Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3385

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
23-003388-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaten plaats ongeval in parkeergarage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003388-17

Datum uitspraak: 9 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-158179-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Purmerend op/aan de Schapenmarkt, op of omstreeks 13 mei 2016 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsvoering en reactie op een bewijsverweer

Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Op 13 mei 2016 reed de verdachte met zijn auto uit een parkeervak in de parkeergarage ’t Lammetje op de Schapenmarkt in Purmerend. Hij reed eerst recht achteruit om vervolgens een draai te kunnen maken om weg te kunnen rijden. Hij heeft twee à drie keer moeten steken, omdat het zo krap was. Toen hij weg wilde rijden werd hij door een vrouw (het hof: de getuige [getuige]) erop geattendeerd dat hij met de achterkant van zijn auto de voorkant van een andere auto had geraakt.1 De getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte te ruim uitdraaide en dat hij met de achterkant van zijn auto tegen de voorkant van de geparkeerde auto aanreed. Zij zag schade die zij omschreef als een ‘pit’, waarmee zij een deuk zei te bedoelen, in de bumper van de geparkeerde auto. Ook heeft zij verklaard dat zij de verdachte heeft aangesproken en daarna zag dat hij uitstapte en naar de schade keek, waarna zij hem hoorde zeggen ‘het is de bumper maar, daar is ’ie voor’.2 De verdachte heeft bevestigd dat hij zoiets gezegd kan hebben en dat hij is weggereden zonder zijn gegevens bekend te maken.3 De getuige [getuige] heeft gezien dat de verdachte een stukje reed, vervolgens stopte om alsnog een foto te maken van de beschadigde auto en daarna wegreed, waarna de getuige [getuige] zelf een briefje achter de ruitenwissers van de aangereden auto heeft geplaatst.4 De eigenaar van deze auto van het merk BMW, [slachtoffer], heeft aangifte gedaan van het verlaten van de plaats van het ongeval waarbij aan zijn auto schade is toegebracht. Hij heeft verklaard dat zijn auto op 13 mei 2016 onbeschadigd is geparkeerd in parkeergarage ’t Lammetje te Purmerend, dat hijzelf die dag omstreeks 20:15 uur het door de getuige [getuige] achtergelaten briefje achter de ruitenwisser vond en toen zag dat er in het midden van de onderspoiler een beschadiging zat, bestaande uit een lichte indeuking en craquelé schade (het hof begrijpt: in de lak).5 In haar tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring heeft de getuige [getuige] verklaard dat zij zag dat de BMW wiebelde toen deze werd geraakt door de auto van de verdachte, en dat zij samen met de verdachte de schade op ongeveer een halve meter heeft bekeken en de schade goed heeft gezien.6 De ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoorde partner van de verdachte,
[naam], die destijds als bijrijder aanwezig was, heeft verklaard dat zij een foto van de voorkant van de BMW heeft gemaakt en dat zij die heeft gemaakt op ongeveer één meter afstand van de BMW, op de plaats waar zij met de verdachte en de getuige [getuige] stond.7 Deze foto heeft zij aan het hof getoond. Het hof heeft daarop de schade waargenomen, zoals door de aangever omschreven.8

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de schade aan de auto van de aangever heeft veroorzaakt. De verdachte ontkent dat hij deze schade heeft veroorzaakt, waarbij gesteld is dat de verdachte en zijn partner niets van een aanrijding hebben gemerkt, en betoogd is dat gelet op de vorm en hoogte van de achterkant van de auto (met trekhaak) van de verdachte en de (laaggelegen) plaats van de schade aan de BMW, deze schade onmogelijk door de verdachte kan zijn veroorzaakt.

Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de getuige [getuige] dat zij heeft gezien dat de verdachte tegen de voorzijde van de auto van de aangever is aangereden, op zodanige wijze dat die laatste auto daardoor wiebelde. Ook heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangever dat zijn auto de schade aan de voorspoiler niet had voordat deze op 13 mei 2016 was geparkeerd in ’t Lammetje. Nu de schade naar het oordeel van het hof past bij een aanrijding, zoals die door de getuige [getuige] is waargenomen, en het hof niet aannemelijk acht dat het ontstaan van deze schade door de vorm van de betrokken voertuigen wordt uitgesloten, stelt het hof vast dat deze schade is ontstaan doordat de verdachte met zijn auto tegen de auto van de aangever is aangereden. Uit de omstandigheden dat de verdachte (i) door de getuige [getuige] is gewezen op het feit dat hij schade had veroorzaakt, (ii) samen met de getuige [getuige] op korte afstand naar de schade heeft gekeken, en (iii) vervolgens heeft gezegd ‘het is de bumper maar, daar is ’ie voor’ of woorden van gelijke strekking, leidt het hof af dat de verdachte minst genomen redelijkerwijs moest vermoeden dat door hem aan een ander schade was toegebracht.

Dat [getuige] op 15 maart 2018 – geruime tijd na het voorval – ten overstaan van de raadsheer-commissaris over de precieze plaats van de schade een verklaring heeft afgelegd die niet in alle details verenigbaar is met hetgeen zij bij de politie heeft verklaard, doet daaraan niet af. Ook de inhoud van de verklaring van Keijzer ter terechtzitting leidt het hof niet tot een ander oordeel.

Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Purmerend op de Schapenmarkt, op 13 mei 2016 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan [slachtoffer] schade was toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 500 subsidiair 10 dagen hechtenis, te betalen in vijf termijnen van elk € 100.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500 subsidiair 10 dagen hechtenis en een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is met de door hem bestuurde personenauto in een parkeergarage tegen een geparkeerde auto aangereden. Zonder zijn identiteit bekend te maken aan de eigenaar van de geparkeerde auto, heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat er schade aan die auto was ontstaan. Een dergelijke handelwijze belet de betrokken benadeelde de daarvoor in aanmerking komende partij aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. Bovendien getuigt het van een gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef als autobestuurder.

Mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, rechtvaardigt de aard van het bewezenverklaarde feit een geldboete zoals in eerste aanleg is opgelegd. In hetgeen op de terechtzitting in hoger beroep omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte is gebleken, wordt echter aanleiding gezien deze straf geheel in voorwaardelijke vorm op te leggen en daaraan een relatief korte proeftijd te koppelen.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 19 augustus 2016 onder CJIB nummer 4132 5420 0268 7919.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. J.J.I. de Jong en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. T. Kaandorp, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juli 2018.

1 [...]

2 [...]

3 [...]

4 [...]

5 [...]

6 [...]

7 [...]

8 [...]