Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3372

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
23-000564-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overval woonboot: eendaadse samenloop poging tot diefstal met geweld in vereniging en poging afsperins, voorwaardelijk verzoek afgewezen, forse gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000564-17

Datum uitspraak: 14 mei 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-654035-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

30 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeïgening in/uit een woning ([adres 2]) weg te nemen een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [naam 1] en/of [naam 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, voornoemde woning is binnengedrongen, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader:

- met voornoemde [naam 1] en/of [naam 2] heeft/hebben geworsteld en/of gevochten en/of

- voornoemde [naam 1] en/of [naam 2] eenmaal of meermalen dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Overval, overval!" en/of "Ik heb een wapen" en/of "Ik ga schieten", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- in het bijzijn van voornoemde [naam 1] en/of [naam 2] naar elkaar heeft/ hebben geroepen: "Taser hem, taser hem" en/of Pak je wapen, schiet!", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- voornoemde [naam 1] en/of [naam 2] een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend vuurwerp getoond en/of voorgehouden en/of

- voornoemd vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op voornoemde [naam 2] en/of [naam 1] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of afgevuurd en/of in werking gesteld en/of

- met voornoemd vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van voornoemde [naam 2] heeft/hebben geslagen;

en/of

hij op of omstreeks 29 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 1] en/of [naam 2] te dwingen tot de afgifte van een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [naam 1] en/of [naam 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), de woning van voornoemde [naam 1] en/of [naam 2] is binnengedrongen, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader:

- met voornoemde [naam 1] en/of [naam 2] heeft/hebben geworsteld en/of gevochten en/of

- voornoemde [naam 1] en/of [naam 2] eenmaal of meermalen dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Overval, overval!" en/of "Ik heb een wapen" en/of "Ik ga schieten", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- in het bijzijn van voornoemde [naam 1] en/of [naam 2] naar elkaar heeft/ hebben geroepen: "Taser hem, taser hem" en/of Pak je wapen, schiet!", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- voornoemde [naam 1] en/of [naam 2] een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend vuurwerp getoond en/of voorgehouden en/of

- voornoemd vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op voornoemde [naam 2] en/of [naam 1] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of afgevuurd en/of in werking gesteld en/of

- met voornoemd vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van voornoemde [naam 2] heeft/hebben geslagen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat 1) de verklaringen van de aangevers [naam 1] en [naam 2] onbetrouwbaar zijn, 2) geen sprake is van medeplegen en 3) de verdachte weliswaar aanwezig was bij het incident op 29 januari 2015, maar niets wist van de overval en enkel deelnam aan het gevecht in de gang om de boel te sussen.

Het hof overweegt als volgt.

Ad 1) Het hof acht de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs op grond van het navolgende. [naam 1] en [naam 2] hebben kort na het incident verklaringen afgelegd bij de politie. Vervolgens hebben beide aangevers een half jaar later verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris. De verklaringen komen in grote lijnen met elkaar overeen. Voor zover sprake is van onderlinge verschillen of tegenstrijdigheden in de verklaringen, zijn deze niet van wezenlijk belang en kan dit worden verklaard door de hectische situatie tijdens de overval en door het tijdsverloop. Het hof heeft voorts noch in het dossier noch in het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep aanknopingspunten gevonden op grond waarvan aan de verklaringen van aangevers zou moeten worden getwijfeld, zodat dit verweer wordt verworpen.

Ad 2) Het hof is van oordeel dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader. De uiterlijke verschijningsvorm van het gebeurde past bij de gezamenlijke uitvoering van een overval door twee personen. De verdachte en zijn mededader zijn in de nacht voorafgaand aan de overval gedurende ruim een uur beurtelings bij de voordeur van de woonboot geweest. Later op de dag zijn zij gezamenlijk naar de woonboot gegaan. De mededader belt aan en de verdachte schiet hem enkele seconden later te hulp. In de gang hebben zij beiden met [naam 1] en [naam 2] gevochten, waarbij gebruik is gemaakt van een (nep)vuurwapen. Verdachte heeft de mededader aangespoord met de woorden “Pak je wapen, schiet!” en “taser-hem, taser-hem”. Na afloop van het incident zijn de verdachte en zijn mededader samen weggerend en met een auto weggereden. Op basis van het vorenstaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman omtrent het medeplegen.

Ad 3) Het hof acht het door de raadsman aangevoerde alternatieve scenario, inhoudende dat de verdachte niet wist van een voorgenomen overval en dat hij naar binnen is gegaan om de boel te sussen, ongeloofwaardig. Immers, uit de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] volgt dat de verdachte en zijn onbekend gebleven mededader in nacht van 29 januari 2015 tussen 3.55 uur en 5.09 uur hebben rondgehangen bij de betreffende woonboot. Later op de dag, omstreeks 22.00 uur, zijn de verdachte en zijn mededader wederom naar de woonboot gegaan. De mededader heeft aangebeld en is de woonboot als eerste binnengegaan. Enkele seconden later is de verdachte de woonboot ook binnengedrongen.

De aanwezigheid van de verdachte en zijn mededader in de voorafgaande nacht past, gelet op het tijdstip en het ontbreken van een plausibele verklaring, niet bij een regulier bezoek, maar wel bij een voorverkenning voor de later uit te voeren overval. Gelet op deze gang van zaken acht het hof het ongeloofwaardig dat de verdachte en zijn mededader niets zouden hebben besproken over het werkelijke doel van de bezoeken en dat de verdachte beide keren onwetend was en zonder vragen te stellen met zijn mededader naar de woonboot ging. Bovendien heeft de verdachte de naam van zijn mededader niet willen noemen en ook anderszins geen enkel aanknopingspunt gegeven ter verificatie van het door hem aangevoerde alternatieve scenario, zodat het hof dit terzijde schuift. Dat de verdachte een sussende rol zou hebben gespeeld wordt overigens weersproken door de verklaringen van [naam 1] en [naam 2].

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten- lastegelegde ook voor het overige wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, en acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft – voor het geval het hof niet tot een vrijspraak zou komen – verzocht nader onderzoek naar de authenticiteit van de camerabeelden te laten verrichten door het NFO. Het hof is de noodzaak van dit nadere onderzoek niet gebleken, gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en nu de resultaten uit het door het NFI verrichte onderzoek naar deze camerabeelden voldoende duidelijk zijn. Het hof wijst dit voorwaardelijke verzoek dan ook af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 januari 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning ([adres 2]) weg te nemen goederen van hun gading, toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 2], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam 1] en/of [naam 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, met zijn mededader voornoemde woning is binnengedrongen, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader:

- met [naam 1] en/of [naam 2] heeft/hebben gevochten, en

- [naam 1] en [naam 2] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Overval, overval!" en/of "Ik heb een wapen" en "Ik ga schieten", en

- in het bijzijn van [naam 1] en/hebben [naam 2] heeft geroepen: "Taser hem, taser hem" en "Pak je wapen, schiet!", en

- [naam 1] en [naam 2] een op een vuurwapen gelijkend vuurwerp heeft getoond, en

- voornoemd op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [naam 2] heeft gericht, en

- met voornoemd op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van [naam 2] heeft geslagen,

en

hij op 29 januari 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam 1] en [naam 2] te dwingen tot de afgifte van goederen van hun gading, toebehorende aan voornoemde [naam 1] en/of [naam 2], de woning van [naam 1] en [naam 2] is binnengedrongen, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader:

- met [naam 1] en [naam 2] hebben gevochten, en

- [naam 1] en [naam 2] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Overval, overval!" en "Ik heb een wapen" en "Ik ga schieten", en

- in het bijzijn van [naam 1] en/of [naam 2] heeft geroepen: "Taser hem, taser hem" en "Pak je wapen, schiet!", en

- [naam 1] en/of [naam 2] een op een vuurwapen gelijkend vuurwerp heeft getoond, en

- voornoemd op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [naam 2] heeft gericht, en

- met voornoemd op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van [naam 2] heeft geslagen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd om de voorlopige hechtenis van de verdachte bij einduitspraak op te heffen.

De raadsman heeft verzocht - indien het hof zou komen tot een bewezenverklaring - de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het reeds ondergane voorarrest niet overschrijdt, in combinatie met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en de maximale taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan een overval op twee bewoners van een woonboot. De verdachte en zijn mededader zijn de woonboot binnengedrongen en hebben geweld gebruikt en verbale bedreigingen geuit tegen de slachtoffers. Daarnaast hebben zij gedreigd met een (nep)vuurwapen en met de kolf daarvan tegen het hoofd van één van de slachtoffers geslagen.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij met zijn mededader laat in de avond in de beslotenheid van de eigen woning van de slachtoffers is binnengedrongen, een plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Dat bij de overval gebruik is gemaakt van een nepvuurwapen, er nog ander fysiek geweld is gebruikt en bedreigingen zijn geuit, maakt de strafwaardigheid groter. Beide slachtoffers hebben als gevolg van de overval letsel opgelopen en langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervonden. Zij voelden zich zodanig onveilig op de woonboot dat zij deze hebben verkocht en zijn verhuisd. Naast deze ingrijpende gevolgen voor de slachtoffers, veroorzaakt een dergelijk feit ook onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 april 2018 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld wegens soortgelijke feiten en is hij sinds deze feiten niet meer met politie en justitie in aanraking geweest.

Mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, rechtvaardigt de ernst van het bewezenverklaarde het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het hof acht de door de raadsman van de verdachte voorgestelde strafoplegging niet passend. Daarbij speelt vanzelfsprekend de ernst van het gebeurde een grote rol – op een overval in een woning dient naar het oordeel van het hof te worden gereageerd met oplegging van een forse onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. Daarnaast speelt een rol dat de verdachte in het geheel geen openheid van zaken over de strafbare feiten heeft willen geven. Hoewel het de verdachte vanzelfsprekend vrij staat niet (nader) te verklaren, leidt (mede) dit gebrek aan openheid ertoe dat het hof geen aanleiding ziet een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf zoals in eerste aanleg is opgelegd passend en geboden.

Het hof ziet - ondanks de oplegging van een gevangenisstraf die het tot nu toe ondergane voorarrest overtreft - geen aanleiding de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, gelet op het standpunt van de advocaat-generaal dat de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven.

Vordering van de benadeelde partij [naam 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.442,45, bestaande uit € 192,45 aan materiële schade en € 2.250 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toewijzing van de schadevergoedingsmatregel.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade van € 192,45 heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Voorts is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 2.250 en wijst ook dit deel van de vordering toe.

Het toegewezen bedrag aan immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, te weten 29 januari 2015.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [naam 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.622,21, bestaande uit € 122,21 aan materiële schade en € 2.500 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toewijzing van de schadevergoedingsmatregel.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade van € 122,21 heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Voorts is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 2.500 en wijst ook dit deel van de vordering toe.

Het toegewezen bedrag aan immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, te weten 29 januari 2015.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [naam 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.442,45 (tweeduizend vierhonderdtweeënveertig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 192,45 (honderdtweeënnegentig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2015 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[naam 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.442,45 (tweeduizend vierhonderdtweeënveertig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 192,45 (honderdtweeënnegentig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 34 (vierendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2015 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [naam 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.622,21 (tweeduizend zeshonderdtweeëntwintig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 122,21 (honderdtweeëntwintig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2015 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam 2], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.622,21 (tweeduizend zeshonderdtweeëntwintig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 122,21 (honderdtweeëntwintig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 (zesendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2015 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. G. Oldekamp en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van
mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
14 mei 2018.

mr. G. Oldekamp en mr. M.B. de Wit zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.