Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3387

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
23-002551-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstallen en voorhanden hebben ploertendoder. Bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002551-17

Datum uitspraak: 6 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-051892-17 en 15-057366-17 en 15-067083-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

uit anderen hoofde gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 (zaak met parketnummer 15-051892-17):
hij, op of omstreeks 9 maart 2017, te Bergen (NH) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen diverse kledingstukken (waaronder jassen, truien en/of vesten), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

feit 2 (zaak met parketnummer 15-057366-17):
hij op of omstreeks 5 februari 2017 te Haarlem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere geur(en) (waaronder een van van het merk Hugo Boss), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] ([adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

feit 3 (zaak met parketnummer 15-057366-17):
hij op of omstreeks 7 februari 2017 te Haarlem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere geur(en) (waaronder een van het merk Guess), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] ([adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

feit 4 (zaak met parketnummer 15-067083-17):
hij op een en/of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 25 februari 2017 te Haarlem een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten een ploertendoder en/of (werp)mes, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 (zaak met parketnummer 15-051892-17):
hij op 9 maart 2017, te Bergen (NH), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen diverse kledingstukken (waaronder jassen, een trui en vesten), toebehorende aan [bedrijf 1];

feit 2 (zaak met parketnummer 15-057366-17):
hij op 5 februari 2017 te Haarlem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geuren (waaronder een van het merk Hugo Boss), toebehorende aan [bedrijf 2] ([adres]);

feit 3 (zaak met parketnummer 15-057366-17):
hij op 7 februari 2017 te Haarlem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geuren (waaronder een van het merk Guess), toebehorende aan [bedrijf 2] ([adres]);

feit 4 (zaak met parketnummer 15-067083-17):
hij op 25 februari 2017 te Haarlem wapens van categorie I, onder 3, te weten een ploertendoder en een werpmes, voorhanden heeft gehad.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd een meldplicht, een (klinische) behandelverplichting in verband met verdachtes verslavingsproblematiek, een opname in een zorginstelling en de plicht mee te werken aan opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, waarbij de bijzondere voorwaarden dienen te worden gesteld die zijn neergelegd in het rapport van GGZ Reclassering Fivoor van 29 juni 2018.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte een geheel dan wel grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en aan de op te leggen voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden te koppelen zoals deze zijn weergegeven in het genoemde rapport van 29 juni 2018.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie winkeldiefstallen. In één geval vertegenwoordigde de buit, die bestond uit een grote hoeveelheid merkkleding, een waarde van ruim € 3.700 en in de twee andere gevallen ging het om de diefstal van een flink aantal dure geurtjes. Met zijn handelwijze heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien overlast voor de benadeelden.

Daarnaast heeft de verdachte een ploertendoder en een werpmes voorhanden gehad. Het ongecontroleerd bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot onveiligheid in de maatschappij.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 juni 2018 is hij vele malen eerder onherroepelijk veroordeeld, ook tot langdurige gevangenisstraffen, wegens onder meer vermogensmisdrijven van uiteenlopende ernst, verkeersmisdrijven en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie en de Opiumwet. De omstandigheid dat de verdachte uit één en ander geen lering heeft getrokken, weegt in zijn nadeel.

De ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigt, mede in het licht van de straffen die in soortgelijke gevallen aan recidivisten plegen te worden opgelegd, zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Het hof zal daartoe in dit bijzondere geval evenwel niet overgaan. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit de rapporten van GGZ Palier en GGZ Reclassering Fivoor van 11 april 2017 en 29 juni 2018 komt het volgende naar voren. De verdachte kampt met een langdurige en buitengewoon hardnekkige verslaving aan harddrugs, in het bijzonder GHB. Daarnaast is hij in 2011 en 2015 gediagnostiseerd met persoonlijkheidsproblematiek. De verslaving van de verdachte is echter de wortel van de problemen die op diverse leefgebieden spelen, waaronder zijn financiën en woonsituatie. Om de als (zeer) hoog ingeschatte recidivekans terug te dringen is een stringent hulpverleningskader vereist. Daarom wordt in het meest recente rapport geadviseerd tot het stellen van bijzondere voorwaarden, te weten dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, zich voor de duur van maximaal twaalf maanden laat opnemen in de Forensische Verslavingskliniek Antes, zich daarna bij een terugval kortdurend (zeven weken) klinisch laat opnemen, laat behandelen bij het Ambulant Centrum Fivoor, zich laat opnemen in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en meewerkt aan urinecontroles, blaastesten, huisbezoeken, referentencontacten en (zo nodig) een schuldhulpverleningstraject. Verder is gebleken dat de verdachte als cliënt is geaccepteerd door en op de wachtlijst is plaatst bij Forensische Verslavingskliniek Antes te Rotterdam.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof voorts gebleken dat de verdachte (eindelijk) open staat voor behandeling en gemotiveerd is aan zijn problemen te gaan werken. Hoewel de verdachte in het verleden ambivalent was richting de hulpverlening, waardoor dit meer dan eens op een mislukking is uitgelopen, is de verdachte positief over het nu voorgestelde kader. De kentering in de houding van de verdachte is naar zijn zeggen hierin gelegen dat hij de leeftijd van tweeënveertig jaren heeft bereikt, dat zijn vrienden “huisje, boompje, beestje” hebben, terwijl hij niets heeft. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze positief te waarderen bereidheid van de verdachte zich te conformeren aan het voor hem uitgestippelde hulpverleningstraject niet wordt doorkruist door een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarom zal het hof de gevangenisstraf grotendeels in voorwaardelijke vorm opleggen en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen. De verdachte wordt zo een voorlopig laatste kans gegund om – met de nodige hulp – zijn leven blijvend ten goede te keren. Immers, niet is uitgesloten dat in een eventuele volgende strafzaak de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD) wordt gevorderd en aan de verdachte opgelegd, waardoor hij langdurig gedetineerd zou kunnen raken.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, een passende en geboden reactie op de bewezen feiten vormt. Oplegging van een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf, zoals door de raadsvrouw is voorgesteld, zou al te zeer voorbijgaan aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en het strafblad van de verdachte. Hieruit spreekt voorts dat het hof van oordeel is dat de straf die de advocaat-generaal heeft gevorderd onvoldoende recht doet aan het bewezen verklaarde.

Nu de verdere stabilisatie van de situatie van de verdachte naar verwachting nog geruime tijd in beslag zal nemen, zal een proeftijd van drie jaren worden vastgesteld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de veroordeelde zich meldt bij GGZ Reclassering Fivoor, zo vaak en zo lang als die instelling dat nodig acht, en zich houdt aan de aanwijzingen die hem door of namens GGZ Reclassering Fivoor worden gegeven, die mede kunnen inhouden het meewerken aan urinecontroles, blaastesten, huisbezoeken, referentencontacten en (zo nodig) een schuldhulpverleningstraject;

- de veroordeelde zich laat opnemen in Forensische Verslavingskliniek (FVK) Antes of een soortgelijke door de reclassering (na indicatiestelling door IFZ) aan te wijzen instelling voor klinische forensische verslavingszorg, zulks gedurende een periode van 12 (TWAALF) maanden of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering verantwoord achten, en hij zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door zijn behandelaars worden gegeven;

- de veroordeelde zich (al dan niet aansluitend op de klinische opname, in het kader van nazorg) voor zijn verslavingsproblematiek laat behandelen bij Ambulant Centrum Haarlem van Fivoor, of bij een soortgelijke instelling, en zich – bij een terugval – gedurende 7 (ZEVEN) weken klinisch laat opnemen ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering verantwoord achten;

- de veroordeelde (al dan niet aansluitend op de klinische opname) verblijft in een door de reclassering aan te wijzen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich houdt aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Geeft GGZ Reclassering Fivoor opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. J.J.I. de Jong en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 juli 2018.