Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3317

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
23-001920-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Overweging m.b.t. bevoegdheid in leerplichtzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001920-18

datum uitspraak: 13 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2018 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-252449-17 en 13-002393-18, alsmede 05-053451-17 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

30 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-252449-17:

1:
zij op of omstreeks 23 november 2017 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 320 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

2:
zij op of omstreeks 23 november 2017 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, Coolsingel, zonder dat aan haar door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.


Zaak met parketnummer 13-002393-18 (gevoegd):

zij in of omstreeks de periode van 09 oktober 2017 tot en met 26 november 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl zij als leerling aan een school, te weten [school] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Overweging ten aanzien van de bevoegdheid

Het hof stelt vast dat de verdachte in de leerplichtzaak met parketnummer 13-002393-18 is gedagvaard om te verschijnen voor de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam op 24 mei 2018. Op grond van artikel 382 Sv is de kantonrechter absoluut bevoegd ten aanzien van overtredingen, terwijl een uitzondering op die regel (zoals bedoeld in sub b van dat artikel) zich in onderhavig geval niet voordoet. De kinderrechter had daarom de behandeling van de leerplichtzaak moeten verwijzen naar de kantonrechter.

Het hof ziet in dit geval echter geen aanleiding de leerplichtzaak terug te wijzen naar de kantonrechter. Het hof gaat ervan uit dat in de situatie waarin in eerste aanleg twee aparte vonnissen waren gewezen, waarvan één door de kantonrechter en de andere door de kinderrechter, per saldo niet tot een andere strafoplegging zou hebben geleid. Terugwijzing zou leiden tot een onwenselijke vertraging van de afdoening van deze zaak. Dit is belastend voor de verdachte en niet in haar belang, want strijdig met het uitgangspunt van het jeugdstrafrecht om de zaken op zo kort mogelijke termijn af te doen. Bij deze beslissing neemt het hof in aanmerking dat van de zijde van de verdediging geen grieven gericht zijn tegen de afdoening van de leerplichtzaak door de kinderrechter.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt ten aanzien van de bewijsconstructie, de kwalificatie en de strafoplegging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-252449-17 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-002393-18 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 13-252449-17:

1:
zij op 23 november 2017 te Rotterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 320 microgram bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

2:
zij op 23 november 2017 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, Coolsingel, zonder dat aan haar door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.


Zaak met parketnummer 13-002393-18 (gevoegd):

zij in de periode van 9 oktober 2017 tot en met 26 november 2017 te Amsterdam, als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl zij als leerling aan een school, te weten [school] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 13-252449-17 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-002393-18 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 13-252449-17 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-002393-18 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 13-252449-17 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Het in de zaak met parketnummer 13-252449-17 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het in de zaak met parketnummer 13-002393-18 bewezen verklaarde levert op:

als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13-252449-17 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-002393-18 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met verbetering van de (bewijs) gronden.

De raadsman heeft bepleit slechts een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een auto bestuurd onder invloed van alcohol, terwijl zij geen rijbewijs heeft. Daardoor heeft de verdachte zichzelf en andere weggebruikers op twee verschillende fronten in gevaar gebracht. Het gevaar van besturen van de auto zonder daarvoor te zijn opgeleid en geschikt te zijn bevonden, wordt nog eens versterkt door het gevaar van het besturen onder invloed van alcohol. Daardoor wordt immers de reactiesnelheid en het beoordelingsvermogen negatief beïnvloed.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ongeoorloofd schoolverzuim. Dit heeft ertoe geleid dat de verdachte nog niet beschikt over enige startkwalificatie terwijl zij zich in een levensfase bevindt, waarin onderwijs en vorming van cruciaal belang zijn voor haar verdere leven.

Het hof heeft verder acht geslagen op de inhoud van twee rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad), opgemaakt op 8 maart 2018. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de Raad, in de persoon van mevrouw [naam] het eerdere strafadvies van een (deels) voorwaardelijke werkstraf gehandhaafd, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan IPA Spirit, Inforsa en aan het vinden van een passende dagbesteding en/of school en daarbij begeleid zal worden door JBRA.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2018 blijkt dat zij al eerder ter zake van rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs onherroepelijk is veroordeeld.

Uit het dossier en ook ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte een problematische jeugd heeft gehad en dat zij inmiddels een ambivalente houding heeft tegenover hulpverlening. Het hof acht het echter van groot belang dat de verdachte, met het oog op haar verdere ontwikkeling, de nodige hulp zal krijgen om met zichzelf aan de slag te gaan en haar leven op de rit te krijgen. Anders dan door de raadsman bepleit ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Het hof is van oordeel dat een consequentie aan het gedrag van de verdachte – in de vorm van een werkstraf – wel degelijk is aangewezen, te meer omdat de verdachte voor precies dezelfde verkeersdelicten al eens eerder is veroordeeld en toen een voorwaardelijke straf heeft gekregen. Wel ziet het hof in de persoon van de verdachte aanleiding om de door de kinderrechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf enigszins te matigen.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden en zal daaraan de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 26 van de Leerplichtwet 1969, de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 107, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van 17 juli 2017 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De raadsman heeft bepleit de proeftijd van de vordering tot tenuitvoerlegging te verlengen met een jaar.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan identieke strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Om die reden acht het hof het niet geraden om de proeftijd te verlengen. De verdachte moet tastbare consequenties ondervinden van deze herhaling van strafbare feiten, en daarom zal de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-252449-17 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-002393-18 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-252449-17 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-002393-18 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de proeftijd op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen te melden bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde gedurende de proeftijd haar medewerking verleent aan IPA Spirit en zich houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens IPA Spirit.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd haar medewerking zal verlenen aan Inforsa, om de mogelijkheid van een passende begeleide woonvorm te onderzoeken.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan het vinden van een passende dagbesteding in de vorm van school en/of werk.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van 17 juli 2017, parketnummer 05-053451-17, te weten van:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. M.J.A. Duker en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 september 2018.

Mr. Hes-Bakkeren is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

.