolgids, de keuzewerktijd voor het vwo Maastricht Locatiedirectie St. Maartenscollege, de communicatie met de achterban en de combinatieklassen onderbouw en bovenbouw.

De omr heeft mij verzocht stukken te bestuderen die aan mij ter hand zijn gesteld, daarover met hem in contact te treden en vervolgens te adviseren. Conform artikel 28 lid 2 WMS en het medezeggenschapsstatuut dient het bevoegd gezag de omr te faciliteren voor de inhuur van deskundigen.

Mijn uurtarief bedraagt € 265,- ex 8% kantoorkosten en BTW en ex verschotten. Ik verwacht voor het inlezen van de zaak en begincontacten (…) naar schatting 10 uren nodig te hebben. Een verdere beoordeling van werkzaamheden kan eerst nadien worden gemaakt. De geschatte 10 uren betreffen derhalve uitdrukkelijk niet de uiteindelijk te besteden tijd. (…)

Gaarne verzoek ik u mij te bevestigen dat het bevoegd gezag de kosten voor de advisering voor haar rekening neemt.”

2.3

Op 17 oktober 2017 heeft Mr. Hogerzeil bij het CvB gerappelleerd en verzocht om alsnog binnen drie dagen te bevestigen dat LVO de kosten voor advisering voor haar rekening zal nemen. Eveneens op 17 oktober 2017 heeft mr. Hogerzeil aan [B] (verder [B] ), de voorzitter van de centrale directie van LVO het volgende geschreven:

“Tot mij wendde zich de oudergeleding van de mr(…) met het verzoek deskundige hulp te verlenen ten aanzien van de medezeggenschapsrechten van de omr met betrekking tot de Schoolgids, de keuzewerktijd voor het vwo Maastricht Locatiedirectie St. Maartenscollege, de communicatie met de achterban en de combinatieklassen onderbouw en bovenbouw.

Het bevoegd gezag is (…) op 9 oktober jl. in kennis gesteld van de te maken kosten inhuur deskundige en verzocht te bevestigen dat het bevoegd gezag deze kosten op zich neemt. (…)

Op grond van artikel 8 lid 1 van het Schoolmanagementstatuut wordt het overleg met de mr gevoerd door de Centrale Directie. Uit het Mr-reglement artikel 1 sub g blijkt niet van een andere inrichting van het overleg.

De Schoolgids 2017-2018 is niet ter instemming voorgelegd aan de omr. (…) Op de site van het St. Maartenscollege staat slechts een conceptschoolgids. Ik stel het bevoegd gezag (…) alsnog in de gelegenheid de Schoolgids binnen zeven werkdagen na heden ter instemming voor te leggen aan de omr, bij gebreke waarvan de omr uitgaat van een weigering van het bevoegd gezag aan deze bepaling van de Wms te voldoen.

De omr heeft op grond van artikel 7 lid 1 en 3, jo. artikel 24 Wms, de plicht zijn achterban in te lichten. Naar ik begrijp heeft het bevoegd gezag, desverzocht door de omr, geweigerd een adressenlijst van de ouders aan de omr te verstrekken om dit contact mogelijk te maken, en na deze weigering ook anderszins geen medewerking verleend aan de facilitering van de omr bij het tot stand brengen van het contact tussen de omr en de achterban. Ik verzoek u mij de reden van deze weigering toe te lichten en mij te bevestigen dat het bevoegd gezag tijdig alle redelijk noodzakelijke medewerking aan het tot stand brengen van dit contact zal verlenen.

De keuzewerktijd voor het vwo Maastricht Locatiedirectie St. Maartenscollege staat op de lessentabel van vwo 1 en 2. Daaruit volgt dat de keuze werktijd verplicht is en onderhevig aan het instemmingsrecht van de omr (…). Ik stel het bevoegd gezag (…) alsnog in de gelegenheid het besluit ter vaststelling van de keuzewerktijd op het vwo binnen zeven werkdagen na heden ter instemming voor te leggen aan de omr bij gebreke waarvan de omr uitgaat van een weigering van het bevoegd gezag aan deze bepaling van de Wms te voldoen.

De informatie over de combinatieklassen onderbouw en bovenbouw hoort thuis in de Schoolgids. Aan de omr zal uit het voor te leggen concept Schoolgids blijken of aan dat onderwerp aandacht is besteed.”

2.4

Bij e-mail van 18 oktober 2017 heeft mr. Hogerzeil aan [A] het volgende geschreven:

“Ter informatie treft u bijgaand mijn brief van 17 oktober 2017 aan de heer [B] . Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud daarvan (…) Gezien het vorenstaande handhaaf ik het gestelde in mijn brieven aan u van 9 en 17 oktober jl. Zou het u mogelijk zijn mij de gevraagde bevestiging alsnog deze week te versturen? Voor de goede orde vermeld ik dat de werkzaamheden voor de omr, die inmiddels zijn aangevangen, onverkort worden voorgezet.”

2.5

Bij e-mail van 18 oktober 2017 heeft [A] aan mr. Hogerzeil het volgende geschreven:

“U kunt wat ons betreft niet uitgaan van de gevraagde bevestiging, hiertoe willen wij onze procedure voor contractering kunnen doorlopen. Zoals gemeld komen wij hier volgende week op terug.”

2.6

Bij e-mail van 23 oktober 2017 heeft [A] aan mr. Hogerzeil het volgende geschreven:

“Zoals afgesproken zou ik nog terugkomen op uw verzoek. Uit navraag blijkt dat er geen sprake is van een verzoek namens de MR van het Sint-Maartenscollege (alleen een verzoek vanuit de oudergeleding volstaat niet). Voorts zijn er binnen LVO conform artikel 28 van de WMS afspraken gemaakt over faciliteiten en de daarbij te hanteren procedure. In deze procedure is bepaald dat het bevoegd gezag vooraf in kennis dient te worden gesteld over de te maken kosten.

Ik stel voor dat u zich voor een eventuele vervolgdiscussie niet langer tot het College van Bestuur maar tot de MR van het Sint-Maartenscollege wendt.”

2.7

Bij e-mail van 24 oktober 2017 heeft mr. Hogerzeil aan [A] het volgende geschreven:

“Uit uw mail maak ik op dat het bevoegd gezag de gevraagde bevestiging tot dekking van de kosten – ondanks herhaald verzoek – niet wenst te geven. Ik neem daar nota van en zal dienovereenkomstig handelen. Dat kan betekenen dat hiermee de discussie over de kosten wordt afgesloten en de LCG zal worden benaderd. (…)

Ik wil u hebben gewaarschuwd voor de kosten van een procedure die ten laste komen van het bevoegd gezag. Deze zijn aanzienlijk. Zonder mij te willen binden aan een vast bedrag – het verloop van een procedure is deels onvoorspelbaar – zullen deze aan honorarium (ex btw, kantoorkosten en verschotten) tenminste €10 a €15.000,-. bedragen.

Ik stel u ter vermijding van een procedure voor de laatste maal in de gelegenheid mij de gevraagde schriftelijke bevestiging voor vanmiddag 16.00 te verstrekken. Daarna acht ik mij vrij. De genoemde kosten staan los van de tijd tot nu toe besteed aan de zaak.”

2.8

Bij brief van 31 oktober 2017 heeft [B] namens de centrale directie van LVO aan mr. Hogerzeil het volgende geschreven:

“ Ten tweede stelt u dat de Schoolgids 2017-2018 niet ter instemming is voorgelegd aan de O-Mr. Uit de documenten en tijdlijn zoals opgenomen in bijlage 1, blijkt dat de Schoolgids Sint-Maartenscollege, Noormannensingel 2017-2018 op 27 september jl. is voorgelegd aan de O-Mr en dat bovendien voor de zomervakantie de Mr is geïnformeerd over de werkwijze rondom de schoolgids. (…)

Ten derde stelt u vragen over de facilitering die wij de afgelopen maanden de oudergeleding hebben aangeboden bij de raadpleging van zijn achterban. Uit de documenten en tijdslijn in bijlage 2 blijkt dat wij op 20 september jl. aan het verzoek van uw cliënt hebben voldaan, zij het dat wij niet ouders per mail dit bericht hebben doen toekomen, maar via de Nieuwsbrief voor ouders, omdat dit het gebruikelijke medium is waarmee wij ouders informeren. (…)

Ten vierde stelt u dat het besluit ter vaststelling van de keuzewerktijd op het vwo alsnog ter instemming voorgelegd moet worden aan de O-Mr (…). Zoals uit bijlage 3 blijkt zijn wij over het onderwerp “Keuzewerktijd” al geruime tijd, sinds maart 2017, in gesprek (…) met de Mr van het Sint-Maartenscollege. (…) Op dit moment kan ik dan ook niet uw constatering delen dat de keuzewerktijd alsnog ter instemming voorgelegd moet worden aan de O-Mr. (…)

Ten vijfde stelt u dat informatie over de combinatieklassen onderbouw en bovenbouw thuishoort in de Schoolgids. Wij delen u mening in deze. (…) Wij stellen dan ook alsnog een addendum op dat wij alsnog aan de oudergeleding, als onderdeel van de Schoolgids ter instemming zullen voorleggen.”

2.9

Mr. Hogerzeil heeft per e-mail op 4 november 2017 als volgt op de inhoudelijke toelichting gereageerd:

“Daar waar in het onderhavige schrijven, alsmede in de brief van 17 oktober 2017, ten aanzien van de Schoolgids wordt gesproken van de omr wordt tevens bedoeld de leerlingengeleding.

De omr betwist dat de Schoolgids ter instemming aan hem is voorgelegd. Volgens bijlage 1 van uw brief is de Schoolgids op 27 september 2017 aangebonden aan de mr. Niet aan de omr. (…)

Het bevoegd gezag is op 17 oktober 2017 en de daarop volgende correspondentie tot 1 november 2017 in de gelegenheid gesteld om alsnog een instemmingsaanvraag voor de Schoolgids 2017-2018 voor het St. Maartenscollege aan de omr voor te leggen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. (…)

Ten overvloede merkt de omr op dat al zou de Schoolgids zijn aangeboden op 27 september 2017 – wat niet gebeurd is – dit niet tijdig is gebeurd, althans niet op een zodanig tijdstip dat de instemming van wezenlijke invloed heeft kunnen zijn op het te nemen besluit. (…)

U stelt vast dat het bevoegd gezag sinds geruime tijd (maart 2017) in gesprek is met de mr over de keuzewerktijd. Het transitieplan is aangeboden aan de mr (…”en dus ook aan de omr”). Aanbieden aan de mr is niet hetzelfde als aanbieden aan de omr. Het aanbieden zou geleid hebben tot besluiten van de mr ten aanzien van de lessentabel vwo 1, 2 en 3 (inclusief keuzewerktijd). Ik stel vast dat de keuzewerktijd niet op grond van artikel 14 lid 4 ter instemming aan de omr is voorgelegd. (…)

Gaarne verneem ik of het de intentie is van het bevoegd gezag de keuzewerktijd alsnog ter instemming aan de omr voor te leggen en zo ja, op welke termijn.

Voor de combinatieklassen verwijs ik naar de inhoud van mijn brief van 17 oktober 2017.

U hebt de omr en de mr uitgenodigd voor een gesprek op vrijdag 10 november 2017. De omr zal in dit stadium geen gevolg geven aan de uitnodiging. Het instemmingsrecht van de omr is tot heden niet erkend. In die omstandigheden acht ik een gesprek niet zinvol. De aanwezigheid van de mr bij een bespreking in dit kader is onjuist en ongewenst nu het een aangelegenheid betreft waarin uitsluitend de omr beslist. Zoals eerder vermeld is, vindt een dergelijk gesprek niet plaats buiten mijn aanwezigheid.”

2.10

De OMR heeft op 7 november 2017 een verzoekschrift ingediend bij de commissie waarin – kort gezegd - wordt verzocht te bepalen dat LVO op grond van artikel 28 lid 2 Wms dient te bevestigen dat zij de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van de advisering van de OMR op zich zal nemen.

2.11

Bij e-mail van 16 november 2017 heeft [B] gereageerd op de e-mail van mr. Hogerzeil van 4 november 2017 en het standpunt van het bevoegd gezag nader toegelicht.

2.12

De commissie heeft op 26 februari 2018 uitspraak gedaan. De commissie heeft het volgende overwogen:

“Voor het merendeel van de onderwerpen die genoemd zijn in het verzoek van 9 oktober 2017 geldt dat deze geen unieke bevoegdheden van de OMR betroffen, terwijl op dat moment voor het bevoegd gezag niet duidelijk was in hoeverre de leerlingengeleding het verzoek steunde. Het was daarom aan te raden geweest dat het bevoegd gezag in eerste instantie meer inhoudelijk had gereageerd en aan had gegeven waarom het niet tot vergoeding wenste over te gaan. Maar ook op het optreden van de OMR vallen naar het oordeel van de Commissie aanmerkingen te maken. De OMR heeft het bevoegd gezag korte tijd gegund om te beslissen en heeft reeds na een week het bevoegd gezag voor een voldongen feit gesteld door aan te geven dat “de werkzaamheden voor de OMR, die inmiddels zijn aangevangen, onverkort worden voortgezet.”

Daarenboven lijkt de OMR te betogen dat louter de stellingname dat inschakeling van een deskundige nodig is, voldoende is om het bevoegd gezag deze kosten te laten dragen en dat het aan het bevoegd gezag is om aan te tonen dat het anders is. De Commissie is echter van oordeel dat een medezeggenschapsorgaan dat een deskundige wenst in te schakelen en daarvoor kosten ten laste van het bevoegd gezag wil brengen, gemotiveerd aan dient te voeren in hoeverre het daarbij gaat om voor dat orgaan redelijkerwijs noodzakelijk te maken kosten, waarover de wet in artikel 28, tweede lid Wms spreekt. Op deze wijze kan het bevoegd gezag zich zelf een oordeel vormen over de noodzaak tot inschakeling van een deskundige en eventueel in overleg treden met het medezeggenschapsorgaan over de problematiek die ten grondslag ligt aan het verzoek. In

zoverre is het verzoek van de OMR aan het bevoegd gezag niet voldragen.

Voorts geldt dat de OMR, nadat bij haar vragen waren gerezen over de hiervoor genoemde onderwerpen, deze vragen eerst aan de orde had moeten stellen binnen de MR. Dat geldt in ieder geval daar waar het ging om de aangelegenheden ten aanzien waarvan de medezeggenschapsrechten niet uitsluitend aan de OMR toekwamen (…) de OMR [heeft] ten onrechte miskend dat zij als geleding deel uitmaakt van een MR en medeverantwoordelijk is voor de goede gang van zaken en een open overleg binnen de MR, ook waar onderwerpen aan de orde zijn waarin de belangen van de onderscheiden geledingen verschillen.

Ter zitting is de Commissie bovendien gebleken dat het bevoegd gezag per 1 augustus 2017 een beleidsondersteunende medewerker bij de Centrale Directie van het bevoegd gezag heeft benoemd, die specifiek de ondersteuning van de MR en de geledingen van de MR in haar takenpakket heeft. De OMR wist of kon weten van het bestaan van deze ondersteuning, maar heeft daar desondanks geen gebruik van gemaakt.

Het voorgaande brengt de Commissie tot het oordeel dat de OMR zich in verband met de bij haar gerezen vragen in eerste instantie had kunnen wenden tot de (voorzitter van de) MR dan wel tot beleidsondersteunende medewerker van de Centrale Directie van het bevoegd gezag, maar dit heeft nagelaten zonder overtuigende redenen. De OMR heeft zich dan ook prematuur tot een extern deskundige gewend.

De kosten van het raadplegen van deze deskundige zijn dan ook niet redelijkerwijs noodzakelijk gebleken, zodat het bevoegd gezag artikel 28 lid 2 Wms juist heeft toegepast en de verzoeken van de OMR dienen te worden afgewezen.”

2.13

Mr. Hogerzeil heeft LVO op 8 juni 2018 een factuur gestuurd voor een bedrag van € 15.375,81 inclusief kantoorkosten en btw ter zake van werkzaamheden in de maanden november 2017 t/m maart 2018 betreffende de procedure bij de commissie en een factuur voor een bedrag van € 9.383,55 inclusief kantoorkosten en btw ter zake van werkzaamheden in de maanden maart en april 2018 betreffende deze procedure bij de Ondernemingskamer.

3 De gronden van de beslissing

3.1

De OMR verzoekt in deze procedure de uitspraak van de commissie te vernietigen en te bepalen dat LVO de redelijkerwijs noodzakelijke kosten op zich neemt van de advisering aan de OMR en van het voeren van de onderhavige procedures. Zij legt daaraan ten grondslag dat in de gegeven omstandigheden haar verzoek om een kostenvergoeding voldoende was toegelicht en dat van haar niet kon worden gevergd dat zij alvorens een deskundige te raadplegen eerst overleg zou voeren met de MR en/of navraag zou doen bij de beleidsondersteunende medewerker. Ingevolge artikel 28 lid 2 Wms heeft de OMR een zelfstandig recht op vergoeding van de kosten voor het raadplegen van een deskundige en voor het voeren van rechtsgedingen. De OMR heeft daarvoor geen instemming nodig van de MR, terwijl evenmin vooraf overlegd hoeft te worden met een door het bevoegd gezag aangestelde functionaris. De uitspraak van de commissie kan daarom niet in stand blijven en LVO dient alsnog de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van de advisering aan de OMR te dragen alsmede de kosten van het voeren van de procedures bij de commissie en de Ondernemingskamer, aldus de OMR.

3.2

LVO heeft zich verweerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.

3.3

Ingevolge artikel 3 Wms is aan een school voor voortgezet onderwijs, zoals het Sint-Maartenscollege, een medezeggenschapsraad (MR) verbonden die bestaat uit leden die worden gekozen uit en door het personeel en daarnaast uit leden die worden gekozen deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen (de geledingen). Op grond van artikel 7 lid 1 Wms bevordert de MR naar vermogen openheid en onderling overleg in de school. Aan de MR als geheel is in artikel 10 en 11 Wms voor een aantal aangelegenheden een instemmings- respectievelijk adviesbevoegdheid toegekend. In artikel 14 Wms is voor een aantal aangelegenheden een instemmingsbevoegdheid toegekend aan de ouder- en leerlingengeleding gezamenlijk (O/LMR), dan wel aan de oudergeleding (OMR) of de leerlingengeleding (LMR) afzonderlijk. Artikel 28 lid 2 Wms bepaalt vervolgens dat de kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de medezeggenschapsraad ten laste komen van het bevoegd gezag; de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van het raadplegen van een deskundige en van het voeren van rechtsgedingen door de medezeggenschapsraad komen slechts ten laste van het bevoegd gezag indien het bevoegd gezag vooraf in kennis is gesteld van de te maken kosten. In artikel 10 van het medezeggenschapsstatuut van LVO is eenzelfde bepaling opgenomen. Op grond van artikel 35 Wms kan de MR aan de commissie een geschil voorleggen inzake de naleving door het bevoegd gezag van de bij of krachtens de Wms geldende verplichtingen jegens de MR. Ingevolge artikel 36 Wms kunnen de MR en het bevoegd gezag tegen een beslissing van de commissie beroep instellen bij de Ondernemingskamer. Artikel 37 Wms bepaalt dat de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing zijn op de geledingen, zoals de OMR.

3.4

LVO heeft allereerst aangevoerd dat de OMR niet-ontvankelijk is in haar verzoek omdat het verzoek blijkens het voorblad van het verzoekschrift wordt ingediend door de oudergeleding van de medezeggenschapsraad van de ‘Stichting Limburgs Voorgezet Onderwijs’. Dit verweer slaagt niet. Het gaat hier om een kennelijke verschrijving waarover, zoals uit het verweerschrift zonder meer blijkt, geen misverstand kan bestaan en die ook voor LVO kenbaar is. LVO heeft verder aangevoerd dat de OMR inmiddels uit twee leden bestaat en niet duidelijk is of het onderhavige verzoek namens de OMR met instemming van het tweede lid van de OMR wordt gedaan of dat het verzoek alleen door Dohmen wordt gedaan. Desgevraagd heef mr. Hogerzeil ter zitting bevestigd dat het onderhavig verzoek met instemming van beide leden van de OMR wordt gedaan, zodat de Ondernemingskamer daarvan uitgaat.

3.5

LVO heeft verder betoogd dat de OMR niet-ontvankelijk is in haar verzoek omdat de onderwerpen waarover de OMR blijkens de brief van 9 oktober 2017 een deskundige wilde raadplegen (ten dele) aangelegenheden betreffen waarvoor op grond van de Wms een instemmingsbevoegdheid aan de MR of de O/LMR gezamenlijk toekomt. De OMR heeft volgens LVO voor die onderwerpen geen eigen aanspraak op een kostenvergoeding, maar alleen gezamenlijk met de MR en/of de LMR. Om die reden is de OMR in dit geval ook niet bevoegd om ex artikel 35 Wms zelfstandig een verzoek tot naleving van de bij of krachtens de Wms geldende verplichtingen te doen. Ook dit verweer slaagt niet. Op grond van artikel 28 lid 2 Wms komen de kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de medezeggenschapsraad - waaronder de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen - ten laste van het bevoegd gezag. Deze aanspraak op vergoeding van kosten komt niet alleen toe aan de medezeggenschapsraad als geheel, maar ook aan de geledingen, voor zover het gaat om de uitvoering van de aan hen opgedragen taak. Onderdeel van die taak is het voeren van overleg met de andere geledingen van de MR over de uitoefening van de gemeenschappelijke bevoegdheden. In dat kader is niet uit te sluiten dat een geleding onder omstandigheden ook zelfstandig aanspraak kan maken op een kostenvergoeding ter zake van een onderwerp waarvoor de MR als geheel of twee geledingen gezamenlijk een bevoegdheid toekomt. Het kan voor een geleding immers redelijkerwijs noodzakelijk zijn een deskundige te raadplegen om haar eigen standpunt te kunnen bepalen in het kader van het overleg over de uitoefening van een gezamenlijke bevoegdheid. Verder geldt dat aan de OMR ingevolge artikel 37 Wms een zelfstandige bevoegdheid toekomt om op de voet van artikel 35 Wms aan de commissie een geschil voor te leggen over de vraag of LVO haar verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms is nagekomen en om van die beslissing op de voet van artikel 36 Wms beroep bij de Ondernemingskamer in te stellen, zoals zij hier heeft gedaan. Tot slot is van belang dat de voorzitter van de LMR bij e-mail van 7 december 2017 heeft laten weten dat de LMR het verzoek van de OMR steunt en het verzoek om vergoeding van kosten in zoverre geacht moet worden (mede) namens de O/LMR te zijn gedaan.

3.6

Vervolgens is aan de orde of LVO in dit geval jegens de OMR haar verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms is nagekomen. Dit betreft niet een marginale beoordeling, maar de Ondernemingskamer dient ten volle te toetsen of in dit concrete geval het voor de vervulling van de taken van de OMR redelijkerwijs noodzakelijk was om mr. Hogerzeil als deskundige te raadplegen en of de kosten daarvan ten laste van LVO komen (MvT, Kamerstukken II, 2014/15, 34251, nr. 3 p. 49). Daarbij moeten onder meer in aanmerking worden genomen het belang en de aard van het onderwerp waarover de OMR de deskundige wenst te raadplegen, de omvang van de daarmee gemoeide kosten en de draagkracht van de school. In dat kader kan tevens van belang zijn of en, zo ja, in hoeverre de OMR ook andere, minder kostbare middelen ter beschikking stonden om de door haar gewenste informatie te verkrijgen.

3.7

Blijkens de brief van 9 oktober 2017, zoals nader toegelicht bij brief van 17 oktober 2017 zag het verzoek om vergoeding van kosten op de medezeggenschapsrechten van de OMR met betrekking tot 1) de vaststelling van de schoolgids 2) de keuzewerktijd voor het vwo 3) de communicatie met de achterban en 4) vermelding in de schoolgids van de combinatieklassen onderbouw en bovenbouw. Meer specifiek ging het erom dat de schoolgids en de daarin te vermelden keuzewerktijd voor het vwo ten onrechte niet tijdig op de voet van artikel 14 lid 1 onder a respectievelijk artikel 14 lid 4 Wms ter instemming aan de OMR waren voorgelegd. Verder wilde de OMR direct met haar achterban communiceren en niet door middel van de nieuwsbrief en meende de OMR dat informatie over de combinatieklassen ten onrechte niet in de schoolgids was opgenomen.

3.8

Uit de brieven van LVO van 31 oktober 2017 en 16 november 2017, met bijlagen volgt dat de bij de OMR levende vragen vrij eenvoudig te beantwoorden waren. De schoolgids was op 27 september 2017 ter instemming aan de medezeggenschapsraad toegezonden, waarbij de secretaris van de medezeggenschapraad voor doorzending aan de OMR zou zorgdragen. Volgens LVO is (ook op verzoek van de medezeggenschapsraden) de gebruikelijke gang van zaken met betrekking tot de aanbieding van stukken aan een medezeggenschapsraad of een geleding daarvan dat deze worden aangeboden via de voorzitter en de secretaris van de medezeggenschapsraad. Het onderwerp keuzewerktijd is (via het Transitieplan Onderwijstijd vwo en vervolgens via de lessentabel vwo) ter instemming voorgelegd aan de medezeggenschapsraad. Over de keuzewerktijd werd al sinds maart 2017 met de medezeggenschapsraad overleg gevoerd, waarbij ook de OMR betrokken was, maar over de invulling daarvan was nog geen overeenstemming bereikt. Ten aanzien van de combinatieklassen onderbouw en bovenbouw was ook LVO van mening dat dit in de schoolgids vermeld had moeten worden. LVO heeft toegezegd dat alsnog bij addendum te zullen doen en dit ter instemming aan de OMR te zullen voorleggen. LVO heeft de oproep van de OMR aan de achterban op de gebruikelijke wijze in haar nieuwsbrief gepubliceerd. LVO kwam niet tegemoet aan het verzoek van de OMR om de e-mailadressen van de ouders ter beschikking te stellen omdat dit zich niet verdraagt met de Wet Bescherming Persoonsgegevens.

3.9

De Ondernemingskamer is van oordeel dat aldus voor elk van de onderwerpen waarvoor de OMR om vergoeding van deskundige bijstand heeft verzocht geldt dat navraag bij de medezeggenschapsraad en/of LVO de gewenste duidelijkheid had kunnen bieden, waarna zo nodig nader overleg had kunnen volgen. Dat de aard van die onderwerpen meebracht dat daarvoor bijzondere expertise nodig was in de vorm van externe juridische bijstand is door de OMR niet gesteld en is de Ondernemingskamer ook overigens niet gebleken. De Ondernemingskamer is - met de commissie - van oordeel dat de OMR onder deze omstandigheden haar vragen eerst aan de orde had moeten stellen binnen de medezeggenschapsraad als geheel. Daarbij is van belang dat de medezeggenschapsraad, waarvan de OMR onderdeel uitmaakt, op grond van artikel 7 lid 1 Wms naar vermogen openheid en overleg in de school dient te bevorderen. Artikel 7 lid 3 Wms bepaalt daarbij uitdrukkelijk dat de medezeggenschapsraad de geledingen in de gelegenheid stelt over aangelegenheden die de betrokken geledingen in het bijzonder raken, met hem in overleg te treden. Daar waar bij de OMR vragen waren gerezen over de uitoefening van haar bevoegdheden had zij daarover in overleg moeten treden met de medezeggenschapsraad, temeer nu in ieder geval de vaststelling en de inhoud van de schoolgids onderwerpen zijn waarvoor de LMR en de OMR slechts gezamenlijk een bevoegdheid toekomt. De vraag of de e-mail adressen van de ouders aan de OMR ter beschikking gesteld konden worden dan wel of verzending van een oproep per afzonderlijke e-mail de voorkeur verdiende boven publicatie in de nieuwsbrief had eenvoudig besproken kunnen worden met LVO en had zo nodig opgenomen kunnen worden met de door LVO speciaal ter verbetering van de medezeggenschap aangestelde beleidsondersteunende medewerker. Ter zitting is gebleken dat deze medewerker ervaring heeft in de medezeggenschap en ook advisering aan de medezeggenschapsraden in haar takenpakket heeft. Dat zij in dienst is van het LVO, diskwalificeert haar niet op voorhand, anders dan de OMR kennelijk meent. Om uitsluitsel te krijgen op dit punt was geen bijzondere expertise vereist.

3.10

Tussen partijen is niet in geschil dat de OMR dat alles in dit geval niet heeft gedaan. De OMR heeft nog aangevoerd dat zij een verschil van mening had met de medezeggenschapsraad over de tijdige ontvangst van de schoolgids en dat zij dus een eigen belang had bij inwinnen van advies. De OMR heeft echter niet toegelicht waaruit dat verschil van mening bestond, noch waarom aldus sprake was van een tegengesteld belang dat haar verhinderde om met de medezeggenschapsraad in overleg te treden.

3.11

De OMR heeft verder aangevoerd dat zij zelf dient te bepalen of en in welke mate zij behoefte heeft een deskundige te raadplegen en dat het bevoegd gezag - en de commissie en de Ondernemingskamer - dit vervolgens slechts marginaal kunnen toetsen. Volgens de OMR kan zij er mee volstaan het bevoegd gezag in kennis te stellen van het concrete voornemen een deskundige te raadplegen en een opgave te doen van de daaraan verbonden kosten, waarna het aan het bevoegd gezag is om op de voet van artikel 28 lid 2 Wms te bevestigen dat zij de kosten zal dragen.

3.12

De OMR miskent met haar betoog dat ingevolge artikel 28 lid 2 Wms alleen de kosten ten laste van het bevoegd gezag komen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de medezeggenschapsraad en haar geledingen. Het bevoegd gezag zal moeten beoordelen of daarvan in een concreet geval sprake is. Dit betekent dat de OMR die een deskundige wil raadplegen en vraagt te bevestigen dat de kosten daarvan door het bevoegd gezag gedragen zullen worden, voldoende gegevens zal moeten aanreiken om het bevoegd gezag in staat te stellen die beoordeling te maken. Daarbij is in ieder geval te denken aan een concrete omschrijving van het onderwerp waarover de OMR een deskundige wenst te raadplegen, een toelichting waarom het in dit geval redelijkerwijs noodzakelijk is daarover een deskundige te raadplegen en een opgave van de daaraan verbonden kosten. De brief van mr. Hogerzeil van 9 oktober 2017 schiet in dat opzicht te kort. Niet alleen blijkt daaruit onvoldoende waarover de OMR precies extern advies wenst in te roepen, maar met name ontbreekt een concrete onderbouwing waarom het in dit geval redelijkerwijs noodzakelijk was om daarvoor een advocaat in te schakelen met de daaraan voor de school verbonden aanzienlijke kosten.

3.13

De Ondernemingskamer is in het licht van het voorgaande van oordeel dat de OMR zich in dit geval met de bij haar gerezen vragen eerst tot de medezeggenschapsraad als geheel had dienen te wenden, dan wel tot de daarvoor door LVO aangestelde beleidsondersteunende medewerker en dat voldoende aannemelijk is dat dit ook zonder de inschakeling van een advocaat voor de gewenste duidelijkheid – en eventueel nader overleg – had kunnen zorgen. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het voor de OMR redelijkerwijs noodzakelijk was een deskundige te raadplegen en komen de kosten daarvan dus niet ten laste van het bevoegd gezag. Dit betekent dat LVO in dit geval niet tekort is geschoten in de naleving van haar verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms.

3.14

Tot slot is aan de orde of LVO op de voet van artikel 28 lid 2 Wms de kosten dient te dragen die de OMR heeft gemaakt voor het voeren van de procedures bij de commissie en de Ondernemingskamer. Blijkens de wetsgeschiedenis (MvT, Kamerstukken II, 2014/15, 34251, nr. 3 p. 43) moeten de kosten van een nalevingsgeschil bij de commissie en de Ondernemingskamer in ieder geval worden aangemerkt als redelijkerwijs noodzakelijke kosten, onafhankelijk van de vraag welke partij in het ongelijk wordt gesteld. LVO is dan ook gehouden de redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor het voeren van de procedures te dragen. De Ondernemingskamer is evenwel van oordeel dat het door mr. Hogerzeil in rekening gebrachte bedrag van € 15.375,81 voor de procedure bij de commissie en € 9.383,55 voor de procedure bij de Ondernemingskamer in geen verhouding staat tot de aard en de omvang van het onderhavige geschil en dat die kosten, door de combinatie van het gehanteerde tarief en de bestede tijd, mede gelet op de beperkte draagkracht van het Sint-Maartenscollege, ook in absolute zin niet als redelijk kunnen worden aangemerkt. Daarbij komt dat op basis van de door mr. Hogerzeil verstrekte urenspecificatie niet kan worden uitgesloten dat in ieder geval ook een deel van de bestede tijd is aangewend voor de advisering van de OMR inzake de onderliggende problematiek, waarvan de kosten zoals hiervoor is overwogen niet door LVO hoeven te worden gedragen. In het licht van deze omstandigheden ziet de Ondernemingskamer aanleiding het door LVO ter zake van proceskosten verschuldigde bedrag te matigen tot in totaal € 15.000 inclusief btw.

3.15

De slotsom is dat het beroep tegen de uitspraak van de commissie zal wordt verworpen en dat het verzoek te bepalen dat LVO de redelijkerwijs noodzakelijke kosten op zich neemt van de advisering aan de OMR zal worden afgewezen. De Ondernemingskamer zal bepalen dat de kosten van de OMR voor het voeren van de procedure ten laste komen van LVO tot een bedrag van € 15.000 inclusief btw.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

verwerpt het beroep tegen de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms van 26 februari 2018;

bepaalt dat de kosten van de OMR voor voeren van de procedure (zowel bij de Landelijke Commissie voor geschillen Wms als bij de Ondernemingskamer) ten laste komen van LVO tot een bedrag van in totaal € 15.000 inclusief btw;

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema, mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. H.H.J. Zevenhuijzen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 25 september 2018.