Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3389

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
23-002273-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002273-16

Datum uitspraak: 16 juli 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2016 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-075917-16 en 15-110992-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

uit anderen hoofde gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol Detentiecentrum te Badhoevedorp.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vordering advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:

- het door de politierechter onder I opgenomen bewijsmiddel vervangt door het ambtsedige proces-verbaal van bevindingen van 11 april 2016 van de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] met nummer 2016080799-4 (dossierpagina’s 6-7), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben brigadier van politie [bij de] eenheid Noord-Holland. Op 11 april 2016 bevond ik mij, in uniform gekleed en met wijkzorg belast, te Wormerveer. Ik hoorde een melding van jeugdoverlast bij [school] te Wormerveer. Ik heb mij naar die locatie begeven. Ik zag daar op het schoolplein een groep van ongeveer 20 jeugdigen zitten. Ik ben in contact getreden met deze groep. Tijdens het gesprek met deze jeugdigen zag en hoorde ik dat een manspersoon, die later genaamd bleek te zijn [verdachte], geboren op [geboortedag] 1981 te Zaanstad, zich mengde in de gesprekken en daarbij luidruchtig sprak. Hij begon zeer hard te schreeuwen. Hierop heb ik [verdachte] op zijn gedrag aangesproken. Na een korte discussie met hem, heb ik hem gevorderd het schoolplein te verlaten, aangezien hij de openbare orde verstoorde en mij verstoorde in de uitoefening van mijn werk. Ik hoorde dat Manuputty hierop met luidde stem antwoorde: “En anders, wat ga je anders doen? Ga je mij aanhouden?”. Ik heb hierop geantwoord dat ik hem in dat geval inderdaad zou gaan aanhouden. Ik, verbalisant, zag en hoorde dat [verdachte] hierop wegliep en met boze en zeer harde stem riep “Wie ben jij nou? Je bent een flikkertje!”. Ik zag dat ten tijde van de discussie met [verdachte] en zijn beledigende tekst nog steeds ongeveer 20 jeugdigen naar mij en [verdachte] keken. Deze jeugdigen hebben het geroep, geschreeuw en de belediging van [verdachte] goed kunnen horen. Gezien deze situatie voel ik mij, verbalisant, beledigd in mijn eer en goede naam. Ik vind dat het gedrag van [verdachte] mijn gezag c.q. aanzien als wijkagent ondermijnt. Ik heb portofonisch verzocht een tweede voertuig [het hof begrijpt: politievoertuig] ter plaatse te laten komen. Hierop heb ik, verbalisant, [verdachte] aangegeven dat hij bij deze werd aangehouden en hem transportboeien omgelegd.

- in bewijsmiddel III, zoals gebezigd door de politierechter, achter “29 mei 2016” invoegt “op de locatie Guishof 1 te Zaandijk, binnen de gemeente Zaanstad”;

- in de kop van bewijsmiddel V, zoals gebezigd door de politierechter, de datum “29 april 2016” verbetert in “29 mei 2016” en het woordenpaar “bevond mij” vervangt door “bevond ik mij, in uniform gekleed,”;

- in bewijsmiddel VI, zoals gebezigd door de politierechter, achter “het cellencomplex” invoegt “van het politiebureau te Zaandijk, Guishof 1”;

- aan de bewezenverklaring als bewijsmiddel Va mede ten grondslag legt een proces-verbaal van aanhouding van 29 mei 2016 met nummer 2016118545-2 van de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 8-9), voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven, als mededeling van één van de verbalisanten: “Ik, [verbalisant 4], ben agent van politie, eenheid Noord-Holland.”;

- als volgt respondeert op een in hoger beroep gevoerd strafmaatverweer.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd strafmaatverweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toe te passen, nu artikel 63 Sr van toepassing is en de verdachte in een andere strafzaak een lagere staf is opgelegd dan de zestien dagen die hij in die zaak reeds in voorarrest had doorgebracht.

Het hof vindt noch in het bepaalde in artikel 63 Sr, noch in de omstandigheid dat de verdachte (achteraf bezien) in een andere strafzaak te lang in voorarrest heeft verbleven, aanleiding af te wijken van de straf zoals die is opgelegd door de politierechter. Het hof spreekt de hoop uit dat de omstandigheid dat de verdachte inmiddels onder de hoede is genomen van zijn (naar verluid: strenge) tante, eraan kan bijdragen dat aan de indrukwekkende groei van het strafblad van de verdachte een halt wordt toegeroepen. Het hof sluit zich verder aan bij de overwegingen waarop de politierechter de strafoplegging heeft gestoeld.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. J.J.I. de Jong en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2018.