Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3347

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
23-001305-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging met uitzondering van de beslissingen op de vordering tenuitvoerlegging en de vorderingen van benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001305-18

datum uitspraak: 7 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741293-17 en 13‑684520-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 mei 2018 en 24 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van:

  • -

    de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], nu het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank komt,

  • -

    de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], nu de rechtbank heeft verzuimd een beslissing te nemen ten aanzien van de (proces)kostenverdeling tussen de partijen,

  • -

    de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging,

in zoverre zal het vonnis worden vernietigd, en met dien verstande dat het hof:

- als bewijsmiddel toevoegt de verklaring van de verdachte in hoger beroep.

Bewijsmiddel

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2018. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb mij schuldig gemaakt aan de vier door de rechtbank bewezen verklaarde feiten.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2016 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat op 26 oktober 2016 en 14 december 2016 reeds een gedeelte van deze straf ten uitvoer is gelegd, zodat thans nog 19 dagen jeugddetentie resteren. Bij arrest van 29 mei 2018 is de tenuitvoerlegging van deze 19 dagen bevolen. Dit arrest is nog niet onherroepelijk, zodat het hof thans onverkort dient te beslissen over het resterende gedeelte van 19 dagen jeugddetentie.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Daarom kan en zal de tenuitvoerlegging van 19 dagen jeugddetentie van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof zal de jeugddetentie omzetten in gevangenisstraf omdat de veroordeelde thans meerderjarig is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.795,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde. De benadeelde partij kan daarom niet in de vordering worden ontvangen .

Het hof bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 591,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden voor wat betreft de kosten voor de vervanging van de kentekenplaten. Weliswaar is de verdachte niet veroordeeld voor de diefstal van de kentekenplaten, maar wel voor de opzetheling daarvan. Blijkens het dossier heeft aangever [slachtoffer 1] zijn bestelauto op 10 december 2017 rond 22.30 uur afgesloten achtergelaten in de Aalbersestraat te Amsterdam. Op 11 december 2017 rond 2.58 uur heeft de politie een melding gekregen van een inbraak in een kilometers verderop gelegen garagebox (kruising [adres 2] te Amsterdam), alwaar verdachte is aangehouden. Nu de kentekenplaten binnen korte tijd na het moment waarop de diefstal moet zijn gepleegd in het bezit van de verdachte waren en hij geen enkele aannemelijke verklaring heeft gegeven over hoe hij zo kort na de diefstal aan deze kentekenplaten is gekomen, houdt het hof de verdachte verantwoordelijk voor de kosten die de benadeelde partij voor de vervanging van deze kentekenplaten heeft moeten maken. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De verkeersovertredingen waarvan het boetebedrag is gevorderd, zijn begaan voorafgaand aan het moment waarop de kentekenplaten blijkens de aangifte zijn gestolen. Daarom is onvoldoende gebleken dat die schade door handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in de vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 63, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 72,00 (tweeënzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 72,00 (tweeënzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 11 december 2017.

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2016, parketnummer 13-684520-15, te weten van

jeugddetentie voor de duur van 19 (negentien) dagen, met dien verstande dat het hof deze straf omzet in een gevangenisstraf voor de duur van 19 (negentien) dagen.

Heft op het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijke deel van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2018.

mr. A.N. Biersteker is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]

.