Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3424

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
23-002405-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002405-17

datum uitspraak: 26 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-113766-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

7 mei 2018 en 12 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof een in hoger beroep gevoerd bewijsverweer bespreekt en dat het hof de gronden waarop de bewezenverklaring berust aanvult met het hieronder opgenomen bewijsmiddel.

Bewijsmiddel

De verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van

12 september 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik kan mij de gebeurtenis in de avond van 31 mei 2016 grotendeels herinneren. Ik was op dat moment aan het wandelen over de [adres 1]. Er kwam een meisje van een jaar of veertien schreeuwend en huilend hard aangelopen. In eerste instantie dacht ik: moet ik helpen? Maar zij liep snel voorbij. Ik kreeg er een naar gevoel bij. Ik ben verder gelopen en toen zag ik degene van wie ik achteraf begreep dat het haar vader was het erf aflopen. Hij was boos. Ik ben doorgelopen. Toen kwam ik meneer [naam] tegen en die groette ik. Ik ben weer doorgelopen. Tot ik een schreeuw hoorde. Ik draaide me om en zag dat meneer [naam] door een man in de greppel werd geduwd. De verdachte die vandaag aanwezig is herken ik als die man. Ik zag dat meneer [verdachte] meneer [naam] pakte. Ik weet niet meer exact hoe hij dat deed, maar ik zag wel dat hij zijn hand op de schouder van [naam] deed en hem zo in de greppel duwde. Ik gok dat ik op ongeveer tien à vijftien meter afstand stond. Meneer [naam] was met de fiets. Hij is gevallen met de fiets.

Ik heb zojuist verklaard dat ik heb gezien dat meneer [naam] in een greppel werd geduwd. In mijn beleving loopt het daar scheef en kwam meneer [naam] in het gras terecht dat iets lager dan de weg ligt. Ik bedoel met ‘greppel’ niet per sé een klein slootje of iets dergelijks.

Bespreking van een verweer

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Primair omdat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard nu zowel de verdachte als de aangever hebben verklaard dat de verdachte de aangever niet heeft geduwd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 31 mei 2016 voor de op zijn fiets aankomende aangever [naam] op de [adres 1] is gaan staan om hem ter verantwoording te roepen, en dat de aangever [naam] toen met zijn fiets ten val is gekomen, doch niet als gevolg van een duw van de verdachte, maar doordat de aangever [naam] volgens de verdachte teveel alcohol had gedronken. Volgens het subsidiaire betoog van de verdediging moet, gelet op de discrepanties tussen de verklaringen van de betrokkenen en de getuige redelijkerwijs getwijfeld worden aan de betrouwbaarheid daarvan.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe het volgende.

De aangever heeft op 31 mei 2016, zeer kort na het voorval, ten overstaan van de politie verklaard dat hij voorbij het erf [adres 1] 12 te Castricum fietste, dat de verdachte naar hem schreeuwde, naar hem kwam gerend en hem een duw of slag in zijn rug/schouder heeft gegeven waardoor hij met zijn fiets op de grond viel. Hij viel daarbij op zijn rechter onderarm. Van het letsel aan de arm bevindt zich op p. 9 een foto in het dossier. Van alcoholgebruik door de aangever blijkt op geen enkele wijze uit het dossier, ook niet uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende het ter plaatse komen en aangesproken worden door de aangever. De getuige [getuige 1] heeft op 31 mei 2016, zeer kort na het voorval, tegenover de politie verklaard dat zij over de [adres 1] te Castricum liep en daar de aangever tegenkwam die haar voorbij fietste. Zij hoorde een schreeuw en keek om. Zij zag dat een man, ter hoogte van [adres 1] 12, met beide handen krachtig in de linkerzij van de aangever duwde en dat deze hierdoor ten val kwam. In hoger beroep heeft zij daaraan toegevoegd dat zij de verdachte heeft herkend als de man die de aangever een duw heeft gegeven.

Het hof acht op grond van deze verklaring van de aangever en de verklaringen die de getuige [getuige 1] ten overstaan van de politie en op de terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever een duw heeft gegeven waardoor deze op de grond viel. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen, nu deze verklaringen gedetailleerd zijn en op essentiële onderdelen over en weer steun vinden in elkaar.

Dat de aangever, geboren op 17 augustus 1941, ter terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2018, en dus bijna twee jaar na het voorval, tevens heeft verklaard dat hij niet van zijn fiets is geduwd, maar dat hij is gevallen door een trap tegen zijn fiets, doet aan het vorenstaande niet af.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, waarvan 15 dagen, subsidiair 7 dagen hechtenis voorwaardelijk.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn destijds bijna 75-jarige buurman. Hierdoor heeft het slachtoffer pijn ondervonden. Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het hof rekent dit de verdachte aan, in het bijzonder gelet op de hoge leeftijd van het slachtoffer en op het fysieke overwicht dat de verdachte – volgens diens eigen verklaring ter terechtzitting in hoger beroep – op het slachtoffer heeft. Het hof heeft verder acht geslagen op de context waarbinnen het bewezen verklaarde feit zich heeft afgespeeld. Uit het dossier komt naar voren dat sprake is van een langlopende burenruzie tussen de verdachte en het slachtoffer. Het hof ziet aanleiding te bepalen dat de straf geheel voorwaardelijk zal worden opgelegd, teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde taakstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. R.D. van Heffen en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 september 2018.