Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3366

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
200.219.450/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Werkzaamheden in het kader van bedrijfsvoering onderneming. Moet opdrachtgever geldelijke vergoeding betalen aan opdrachtnemer? Afspraak dat opdrachtgever als hij uit de problemen was, zou kunnen bepalen wat de ondersteuning door opdrachtnemer hem waard is geweest. Uitleg. Aan opdrachtgever toekomende vrijheid. Redelijkheid en billijkheid. Artt. 6:248 lid 1, 7:405 lid 2 en 7:752 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.219.450/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : C/13/608034 / HA ZA 16-497

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 september 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.A.Th. Spoor te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonend te [woonplaats] , en

2. STRUCTURE BUILDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.T. Drenth te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde sub 1] en Structure genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 10 juli 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, van 19 april 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als eiser en [geïntimeerde sub 1] en Structure als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte van [appellant] ;

- antwoordakte van [geïntimeerde sub 1] en Structure.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn vordering zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde sub 1] en Structure hebben geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten, met inbegrip van nakosten.

[appellant] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.5, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerde sub 1] is bestuurder en (middellijk) aandeelhouder van Structure. Structure – in de gedingstukken en bijbehorende producties ook aangeduid als Structure B.V. – drijft een aannemingsbedrijf. In het laatste kwartaal van 2013 hebben [geïntimeerde sub 1] en [appellant] mondeling afgesproken dat laatstgenoemde zekere werkzaamheden zou verrichten in het kader van de bedrijfsvoering van Structure. Structure was destijds verlieslijdend, althans verkeerde in financiële moeilijkheden.

3.2.

[appellant] heeft vervolgens daadwerkelijk werkzaamheden verricht ter uitvoering van de hierboven bedoelde afspraak. In november 2015 heeft hij [geïntimeerde sub 1] en Structure verzocht hem voor die werkzaamheden te betalen. In een e-mail van 8 november 2015 aan [geïntimeerde sub 1] heeft [appellant] in dit verband geschreven, voor zover van belang: ‘(…) Nu na twee jaar kunnen we constateren dat ondanks dat je met verliesposten en winst schuift binnen je bedrijven je uit de problemen bent gekomen. Onze afspraak was dat als je uit de problemen was je de waarde zou kunnen bepalen wat mijn ondersteuning je waard is geweest. Nu ik je vraag om deze verantwoordelijkheid te nemen zeg je dit niet te kunnen bepalen. (…)’

3.3.

Structure heeft aan [appellant] bouwmaterialen verstrekt met een waarde van – volgens [appellant] – omstreeks € 5.000,- dan wel – volgens [geïntimeerde sub 1] en Structure – omstreeks € 10.000,-. De verstrekking daarvan was een tegenprestatie voor de verrichte werkzaamheden van [appellant] . [geïntimeerde sub 1] en Structure hebben geen betaling of betalingen in geld gedaan aan [appellant] als vergoeding voor diens werkzaamheden en zijn daartoe evenmin bereid.

3.4.

Met uitzondering van de waarde van de aan [appellant] verstrekte bouwmaterialen staan de hierboven weergegeven feiten tussen partijen vast. Tegen de achtergrond van die feiten vordert [appellant] de veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en Structure, bij wijze van vergoeding voor zijn werkzaamheden, tot betaling aan hem van een bedrag van € 70.000,-, althans € 84.960,-, althans € 72.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, steeds te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

3.5.

Bij het bestreden vonnis is de vordering afgewezen en is [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg. Tegen deze beslissingen en de overwegingen waarop zij berusten, komt [appellant] op met vijf grieven. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Zij stellen de vraag aan de orde of [appellant] naast de onder 3.3 genoemde bouwmaterialen, recht heeft op een geldelijke vergoeding voor zijn werkzaamheden zoals door hem gevorderd. Het hof overweegt daarover als volgt.

3.6.

Voorop staat dat partijen met betrekking tot de vergoeding voor de werkzaamheden van [appellant] de onder 3.2 aangehaalde afspraak hebben gemaakt, waarvan de kern wordt gevormd door de zinsnede dat ‘als je [ [geïntimeerde sub 1] ; hof] uit de problemen was je de waarde zou kunnen bepalen wat mijn [ [appellant] ; hof] ondersteuning je waard is geweest.’ In aanmerking genomen de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die afspraak mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, hebben partijen de vergoeding voor de werkzaamheden van [appellant] aldus afhankelijk gemaakt van (i) het subjectieve waardeoordeel van [geïntimeerde sub 1] , als bestuurder van Structure, met betrekking tot de werkzaamheden van eerstgenoemde en (ii) de bedrijfseconomische staat van Structure op het tijdstip van dat oordeel, die niet langer problematisch diende te zijn. Bij deze uitleg is in het bijzonder van belang dat Structure in financiële moeilijkheden verkeerde toen partijen de aangehaalde afspraak maakten, dat partijen de precieze hoogte van de vergoeding voor [appellant] destijds niet hebben bepaald en dat zij voor de vaststelling daarvan alleen de aanknopingspunten vermeld onder (i) en (ii) hebben aangeduid.

3.7.

Bij de vaststelling van hetgeen waartoe partijen als gevolg van de aangehaalde afspraak zijn gehouden, moet verder in ogenschouw worden genomen dat de rechten en verplichtingen van partijen ten opzichte van elkaar niet uitsluitend worden bepaald door hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, maar ook door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheersen. Bij zijn hierboven onder (i) bedoelde subjectieve waardeoordeel is [geïntimeerde sub 1] dus gebonden aan hetgeen voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid die hij tegenover [appellant] in acht moet nemen, en komt [appellant] op zijn beurt niet meer toe dan uit die eisen volgt. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat nu partijen de bepaling van de vergoeding voor de werkzaamheden van [appellant] geheel en al hebben overgelaten aan de waardering van die werkzaamheden door [geïntimeerde sub 1] , met dien verstande dat een vergoeding pas aan de orde zou zijn als Structure ‘uit de problemen was’, [geïntimeerde sub 1] met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor [appellant] een grote mate van vrijheid had en dat [appellant] , bekend als hij was met de afwezigheid van een vooraf vastgestelde vergoeding en met de financiële moeilijkheden van Structure, daarmee bekend was en die vrijheid ook heeft aanvaard.

3.8.

Gelet op het bovenstaande en nu [appellant] zich onverplicht en zonder voorbehoud of andere beperking aan het subjectieve waardeoordeel van [geïntimeerde sub 1] met betrekking tot zijn werkzaamheden heeft onderworpen, brengt de aangehaalde afspraak tussen partijen, ook als rekening wordt gehouden met hetgeen uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit, niet mee dat [geïntimeerde sub 1] en Structure verplicht zijn [appellant] naast de onder 3.3 genoemde bouwmaterialen, een geldelijke vergoeding voor diens werkzaamheden te betalen zoals door hem gevorderd. Dit geldt ook als [appellant] zou worden gevolgd in zijn beschrijving van de volgens zijn stellingen door hem verrichte werkzaamheden en in de waarde die hij toekent aan de bouwmaterialen die Structure hem heeft verstrekt.

3.9.

Bij het voorgaande komt nog dat partijen de vergoeding voor de werkzaamheden van [appellant] , afgezien van de waardering daarvan door [geïntimeerde sub 1] , bovendien afhankelijk hebben gemaakt van het antwoord op de vraag of Structure ‘uit de problemen was’, zoals vermeld onder 3.6 bij punt (ii), zodat een vergoedingsplicht tegenover [appellant] die meer omvat dan de hem verstrekte bouwmaterialen, pas zou kunnen bestaan als die voorwaarde is vervuld. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de afspraak tussen partijen en de daarbij aan [geïntimeerde sub 1] toekomende grote vrijheid, kan in het midden blijven of de genoemde voorwaarde is vervuld. Zou nochtans anders worden aangenomen, dan stuit de vordering van [appellant] ook op de genoemde voorwaarde af. Volgens haar door [geïntimeerde sub 1] en Structure in eerste aanleg overgelegde jaarrekening heeft Structure in 2015 een netto verlies van € 111.086,- geleden, tegenover een netto verlies van € 90.433,- in 2014, en had Structure per 31 december 2015 schulden van € 333.330,- waartegenover activa met een gezamenlijke waarde van € 13.216,- stonden. Bij deze stand kan niet anders worden geoordeeld dan dat de bedrijfseconomische staat van Structure eind 2015, toen [appellant] betaling voor zijn werkzaamheden verzocht en waarvan hij ook in dit geding uitgaat, nog altijd problematisch was, zodat de genoemde voorwaarde voor een (verdere) vergoedingsplicht niet is vervuld. Weliswaar voert [appellant] aan, naar de kern genomen, dat de overgelegde jaarrekening geen getrouw beeld geeft van het resultaat en het vermogen van Structure en beroept hij zich in dit verband op ‘malversaties van [geïntimeerde sub 1] c.s.’, maar deze verwijten zijn dusdanig algemeen, speculatief en gebrekkig onderbouwd dat daaruit niet volgt dat Structure wel ‘uit de problemen was’. De stellingen van [appellant] wettigen alleen al hierom, ook in hoger beroep, niet de gevolgtrekking dat de desbetreffende voorwaarde is vervuld.

3.10.

Ook zijn beroep op het bepaalde in artikel 7:752, eerste lid, BW kan [appellant] niet baten, al was het maar omdat die bepaling alleen van toepassing is op overeenkomsten waarbij een partij zich heeft verbonden om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren. De tussen partijen afgesproken en door [appellant] verrichte werkzaamheden, die de bedrijfsvoering van Structure betroffen, hebben dat niet ingehouden. Voor zover [appellant] zich mede heeft willen beroepen op het bepaalde in artikel 7:405, tweede lid, BW, wordt hij evenmin gevolgd, aangezien ook die bepaling toepassing mist. Zij veronderstelt namelijk dat partijen niet hebben afgesproken hoe de hoogte van de vergoeding voor de betrokken opdrachtnemer, dus [appellant] , zal worden vastgesteld. Dit laatste hebben partijen juist wel gedaan, door middel van de onder 3.2 aangehaalde afspraak dat [geïntimeerde sub 1] , onder de hierboven besproken voorwaarde, ‘de waarde zou kunnen bepalen’ van wat de ondersteuning door [appellant] hem waard was geweest. Dat deze afspraak in wezen voorziet in een eenzijdige vaststelling van de vergoeding voor [appellant] door [geïntimeerde sub 1] , leidt niet tot toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 7:405, tweede lid, BW, alleen al omdat die bepaling zich niet tegen een dergelijke afspraak verzet.

3.11.

[appellant] heeft in hoger beroep geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. Zijn bewijsaanbod in de memorie van grieven wordt daarom, als niet ter zake dienend, gepasseerd. Om dezelfde reden wordt tevens voorbijgegaan aan de wens van [appellant] om drie door hem in zijn memorie bij naam genoemde personen als getuige te doen horen.

3.12.

De slotsom uit het bovenstaande is dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Dit laatste geldt ook voor de kostenveroordeling van [appellant] bij het bestreden vonnis, aangezien zijn vordering bij dat vonnis geheel is afgewezen, hij dus in het ongelijk is gesteld en dit in hoger beroep niet anders wordt. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] verder worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] en Structure begroot op € 716,- aan verschotten en € 2.938,50 voor salaris advocaat en op € 157,- voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris als niet binnen veertien dagen aan deze kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, D. Kingma en H.M.M. Steenberghe en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.