Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3349

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
23-000495-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een winkeldiefstal, een bedreiging met een mes, drugsbezit, het uitgeven van valse bankbiljetten en diefstal door te pinnen met andermans pinpas. Bevestiging van vonnis waarbij ISD-maatregel is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000495-18

datum uitspraak: 7 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741067-17, 16-180389-14 en 13-659160-13 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

adres: [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van :

  • -

    de kwalificatie van het onder 5 bewezen verklaarde en

  • -

    de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], voor zover het de kostenveroordeling betreft,

in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof:

  • -

    de verklaring van de verdachte in hoger beroep als bewijsmiddel toevoegt, en

  • -

    verzoeken van de raadsman bespreekt, en

  • -

    een verweer ten aanzien van de opgelegde maatregel bespreekt.

Bewijsmiddel

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2018. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb de vijf strafbare feiten die door de rechtbank bewezen zijn verklaard, gepleegd. Het klopt dat ik op 28 maart 2017 de winkeldiefstal heb gepleegd. Ik heb op 11 november 2016 [slachtoffer 2] bedreigd met een mes. Dat was misschien vanwege geld. Dan wilde ik wat verdienen. Het klopt dat ik op 18 oktober 2015 XTC pillen in mijn bezit had. Ik was van plan om er geld mee te verdienen door ze te verkopen.
Het klopt dat ik in Amsterdam bij de supermarkt [naam 1] en bij de Albert Heijn valse bankbiljetten heb uitgegeven. Ik was er zelf mee belazerd en wilde van de valse 50 euro-briefjes afkomen.
Het klopt dat ik € 834,75 heb gepind met de pinpas van de heer [slachtoffer 1]. Die pinpas heb ik van hem afgepakt en daarna heb ik geld van zijn rekening gehaald.

Kwalificatie van het onder 5 bewezen verklaarde

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Verzoeken van de raadsman

De raadsman heeft verzocht dat – indien het hof onvoldoende basis ziet om af te zien van oplegging van de ISD-maatregel – het onderzoek wordt geschorst voor een periode van drie maanden, dan wel dat het onderzoek wordt heropend, met schorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarden. Na een periode van drie maanden kan het hof dan een beslissing nemen die mede gebaseerd is op het verloop van het toezicht tijdens de schorsing. Het hof verkrijgt op die manier meer informatie over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof acht aanhouding dan wel heropening van het onderzoek niet noodzakelijk. Het hof acht zich voldoende voorgelicht over de persoonlijke omstandigheden op grond van het dossier en hetgeen de verdachte en zijn raadsman ter zitting naar voren hebben gebracht en voorts door hetgeen de reclasseringswerker [naam 2] ter zitting heeft verklaard. Het hof wijst het verzoek tot aanhouding dan wel heropening van de raadsman af en ziet daarmee ook geen reden tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Bespreking van verweer ten aanzien van de opgelegde ISD-maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde veroordeeld tot een ISD-maatregel.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte geen ISD-maatregel wordt opgelegd, maar een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest. Ook oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel is mogelijk. De ISD-maatregel is bedoeld als een ultimum remedium. De ten laste gelegde feiten zijn al van langere tijd geleden. De verdachte heeft sinds het vonnis van de rechtbank geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. Weliswaar is hij eerder dit jaar niet verschenen op uitnodigingen om een werkstraf te voldoen, maar dat was vanuit de vrees dat hij zou worden opgepakt, nu zijn gevangenneming door de rechtbank was bevolen. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep de verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Hij voelt de druk om zijn familie niet opnieuw teleur te stellen door de fout in te gaan. Ook weet hij dat hem een ISD-maatregel zal worden opgelegd als hij een nieuwe misstap begaat. Hij is gestopt met drugsgebruik. De verdachte is bereid om mee te werken aan het reclasseringscontact en ziet in dat het hem kan helpen. Alle voor reclasseringsadviezen geraadpleegde referenten melden dat de verdachte tot augustus 2016 meewerkend was en dat er afspraken met hem te maken waren. Indien aan de verdachte een ISD-maatregel wordt opgelegd, kan hij de eerstkomende zes tot twaalf maanden niet beginnen aan een opleiding.

Het hof overweegt als volgt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een (onvoorwaardelijke) ISD-maatregel noodzakelijk is. De verdachte is blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 augustus 2018 reeds vele malen onherroepelijk veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder veel vermogensdelicten. Thans veroordeelt het hof hem wegens vijf uiteenlopende feiten, te weten een winkeldiefstal, een bedreiging met een mes, drugsbezit, het uitgeven van valse bankbiljetten en diefstal door te pinnen met andermans pinpas. Niet gebleken is dat de omstandigheden die hebben geleid tot de onderhavige feiten, waaronder verdachtes kennelijke bereidheid om strafbare feiten te plegen voor financieel gewin, wezenlijk zijn veranderd. Eerder dit jaar is hij nog in aanraking gekomen met de politie vanwege drugsbezit. Weliswaar zijn er sindsdien geen politiecontacten meer geweest, maar gebleken is dat de verdachte zich gedurende een gedeelte van die periode in het buitenland bevond. De afgelopen jaren zijn veel reclasseringstoezichten mislukt, omdat de verdachte zich niet begeleidbaar opstelde. De verdachte heeft eerder dit jaar er ook voor gekozen om zich niet te melden voor de uitvoering van een werkstraf. Het hof heeft er, mede gelet op hetgeen door reclasseringswerker [naam 2] ter zitting in hoger beroep is verklaard, onvoldoende vertrouwen in dat de verdachte zich in de toekomst wel begeleidbaar zal opstellen, indien die begeleiding niet in een zeer strikt kader plaatsvindt. Het hof is van oordeel dat de verdachte intensieve begeleiding, waaraan hij zich niet kan onttrekken, nodig heeft om zijn leven een positieve wending te geven en een einde te maken aan zijn delinquente gedrag. De veiligheid van personen en goederen eist daarom het opleggen van de ISD-maatregel. Het hof acht oplegging van de ISD-maatregel daarom passend en geboden en zal ook dit onderdeel van het vonnis bevestigen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 834,75. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Door of namens de verdachte is de hoogte van de schade en de aansprakelijkheid van de verdachte hiervoor niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof zal de verdachte verwijzen in de door de benadeelde partij gemaakte kosten. Gelet op hetgeen door de benadeelde partij en haar raadsman naar voren is gebracht bestaan die kosten uit € 671,55. Het hof begroot die kosten daarom op € 671,55, nu dat bedrag het toepasselijke liquidatietarief niet te boven gaat.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 63, 213, 285, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder 5 bewezen verklaarde en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 834,75 (achthonderdvierendertig euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 671,55 (zeshonderdeenenzeventig euro en vijfenvijftig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 834,75 (achthonderdvierendertig euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 4 september 2015.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. M. Iedema en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2018.

mr. A.N. Biersteker is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]