Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3386

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
23-003023-17 en 23-003076-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding gebiedsverboden, wederspannigheid en diefstal. Geldige dagvaarding. Hulpverleningskader dat in een andere strafzaak via bijzonder voorwaarden is geïndiceerd voortzetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummers: 23-003023-17 en 23-003076-17

Datum uitspraak: 2 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het onder hoofdparketnummer 13-090804-17 gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2017 (t.t.z. gevoegd: 13-097192-17 en 13-097804-17 en 13-102677-17 en 13-103498-17 en 13-104134-17) en het onder hoofdparketnummer 13-108315-17 gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2017 (t.t.z. gevoegd: 13-114909-17 en 13-117190-17 en 13-120249-17 en 13-145775-17) in de strafzaken tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (O) op [geboortedatum] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Tegen voormelde vonnissen is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Voeging

Het op 9 augustus 2017 onder hoofdparketnummer 13-090804-17 gewezen vonnis is bij het hof geregistreerd onder het parketnummer 23-003023-17. Het op 15 augustus 2017 onder hoofdparketnummer 13-108315-17 gewezen vonnis is bij het hof geregistreerd onder parketnummer 23-003076-17. Het hof heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2018 de voeging van deze zaken bevolen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zaak A (parketnummer 13-090804-17):
hij op of omstreeks 18 mei 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], aspirant(en) bij de Politie Eenheid Amsterdam, en/of [verbalisant 3], medewerker van de Politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte, door bij het aanleggen van de handboeien tegen de boeirichting in kracht te zetten en/of door wild om zich heen te schoppen en te slaan, althans door zich te verzetten bij zijn, verdachtes, aanhouding, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting en/of een blauwe plek en/of een rode streep bij voornoemde Maquine ten gevolge heeft gehad;

zaak B (parketnummer 13-097192-17):
hij op of omstreeks 29 mei 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer kwarkbollen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Rene's croissanterie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

zaak C (parketnummer 13-097804-17):
hij op of omstreeks 31 mei 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2017/2948 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172/172a van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 27 mei 2017 00:01 uur tot en met 26 juni 2017 23:59 uur niet mocht bevinden in/op Overlastgebied 1 Centrum, door, zich op voornoemde datum om 12:45 uur in/op het Rembrandtplein, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;


zaak D (parketnummer 13-102677-17):
hij op of omstreeks 8 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2017/2948 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172/172a van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 27 mei 2017 00:01 tot en met 26 juni 2017 23:59 niet mocht bevinden in/op Overlastgebied Centrum, door, zich op voornoemde datum om 20:40 in/op de Oudebrugsteeg, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

zaak E (parketnummer 13-103498-17):
hij op of omstreeks 9 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2017/2948 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172/172a van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 27 mei 2017 00:01 tot en met 26 juni 2017 23:59 niet mocht bevinden in/op Overlastgebied Centrum, door, zich op voornoemde datum om 16:02 in/op het Beursplein, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

zaak F (parketnummer 13-104134-17):
hij op of omstreeks 12 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2017/2948 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172/172a van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 27 mei 2017 00:01 tot en met 26 juni 2017 23:59 niet mocht bevinden in/op Overlastgebied Centrum, door, zich op voornoemde datum om 6:45 in/op het Damrak, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
zaak G (parketnummer 13-108315-17):
hij op of omstreeks 16 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer levensmiddelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

zaak H (parketnummer 13-114909-17):
hij op of omstreeks 25 juni 2017 te 09:20 uur te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied 1 Centrum, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 1 maand niet meer te bevinden.

zaak I (parketnummer 13-117190-17):
hij op of omstreeks 28 juni 2017 te 08:30 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied 1 Centrum, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden;

het in zaak J (parketnummer 13-120249-17) onder 1 ten laste gelegde:
hij op of omstreeks 2 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tasje bloembollen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Stins-Bloemen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

het in zaak J (parketnummer 13-120249-17) onder 2 ten laste gelegde:
hij op of omstreeks 2 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, brondocumentnummer 020720171002017028 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172/172a van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich vanaf 2 juli 2017 te 10:04 uur, gedurende 24 uur niet mocht bevinden in/op Overlastgebied 1 Centrum, door, zich op voornoemde datum om 15:15 in/op de Kalverstraat (ter hoogte van perceel 223), althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

zaak K (parketnummer 13-145775-17):
hij op of omstreeks 1 augustus 2017 te 23.54 uur te Amsterdam (op het Rembrandtplein ter hoogte van nummer 26) opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Centrum, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad

Vonnissen waarvan beroep

De vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd, omdat het hof na voeging van de zaken in hoger beroep komt tot één uitspraak en strafoplegging.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat de tenlastelegging in zaak C innerlijk tegenstrijdig is, waardoor onduidelijk is wat de verdachte wordt verweten. Ten laste is gelegd dat de verdachte zich op het Rembrandtplein bevond, terwijl dit plein niet valt in het hem opgelegde gebiedsverbod.

Naar het oordeel van het hof maakt de tenlastelegging voldoende duidelijk welke gedraging de verdachte wordt verweten, namelijk dat hij zich (kort gezegd) op 31 mei 2017 opzettelijk in Overlastgebied 1 Centrum heeft bevonden, terwijl dit hem op die dag was verboden. Gelet op de inhoud van het dossier, waarin naar voren komt dat de verdachte die dag op de Dam, gelegen binnen het Overlastgebied 1, is gezien en gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, alwaar de verdachte hiermee is geconfronteerd, is het hof van oordeel dat hem de beschuldiging voldoende duidelijk was om zich daartegen effectief te kunnen verdedigen. Dat het Rembrandtplein, een plein dat niet in het Overlastgebied 1 valt, ook in de tenlastelegging is opgenomen, doet daaraan niet af. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte niet degene is geweest die letsel heeft veroorzaakt bij de politieambtenaar [verbalisant 1].

Uit de aangifte van [verbalisant 1], de beschrijving van het bij hem geconstateerde letsel en het ambtsedig proces-verbaal van drie bij de aanhouding van de verdachte betrokken politieambtenaren leidt het hof evenwel af dat de verdachte zich op 18 mei 2017 tegen zijn aanhouding verzette door wild om zich heen te schoppen en te slaan, waarbij hij Maquine hard tegen het rechterscheenbeen heeft getrapt, die daardoor letsel heeft opgelopen, te weten een schaafwond: in de tenlastelegging verwoord als “een rode streep”. Het verweer vindt mitsdien zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaken A tot en met K ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak A (parketnummer 13-090804-17):
hij op 18 mei 2017 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], aspiranten bij de Politie Eenheid Amsterdam, en [verbalisant 3], medewerker van de Politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte, door bij het aanleggen van de handboeien tegen de boeirichting in kracht te zetten en door wild om zich heen te schoppen en te slaan, terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een rode streep bij Maquine ten gevolge heeft gehad;

zaak B (parketnummer 13-097192-17):
hij op 29 mei 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen kwarkbollen, toebehorende aan Rene’s croissanterie;

zaak C (parketnummer 13-097804-17):
hij op 31 mei 2017 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2017/2948 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van Amsterdam, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 27 mei 2017 te 00:01 uur tot en met 26 juni 2017 te 23:59 uur niet mocht bevinden in Overlastgebied 1 Centrum, door zich op voornoemde datum op een openbare weg, gelegen in voornoemd gebied te bevinden;


zaak D (parketnummer 13-102677-17):
hij op 8 juni 2017 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2017/2948 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van Amsterdam, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 27 mei 2017 te 00:01 uur tot en met 26 juni 2017 te 23:59 uur niet mocht bevinden in Overlastgebied Centrum, door zich op voornoemde datum te 20:40 uur in de Oudebrugsteeg, gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

zaak E (parketnummer 13-103498-17):
hij op 9 juni 2017 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2017/2948 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van Amsterdam, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 27 mei 2017 te 00:01 uur tot en met 26 juni 2017 te 23:59 uur niet mocht bevinden in Overlastgebied Centrum, door zich op voornoemde datum te 16:02 uur op het Beursplein, gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

zaak F (parketnummer 13-104134-17):
hij op 12 juni 2017 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2017/2948 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van Amsterdam, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 27 mei 2017 te 00:01 uur tot en met 26 juni 2017 te 23:59 uur niet mocht bevinden in Overlastgebied Centrum, door zich op voornoemde datum op het Damrak, gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

zaak G (parketnummer 13-108315-17):
hij op 16 juni 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen levensmiddelen, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn;

zaak H (parketnummer 13-114909-17):
hij op 25 juni 2017 te 09:20 uur te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende om zich uit het overlastgebied 1 Centrum, te verwijderen en zich daar gedurende 1 maand niet meer te bevinden.

zaak I (parketnummer 13-117190-17):
hij op 28 juni 2017 te 08:30 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende om zich uit het overlastgebied 1 Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden;

het de zaak J (parketnummer 13-120249-17) onder 1 ten laste gelegde:
hij op 2 juli 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tasje bloembollen, toebehorende aan winkelbedrijf Stins-Bloemen;

het de zaak J (parketnummer 13-120249-17) onder 2 ten laste gelegde:

hij op 2 juli 2017 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, brondocumentnummer 020720171002017028, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van Amsterdam, inhoudende dat hij, verdachte, zich vanaf 2 juli 2017 te 10:04 uur, gedurende 24 uur niet mocht bevinden in Overlastgebied 1 Centrum, door, zich op voornoemde datum om 15:15 uur in de Kalverstraat ter hoogte van perceel 223, gelegen in voornoemd gebied, te bevinden;

zaak K (parketnummer 13-145775-17):
hij op 1 augustus 2017 te 23.54 uur te Amsterdam op het Rembrandtplein ter hoogte van nummer 26 opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende om zich uit het overlastgebied Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.

Hetgeen in de zaken A tot en met K meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken A tot en met K bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak A bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het in de zaken B, G en J onder 1 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal.

Het in de zaken C, D, E, F, H, I, J onder 2 en K bewezen verklaarde levert telkens op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaken A tot en met K bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte bij vonnis van 9 augustus 2017 voor het in eerste aanleg in de zaken A tot en met F bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de politierechter de verdachte bij dat vonnis opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in de vorm van gebiedsverbod voor de duur van 3 maanden. Bij vonnis van 15 augustus 2017 heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaken G tot en met K bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in de zaken A tot en met K ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw heeft verzocht acht te slaan op de conclusie van de gedragskundigen die in een andere strafzaak omtrent de persoon van de verdachte hebben gerapporteerd, te weten dat de feiten die in die zaak aan de orde waren de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ook heeft zij gewezen op de toepasselijkheid van artikel 63 Sr en verzocht de verdachte geen vrijheidsbenemende straf op te leggen, maar een grotendeels voorwaardelijke taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een aantal maanden misdragen in het centrum van Amsterdam en daarbij veel overlast veroorzaakt. In die periode heeft hij zich – meer bepaald – schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich tegen zijn aanhouding te verzetten en daarbij tegen een politieambtenaar geweld te gebruiken. Dergelijk gedrag is ernstig, niet alleen omdat hiermee het werk van de politie wordt bemoeilijkt, maar ook omdat de desbetreffende ambtenaar erdoor in zijn gezag wordt aangetast. Bovendien heeft hij de politieambtenaar hierbij vervelend letsel bezorgd.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een aantal winkeldiefstallen. Met zijn handelwijze heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien overlast voor de benadeelden.

Voorts heeft de verdachte zich aan hem opgelegde gebiedsverboden op hardnekkige wijze genegeerd. Die verboden zijn gericht op de handhaving van de openbare orde in het betreffende gebied. Door het negeren daarvan heeft de verdachte het gevoerde beleid doorkruist en er blijk van gegeven lak te hebben aan de bevelen van gezagsdragers.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 juni 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, in het bijzonder wegens diefstallen en overtredingen van gebiedsverboden. Daarbij springt sterk in het oog dat álle strafbare feiten op het 14 bladzijden tellende strafblad van de verdachte zijn begaan in de periode van april tot en met september 2017.

De ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigt, mede in het licht van de straffen die in soortgelijke gevallen aan recidivisten plegen te worden opgelegd, zonder meer onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zoals die in eerste aanleg zijn opgelegd. Het hof zal daartoe in dit bijzondere geval evenwel niet overgaan. Daartoe is het volgende redengevend.

Ten behoeve van de strafzaak die heeft geleid tot het (onherroepelijk) vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2017 zijn omtrent de persoon van de verdachte door psychiater [naam 1] en GZ-psycholoog [naam 2] rapporten opgemaakt, gedateerd 18 oktober 2017 respectievelijk 11 november 2017. Daarin is – samengevat – geconcludeerd dat de verdachte tijdens de in die zaak ten laste gelegde feiten, waaronder diefstallen en overtredingen van artikel 184 Sr, (waarschijnlijk) leed aan een (ongespecificeerde) bipolaire stemmingsstoornis en in een manische of hypomane toestand verkeerde. Daarnaast was bij de verdachte sprake van zwakbegaafdheid en een stoornis in cannabisgebruik. Die problematiek heeft doorgewerkt in het in die zaak tenlastegelegde gedrag. De rapporteurs hebben de rechter geadviseerd de verdachte ten aanzien van de feiten in die zaak verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Nu (i) de conclusies van de gedragskundigen worden gedragen door hun bevindingen en (ii) de onderhavige feiten gelijksoortig zijn aan en (iii) zich hebben voorgedaan omstreeks dezelfde periode als de feiten die in de eerdere zaak aan de orde waren, acht het hof het zeer aannemelijk dat de genoemde geestestoestand van de verdachte in belangrijke mate aan de totstandkoming van de voorliggende vergrijpen heeft bijgedragen. Het hof neemt de conclusies van de gedragskundigen over een maakt die ook in de voorliggende zaken tot de zijne. De onderhavige feiten worden de verdachte dus slechts in verminderde mate toegerekend. Dit leidt tot matiging van de op te leggen straf.

Om het als ‘matig-verhoogd’ ingeschatte recidivegevaar te reduceren is in de eerdere strafzaak geadviseerd de verdachte onder reclasseringstoezicht te plaatsen en hem te verplichten tot opname bij Het Startpunt te Hoorn (een instelling voor begeleid wonen), tot ambulante behandeling voor psychische problematiek en cannabisgebruik bij GGZ Noord-Holland Noord, (bij een terugval) tot een korte klinische opname ter detoxificatie en stabilisatie en tot medewerking aan urinecontroles. De verdachte is bij voornoemd vonnis van 12 december 2017 middels het stellen van bijzondere voorwaarden tot één en ander verplicht.

Uit het voortgangsverslag van GGZ Reclassering Fivoor 30 juni 2018 komt het volgende naar voren. De verdachte verblijft inmiddels bij Het Startpunt, werkt vijf dagdelen bij Actief Talent (een instelling die gericht is op arbeidsreïntegratie en -participatie van mensen met een verslavingsachtergrond), staat voor zijn schulden onder bewind en heeft een intake gehad voor een behandeling bij GGZ Noord-Holland Noord; die behandeling kan worden gestart. De verdachte komt zijn afspraken na en heeft geen grensoverschrijdend of ontremd gedrag meer vertoond. De recidivekans wordt dan ook als laag ingeschat indien de verdachte zijn huidige structuur behoudt. Valt die structuur weg, dan is de kans op recidive onmiddellijk verhoogd. Daarom wordt geadviseerd het – in de eerdere zaak verplicht gestelde – reclasseringstoezicht en hulpverleningstraject voor te zetten.

Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat het ingezette hulpverleningstraject niet wordt doorkruist door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarom en omdat de feiten hem in verminderde mate worden toegekend, zal het hof de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren een passende en geboden reactie op de bewezen feiten vormt. Oplegging van een geheel of grotendeels voorwaardelijke straf, zoals door de raadsvrouw is voorgesteld, zou al te zeer voorbijgaan aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en het strafblad van de verdachte. Anderzijds is het hof van oordeel dat de straf die de advocaat-generaal heeft gevorderd onvoldoende rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 63, 181, 184 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de vonnissen waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaken A tot en met K ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaken A tot en met K bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. J.J.I. de Jong en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2018.