Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3356

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
200.228.913/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

opzeggen inboedelverzekering is gewone beheersdaad bewindvoerder; bewindvoerder heeft met opzegging niet onzorgvuldig gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.228.913/ 01

zaaknummer rechtbank: 5887504 BM VERZ 17-844 GS

beschikking van de meervoudige kamer van 18 september 2018 inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.B. Chylinska te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [X] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.K. de Haan te Rotterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 28 juli 2017 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk [appellant] en de bewindvoerder genoemd.

2.2.

Bij dagvaarding van 5 oktober 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 juli 2017.

2.3.

Bij rolbeslissing van dit hof van 28 november 2017 is bevolen dat de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure en is [appellant] bevolen de gronden van het beroep binnen een termijn van twee weken in te dienen.

2.4.

[appellant] heeft op 8 december 2017 de gronden van het hoger beroep ingediend.

2.5.

De bewindvoerder heeft op 19 december 2017 een verweerschrift ingediend.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft op 12 juli 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De feiten

3.1.

Bij beschikking van 14 februari 2013 van de kantonrechter te Haarlem zijn de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [appellant] onder bewind gesteld en is [geïntimeerde] , h.o.d.n. [X] , tot bewindvoerder benoemd.

3.2.

De bewindvoerder heeft de OHRA inboedelverzekering van [appellant] per 8 mei 2015 opgezegd.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [appellant] zijn klachten tegen de bewindvoerder gegrond te verklaren en de bewindvoerder te veroordelen tot betaling van door [appellant] geleden schade ten bedrage van € 19.295,- afgewezen.

4.2.

[appellant] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn verzoeken alsnog toe te wijzen.

4.3.

De bewindvoerder verzoekt [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door [appellant] verzochte af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep en de nakosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Aan de orde is de vraag of de bewindvoerder in de zorg van een goed bewindvoerder tekort is geschoten en of er een schadevergoeding dient te worden vastgesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:444 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Op grond van artikel 1:445 lid 5 juncto 1:362 BW kan de rechter de schade vaststellen die de rechthebbende door slecht bewind van de bewindvoerder geleden heeft en de bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen.

5.2.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat de bewindvoerder door het opzeggen van de inboedelverzekering tekort geschoten is in de zorg van een goed bewindvoerder en zodoende aansprakelijk is voor de door hem geleden schade (ten bedrage van € 19.295,-) als gevolg van een inbraak in zijn woning op 23 juli 2015. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het opzeggen van een verzekering, vanwege het definitieve karakter daarvan, gekwalificeerd dient te worden als een beschikkingshandeling, zodat daarvoor instemming van [appellant] was vereist. Nu de bewindvoerder nagelaten heeft overleg te voeren met [appellant] over de opzegging, is de bewindvoerder tekort geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder. Voor zover de bewindvoerder stelt dat er wel overleg heeft plaatsgevonden, had het op de weg van de bewindvoerder gelegen om dit aan te tonen en vast te leggen. Dat heeft hij nagelaten.

[appellant] stelt zich tevens op het standpunt dat, ook indien het opzeggen van de verzekering als beheershandeling wordt aangemerkt, het samenstel van omstandigheden maakt dat de bewindvoerder tekort geschoten is in de zorg van een goed bewindvoerder. Hij wijst daarbij op het volgende. Het opzeggen van een inboedelverzekering is, gezien de aanzienlijke kans op een inbraak, een risicovolle handeling, zodat verwacht mag worden dat een zorgvuldig handelend bewindvoerder de onder bewind gestelde daarvan op de hoogte brengt. Voorts betwist [appellant] dat sprake was van een zo nijpende financiële situatie dat opzeggen van de verzekering noodzakelijk en de enige mogelijkheid was. Nergens blijkt bijvoorbeeld uit dat de bewindvoerder getracht heeft om de jaarpremie om te zetten naar een maandpremie en het was ook mogelijk geweest om het vaste telefoonabonnement van [appellant] om te zetten naar een goedkoper Sim-only abonnement. Met betrekking tot het te vergoeden bedrag, stelt [appellant] voldoende informatie aangeleverd te hebben om tot een goede beoordeling van de geleden schade te kunnen komen.

5.3.

De bewindvoerder heeft verweer gevoerd en is van mening dat hij niet tekort geschoten is in de zorg van een goed bewindvoerder. Hij stelt zich op het standpunt dat opzegging van de inboedelverzekering een beheershandeling is en dat hij hieromtrent telefonisch overleg heeft gevoerd met [appellant] . Opzegging van de verzekering was noodzakelijk omdat de financiële situatie van [appellant] zeer nijpend was en er geen andere mogelijkheden waren om een royement wegens wanbetaling te voorkomen. Zo was het niet mogelijk de jaarpremie om te zetten naar maandpremies omdat de betalingstermijn reeds was gaan lopen en was opzegging van het telefoonabonnement onbespreekbaar voor [appellant] en bovendien zou dit nog steeds te weinig financiële ruimte opleveren om de verzekeringspremie in één keer te kunnen voldoen. Een en ander moet bovendien in het licht gezien worden van de omstandigheid dat [appellant] , hoewel op verschillende momenten daarnaar gevraagd, de bewindvoerder nooit in kennis gesteld heeft van zijn vermogen.

Mocht het hof van oordeel zijn dat de bewindvoerder aansprakelijk is voor de geleden schade, dan is de aansprakelijkheid beperkt tot het bedrag dat de inboedelverzekering van OHRA zou hebben uitgekeerd. Nu [appellant] op geen enkele manier heeft aangetoond hoe hoog dat bedrag is, maar wel alsnog bereid lijkt te zijn aan te sluiten bij het door de schade-expert gerapporteerde bedrag van € 2.235,-, is de aansprakelijkheid hoe dan ook beperkt tot dat bedrag, aldus de bewindvoerder.

5.4.

Het hof overweegt als volgt. De vraag die allereerst beantwoord dient te worden is of de opzegging van de inbraakverzekering kwalificeert als een gewone beheersdaad, als bedoeld in artikel 1:441, tweede lid onder a BW, waarvoor de bewindvoerder geen toestemming van [appellant] (of machtiging van de kantonrechter) hoefde te vragen.

Met de rechtbank beantwoordt het hof deze vraag bevestigend. Onder beheer moet in dit verband worden verstaan alles wat moet worden gedaan in het kader van een normale exploitatie van de onder bewind gestelde goederen. Of sprake is van normale exploitatie dient te worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval. Als vaststaande omstandigheden gelden in het onderhavige geding dat [appellant] een bijstandsuitkering ontvangt, bij aanvang van de bewindvoering en ook thans nog in een zeer problematische schuldensituatie verkeert en geen beroep meer kan doen op schuldsanering. Verder heeft de bewindvoerder gesteld dat [appellant] hem nimmer heeft ingelicht over waardevolle spullen in zijn woning, hetgeen door [appellant] niet is betwist. Het lag op de weg van [appellant] om - gevraagd of ongevraagd - opgave te doen van waardevolle goederen en/of vermogen, aangezien hij had moeten begrijpen dat dit van belang was bij de uitvoering van het bewind en de onderhandelingen die de bewindvoerder met de schuldeisers van [appellant] diende te voeren. Ook acht het hof van belang dat het afsluiten of aanhouden van een inboedelverzekering niet wettelijk verplicht is en dat een dergelijke verzekering strekt ter bescherming tegen verlies van goederen en/of vermogen, waarvan de bewindvoerder hier nou juist mocht veronderstellen dat deze/dat er niet waren/was. Niet betwist is dat de bewindvoerder werd gesteld voor de noodzaak om de jaarpremie voor de inboedelverzekering te voldoen, op straffe van royement met bijkomende kosten. Evenmin is betwist dat voor voldoening van de jaarpremie onvoldoende gelden op de beheerrekening aanwezig waren en ook onvoldoende gelden beschikbaar zouden komen als bijvoorbeeld het telefoonabonnement zou worden opgezegd. Onder de geschetste omstandigheden is het opzeggen van de inboedelverzekering een gewone beheersdaad waarvoor geen toestemming van [appellant] nodig was.

In voorgaande genoemde omstandigheden ligt besloten dat de stelling van [appellant] , dat de bewindvoerder ook overigens niet heeft gehandeld als een zorgvuldig handelend bewindvoerder betaamt, wordt verworpen. De bewindvoerder was niet op de hoogte van de mogelijkheid dat [appellant] bezittingen had met een aanzienlijke waarde. Het opzeggen van de inboedelverzekering bij een minimale financiële ruimte en om voorrang strijdende financiële verplichtingen van de onder bewind gestelde is dan niet onzorgvuldig. Van aansprakelijkheid van de bewindvoerder voor door de inbraak ontstane schade is reeds daarom geen sprake. De stellingen van partijen met betrekking tot de hoogte van de schade behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

Het hof ziet, gelet op de precaire schuldenpositie van [appellant] , geen aanleiding hem te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep en de nakosten.

5.5.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. C.E. Buitendijk en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier en is op 18 september 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.