Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:336

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
200.215.899/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondercuratelestelling. Rechthebbende functioneert op een niveau dat wisselt tussen beneden gemiddeld en licht verstandelijk beperkt. Hij is hierdoor onvoldoende in staat om de consequenties van zijn handelen te overzien. Dit blijkt uit verschillende incidenten. Ondercuratelestelling is een noodzakelijke en passende maatregel ter bescherming van zijn eigen veiligheid en de veiligheid van anderen. Een minder verstrekkende maatregel acht het hof gelet op de verstrekkende problematiek niet aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.215.899/01

rekest- en zaaknummer rechtbank: 5547695 CB VERZ 16-99 MVH

beschikking van de meervoudige kamer van 30 januari 2018 inzake:

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. L.S. Zomers te Alkmaar.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);

- [de curator] (hierna ook te noemen: de curator);

- [de broer] (hierna te noemen: de broer);

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) (hierna te noemen: de kantonrechter) van 16 februari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

[verzoeker] is op 15 mei 2017 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking van 16 februari 2017.

2.2

De moeder heeft op 14 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 5 december 2017 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een faxbericht van de zijde van [verzoeker] van 8 december 2017 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een brief van de zijde van de curator van 7 december 2017, ingekomen op 11 december 2017.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 15 december 2017 plaatsgevonden. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn verschenen:

- [verzoeker] , bijgestaan door mr. L.S. Zomers;

- de moeder, bijgestaan door mr. R. Silven.

3 De feiten

3.1

[verzoeker] is geboren [in] 1999 te [geboorteplaats] .

3.2

Sinds 2015 woont hij onder begeleiding in het [huis] bij [de stichting] te [plaats] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder tot ondercuratelestelling van [verzoeker] toegewezen, waarbij [de curator] is benoemd tot curator.

4.2

[verzoeker] verzoekt, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen, het inleidend verzoek van de moeder af te wijzen en de goederen van [verzoeker] onder bewind te stellen, met benoeming van een bewindvoerder en zo nodig tevens met benoeming van een mentor ter behartiging van [verzoeker's] niet vermogensrechtelijke belangen.

4.3

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling ligt aan het hof voor de vraag of de gronden voor ondercuratelestelling van [verzoeker] aanwezig zijn.

5.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:378 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld, wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt, of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel gewoonte van drank- of drugsmisbruik, en een onvoldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

5.3

[verzoeker] betoogt dat niet voldaan is aan de gronden voor ondercuratelestelling en voert ter onderbouwing van dit standpunt het volgende aan. Niet ter discussie staat dat bij [verzoeker] sprake is van een beperking van blijvende aard, waardoor hij waarschijnlijk niet in staat zal zijn om zijn vermogensrechtelijke belangen in voldoende mate zelf te behartigen. Dit maakt dat een beschermingsmaatregel voor [verzoeker] op zijn plaats is. Een ondercuratelestelling is echter niet noodzakelijk en is een maatregel die te ver ingrijpt in het leven van [verzoeker] . Het gaat op dit moment zowel lichamelijk als geestelijk goed met [verzoeker] . Hij heeft het naar zijn zin in het [huis] en zit lekker in zijn vel. Zijn focus ligt bij zijn werk en het starten met een opleiding. Onder de huidige omstandigheden is hij goed in staat gebleken om grotendeels zelfstandig te functioneren. In het verleden heeft [verzoeker] geëxperimenteerd en heeft hij grenzen opgezocht, waarna een aantal incidenten heeft plaatsgevonden. Zo heeft hij van zijn spaargeld een auto gekocht en is hij daarmee gaan rijden, waarna hij een ongeluk heeft veroorzaakt. Hieruit kan echter niet de conclusie worden getrokken dat bij [verzoeker] sprake is van een tekort aan verstandelijk vermogen in die mate dat dit een beletsel zou vormen voor het behartigen van zijn eigen belangen. Van alcohol- en drugsproblematiek is thans eveneens geen sprake. Onder deze omstandigheden kan dan ook worden volstaan met een onderbewindstelling van de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] , met benoeming van een bewindvoerder en zo nodig een mentor ter behartiging van zijn niet vermogensrechtelijke belangen. De bestreden beschikking dient dan ook te worden vernietigd, aldus [verzoeker] .

5.4

De moeder betoogt dat een ondercuratelestelling een passende maatregel is voor [verzoeker] en voert der onderbouwing van dit standpunt het volgende aan. Bij [verzoeker] is al vanaf jonge leeftijd sprake van problematiek. Uit het rapport van 15 september 2009 van de GZ-psycholoog A. Zijp blijkt dat [verzoeker] zwakbegaafd is. Hij overziet de gevolgen van zijn handelen niet en hij kan moeilijk een onderscheid maken tussen goed en slecht. [verzoeker] woont sinds 2015 begeleid bij [de stichting] . Sindsdien heeft aldaar een aantal incidenten plaatsgevonden, waaronder het incident waarbij [verzoeker] een auto heeft gekocht waarmee hij zonder rijbewijs is gaan rijden. Daarnaast heeft [verzoeker] bijna al zijn spullen verkocht op internet en heeft hij zich ingeschreven voor een huurwoning om zonder begeleiding te kunnen wonen. Ook is sprake geweest van drank- en drugsmisbruik door [verzoeker] . Een ondercuratelestelling is gerechtvaardigd en zorgt ervoor dat beslissingen over zijn persoon en financiën worden genomen door een deskundig persoon, zodat dergelijke problemen kunnen worden voorkomen. Op dit moment bestaan tevens zorgen over de behandeling van [verzoeker] . Bij hem is sprake van ernstige psychiatrische problematiek, waardoor hij onder andere regelmatig denkt dat hij ernstig ziek is. [verzoeker] accepteert geen psychische hulpverlening, omdat hij daarvoor niet openstaat. Een curator kan hem ook bij dit soort zaken helpen. Gelet op [verzoeker's] problematiek volstaat bewind niet, omdat [verzoeker] dan bijvoorbeeld nog steeds abonnementen kan afsluiten, hetgeen niet in zijn belang is. [verzoeker] kan door zijn verstandelijke beperking niet handelingsbekwaam worden geacht en zijn belangen niet goed behartigen, zodat de gronden voor ondercuratelestelling aanwezig zijn. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd, aldus de moeder.

5.5

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de vader van [verzoeker] op de hoogte is van de ondercuratelestelling van [verzoeker] en van de onderhavige procedure in hoger beroep en dat hij zich ten aanzien hiervan afzijdig wil houden.

5.6

Het hof overweegt als volgt.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Bij [verzoeker] is vanaf jonge leeftijd sprake van (psychiatrische) problematiek. In 2006 is bij [verzoeker] de diagnose PDD-NOS vastgesteld met kenmerken van ADHD en een leerstoornis die betrekking heeft op non-verbale informatie (NLD). [verzoeker] is in 2009 onder behandeling geweest bij GGZ-centrum West-Friesland voor onder andere druk en dwars gedrag, zowel thuis als op school. Ook had [verzoeker] in deze periode klachten vanwege neerslachtigheid, angsten en het horen van stemmetjes. [verzoeker] heeft van 2006 tot en met 2011 op speciale basisscholen gezeten, alwaar hem veel structuur geboden werd. Nadien heeft hij op speciaal voortgezet onderwijs gezeten. Op 26 januari 2017 heeft een psychologisch- en intelligentieonderzoek naar [verzoeker] plaatsgevonden. Daaruit is naar voren gekomen dat bij hem sprake is van een disharmonisch intelligentieprofiel en dat hij functioneert op een niveau dat wisselt tussen beneden gemiddeld en licht verstandelijk beperkt. Volgens de psycholoog die het onderzoek heeft uitgevoerd, is het belangrijk dat de omgeving van [verzoeker] hierbij aansluit door onder andere eenvoudig taalgebruik te hanteren. Daarnaast is het belangrijk dat informatie in kleine overzichtelijke stappen wordt aangedragen.

[verzoeker] heeft tot 2014 bij de moeder en haar huidige partner in [geboorteplaats] gewoond. Van juli 2014 tot april 2015 heeft hij bij zijn vader in Frankrijk gewoond. Van april 2015 tot oktober 2015 heeft hij tijdelijk bij zijn grootouders in [plaats] verbleven. Sinds oktober 2015 woont hij onder begeleiding in het [huis] bij [de stichting] . Gedurende het verblijf van [verzoeker] bij [de stichting] heeft een aantal incidenten plaatsgevonden. Uit het bij verweerschrift als productie 5 overgelegde ondersteuningsplan van [de stichting] (hierna: het ondersteuningsplan) blijkt dat [verzoeker] gedurende een zekere periode geld uitgaf aan drank en drugs. [verzoeker] heeft een periode veel geblowd en wist daarmee niet goed om te gaan, hetgeen een aantal keren angstige ervaringen voor hem heeft opgeleverd. Hierover hebben tussen [verzoeker] en de begeleiders van [de stichting] meerdere gesprekken plaatsgevonden. In juli 2016 heeft een incident plaatsgevonden waarbij [verzoeker] , die op dat moment minderjarig was en niet over een rijbewijs beschikte, met geld van zijn spaarrekening een vijfenveertig kilometer auto heeft gekocht die hij heeft opgevoerd. [verzoeker] is hiermee met hoge snelheid gaan rijden en heeft een ongeluk veroorzaakt, waarna de politie betrokken is geraakt. Begin april 2016 bleek dat [verzoeker] bijna al zijn spullen wilde verkopen via Marktplaats. Een medewerker van het [huis] heeft hierop het noodnummer gebeld en contact openomen met de koper van de spullen om de verkoop niet te laten doorgaan. Voorts heeft [verzoeker] in april 2016 een zitzak in brand gestoken, waarbij het wegdek is beschadigd. Naar aanleiding van onder andere de diefstal van een fiets heeft [verzoeker] op 8 december 2016 van de kinderrechter de leerstraf ‘So-Cool’ voor de duur van veertig uren opgelegd gekregen. Uit een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 20 juli 2017 blijkt dat de raad op 15 juni 2017 heeft besloten de leerstraf na zeven bijeenkomsten voortijdig stop te zetten. De raad concludeerde dat de leerstraf niet aansloot bij hetgeen [verzoeker] nodig heeft. Zijn psychische en/of psychiatrische problemen leken dermate op de voorgrond te treden dat een intensieve behandeling meer passend leek te zijn. [verzoeker] liet (dwangmatig) grensoverschrijdend gedrag zien. De raad achtte zijn problemen van dien aard dat de leerstraf geen enkel effect op hem had en daarnaast niet uitvoerbaar was. Dit was [verzoeker] , gelet op zijn problematiek, niet aan te rekenen. De raad achtte het wenselijk dat de resterende uren van de leerstraf werden omgezet naar een werkstraf, hetgeen is gebeurd. Voorts komt uit het ondersteuningsplan dat tot heden loopt naar voren dat [verzoeker] vindt dat hij alles al kan, waardoor hij allerlei zaken zelf regelt zonder dit met de begeleiding te bespreken. Vervolgens komt [verzoeker] in de problemen, maar weet deze niet adequaat op te lossen. Ook ziet [verzoeker] geen oorzaak en gevolg. De begeleiding bespreekt dit met [verzoeker] , maar hij lijkt het niet te begrijpen. Uit het gespreksverslag van 13 juni 2017 tussen de huidige curator en de teamleider van [de stichting] blijkt voorts dat [verzoeker] van jongs af aan met episoden last heeft van angstklachten. [verzoeker] heeft veel angst (gehad) keelkanker te hebben. Hij heeft hiervoor herhaaldelijk contact opgenomen met onder andere de huisartsenpost. Ook heeft hij 112 gebeld en een ambulance laten komen in verband met deze angst en zijn overtuiging dat hij ernstig ziek is. Naar aanleiding hiervan zijn vele onderzoeken gedaan, waaruit blijkt dat [verzoeker] fysiek gezond is.

5.7

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de bestreden beschikking bekrachtigd dient te worden. Gebleken is dat bij [verzoeker] sinds jonge leeftijd sprake is van ernstige problematiek. [verzoeker] functioneert op een niveau dat wisstelt tussen beneden gemiddeld en licht verstandelijk beperkt. [verzoeker] is onvoldoende in staat om de consequenties van zijn handelen te overzien, waardoor hij impulsief kan handelen. Hierdoor hebben in het verleden verschillende ernstige incidenten plaatsgevonden, zoals het incident waarbij [verzoeker] van zijn spaargeld een auto heeft gekocht waarmee hij is gaan rijden en een ongeluk heeft veroorzaakt. Daarnaast heeft [verzoeker] een zitzak in brand gestoken waardoor het wegdek is beschadigd, heeft [verzoeker] geprobeerd zijn spullen te verkopen via internet en is sprake geweest van diefstal, waarna de politie betrokken is geraakt. Uit het ondersteuningsplan is voorts gebleken dat [verzoeker] in de periode van december 2016 tot en met december 2017 regelmatig drank en drugs heeft gebruikt, waarop hij niet goed reageerde en waardoor hij angstige momenten heeft gekend. Uit de genoemde incidenten en de bij [verzoeker] gestelde diagnoses blijkt dat hij door zijn geestelijke toestand niet in staat is om zijn belangen behoorlijk waar te nemen en bovendien zijn eigen veiligheid en die van anderen in gevaar brengt. [verzoeker] is zeer kwetsbaar, met name omdat hij geen verband kan leggen tussen zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan, zodat het hof van oordeel is dat een ondercuratelestelling een noodzakelijke en passende maatregel is ter bescherming van [verzoeker's] eigen veiligheid en de veiligheid van anderen. Een minder verstrekkende maatregel acht het hof gelet op de ernstige problematiek van [verzoeker] niet aangewezen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen en het verzoek van [verzoeker] afwijzen.

5.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. A. van Haeringen en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier en is op 30 januari 2018 uitgesproken in het openbaar.