Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3354

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
23-000606-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling in hoger beroep na vrijspraak in eerste aanleg. Poging tot zware mishandeling door in een drukbezocht café een glas in het gezicht van de aangeefster te gooien. De verdachte ontkent elke betrokkenheid en verklaart dat hij thuis was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000606-17

datum uitspraak: 19 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer

13-036988-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1997,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2018 en 4 september 2017 en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 26 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) snee in de (linker)wang, althans in het gezicht van voornoemde [slachtoffer] , heeft toegebracht door een glas, althans een (scherp en/of hard) voorwerp te gooien/werpen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam van voornoemde [slachtoffer] ;

subsidiair:
hij op of omstreeks 26 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een glas, althans een (scherp en/of hard) voorwerp heeft gegooid/geworpen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 26 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door een glas, althans een (scherp en/of hard) voorwerp te gooien/werpen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) snee in de (linker)wang, althans in het gezicht ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het door de verdachte toegebrachte letsel, namelijk een snee in de wang van de aangeefster - die in het ziekenhuis is geplakt - als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Daartoe overweegt het hof dat hetgeen uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel ontoereikend is om het letsel van de aangeefster aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

De verdachte wordt daarom van de primair tenlastegelegde zware mishandeling vrijgesproken.

Afwijzing van een voorwaardelijk verzoek

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting bij repliek een voorwaardelijk verzoek gedaan: indien het hof niet tot de kwalificatie van zwaar lichamelijk letsel komt, vordert zij het onderzoek te heropenen en een proces-verbaal te laten opmaken waarbij een foto van het letsel van de aangeefster wordt gevoegd.

Het hof verwerpt het voorwaardelijke verzoek en overweegt als volgt.

Voor de kwalificatie van zwaar lichamelijk letsel zijn, zoals al overwogen, in het dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten gevonden. Er zijn al foto’s van het letsel van kort na het incident in het dossier. Het toevoegen van een actuele foto van het gezicht van het slachtoffer draagt niet bij tot een mogelijke verandering van inzichten met betrekking tot de aard van het letsel of de noodzaak of aard van het medisch ingrijpen, noch aan de behandeling die heeft plaatsgevonden. De noodzaak tot het heropenen van het onderzoek is dan ook niet gebleken.

Bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Op de vroege ochtend van 26 juni 2015 is een conflict ontstaan in café [naam] . Tijdens dit conflict op de dansvloer is een glas in het gezicht van de aangeefster, die geen deel uit maakte van het conflict, gegooid. De verdachte ontkent elke betrokkenheid bij het tenlastegelegde en verklaart dat hij op het moment van het incident thuis is geweest.

Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer wordt weerlegd door de verklaring van de getuige [getuige 1] , inhoudende dat de verdachte op 26 juni 2015 in café [naam] aanwezig was. Bovendien is de verdachte aan de hand van een intern opsporingsbericht op camerabeelden van het café herkend door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Zij hebben de verdachte herkend aan zijn haardracht, haarkleur, huidskleur, postuur, lengte, gezicht en houding. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn camerabeelden in café [naam] bekeken. Het hof, de advocaat-generaal en de raadsman hebben als waarneming vermeld dat sprake is van gelijkenis met de verdachte.

De moeder van de verdachte en zijn vriend [getuige 2] hebben bij de raadsheer-commissaris als getuigen verklaringen afgelegd, die in de kern inhouden dat de verdachte ten tijde van het incident thuis was. Deze verklaringen zijn pas 30 maanden na het strafbare feit afgelegd. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof deze verklaringen, die overigens nauwelijks objectief verifieerbare details bevatten, niet geloofwaardig, zodat het deze terzijde schuift.

Het hof acht alles overwegend de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 juni 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een glas heeft gegooid tegen het gezicht van [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Deze bewijsmiddelen zijn opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 59 dagen voorwaardelijk.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij de keuze tot het opleggen van de (vrijheidsbenemende) straffen en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich zonder noemenswaardige aanleiding in het uitgaansleven schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van de aangeefster, door haar een glas in het gezicht te gooien. Zij bevond zich op de dansvloer en had niets te maken met een snel uit de hand gelopen conflict. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstig risico genomen dat de aangeefster, dat met het glas vlak onder haar oog is geraakt, aanmerkelijk zwaarder letsel zou oplopen dan nu het geval is. Dit handelen van de verdachte heeft de aangeefster volgens haar schriftelijke slachtofferverklaring niet alleen tijdelijk schrik en angst aangejaagd, maar heeft bij haar ook langduriger fysieke en mentale littekens achtergelaten. Aan het litteken op haar wang werd zij constant herinnerd omdat mensen daarover opmerkingen maakten en vragen stelden. De aangeefster heeft verder een tijdlang plaatsen met veel mensen vermeden omdat zij het daar benauwd kreeg. Ook nu nog, ruim drie jaren na het bewezenverklaarde feit, ondervindt de aangeefster klachten. Sinds dit incident is zij angstiger en wantrouwend naar omstanders geworden.

De verdachte heeft door zijn handelen geen enkel respect getoond voor de persoonlijke integriteit en de gezondheid van de voor hem onbekende aangeefster. Dat de gedragingen van de verdachte plaatsvonden in een zeer drukke uitgaansgelegenheid maakt het aan hem te maken verwijt nog ernstiger, gelet op de kwetsbare positie van alle aanwezigen en het feit dat deze personen buiten hun wens getuige zijn geworden van uitgaansgeweld. Daarnaast rekent het hof de verdachte aan dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, maar juist is blijven volharden in zijn eigen – naar het oordeel van het hof ongeloofwaardige – lezing dat hij ten tijde van het incident niet in het café, maar thuis was.

Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 augustus 2018 is de verdachte bovendien eerder voor een geweldsdelict onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof is van oordeel dat de oplegging van alleen een taakstraf, zoals door de raadsman is bepleit, geen recht doet aan het voorgaande. Bovendien is sprake van een taakstrafverbod. Vanwege het tijdsverloop tussen het gepleegde strafbare feit en de berechting in hoger beroep zal het hof de op te leggen gevangenisstraf voor het overgrote deel in voorwaardelijke zin opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 721,65 aan materiële schade. Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van gemaakte kosten ten behoeve van rechtsbijstand (hierna: proceskosten) ten bedrage van

€ 3.236,75 gevorderd. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep bij brief van 20 juli 2017 opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering en heeft haar vordering tot vergoeding van de proceskosten gehandhaafd.

Het hof stelt vast dat de verdediging de hoogte van de opgevoerde materiële schade en het causale verband niet heeft betwist. Evenmin verweer is gevoerd met betrekking tot de gevorderde vergoeding van proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering wordt toegewezen.

Het hof legt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, en wel op de hierna te noemen wijze.

Met betrekking tot de proceskosten is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt ten behoeve van rechtsbijstand. Het hof veroordeelt de verdachte tot vergoeding van de gemaakte proceskosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 3.236,75.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 29 (negenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 721,65 (zevenhonderdeenentwintig euro en vijfenzestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 721,65 (zevenhonderdeenentwintig euro en vijfenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 3.236,75 (drieduizend tweehonderdzesendertig euro en vijfenzeventig cent).

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen ten aanzien van de materiële schade heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 26 juni 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. W.M.C. Tilleman en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

19 september 2018.

BIJLAGE

bij het onder parketnummer 23-000606-17 gewezen arrest van 19 september 2018 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1997,

adres: [adres 2] .

De bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2015144987-1 van 26 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 1-5).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 juni 2015 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

Op 26 juni 2015 bevond ik mij in de kroeg [naam] . Uit het niets ontstond een hevige vechtpartij naast mij waarbij meer personen betrokken waren. Ik zag opeens een glas recht op mijn gezicht afkomen. Ik was te laat met ontwijken en het ging zo snel dat ik het glas in mijn gezicht kreeg. Ik voelde een hevige pijn aan mijn gezicht toen ik het glas in mijn gezicht kreeg. Ik bleek een diepe snee in mijn linkerwang net onder mijn oog te hebben. In het ziekenhuis heeft de dokter mijn wond dichtgeplakt.

2. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015144987-22 van 22 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (ongenummerd).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 15 maart 2017 ontving ik per e-mail een interne opsporingsberichtgeving die betrekking had op een mishandeling gepleegd op 26 maart 2015 in horecagelegenheid [naam] . Bij het afspelen van het opsporingsbericht zag ik een persoon die ik direct herkende als [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1997 te [geboorteplaats 1] . Ik herken hem aan zijn houding, haardracht, haarkleur, gezicht en postuur. Ik ben sinds 2008 werkzaam in Amstelveen. Ik heb hem in de loop der jaren meermalen staande gehouden en contact gehad. Ik zag dat hij zich in een gevecht mengde en tegen een voor mij onbekend persoon een glas gooide.

3. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015144987-21 van 22 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (ongenummerd).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 22 maart 2017 zag ik een interne opsporingsberichtgeving aangaande een gepleegde mishandeling op 26 juni 2015 in horecagelegenheid [naam] . Ik bekeek de camerabeelden van de gepleegde mishandeling waarbij de verdachte een glas gooit. Ik herken de verdachte voor 100% als [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1997 te [geboorteplaats 1] . Ik ben werkzaam in Amstelveen en tijdens mijn werkzaamheden ben ik meermaals in contact geweest met hem. Hierbij heb ik hem meermaals staande gehouden. Op de voornoemde camerabeelden herken ik hem aan zijn haardracht, haarkleur, huidskleur, postuur, lengte en gezicht.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2015144987-13 van 21 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 42-46).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 november 2015 tegenover de verbalisant (V) afgelegde verklaring van getuige G. [getuige 1] (A):

Noot verbalisant: Ik toon de getuige de foto van Harley (het hof begrijpt: [verdachte]).

V: Ken jij de persoon op de foto?

A: Ik ken de persoon op de foto niet, maar ik kan mij wel herinneren dat hij die avond van 26
juni 2015 bij [naam] was.

V: Maakt hij deel uit van je vrienden- of kennissenkring?

A: Nee.

V: Hoe komt het dan dat je je hem kunt herinneren?

A: Hij was bij die jongens die mij aan het provoceren waren. Hij stond daarbij.

V: Hoe komt het dat je je hem herinnert?

A: De meeste bezoekers van [naam] zijn blond, hebben blauwe ogen en zijn
Hollandser dan Hollands. Hij viel mij dus op, omdat hij daar van afwijkt.