Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3315

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
23-002651-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mishandeling. Feitelijke toedracht vechtpartij onduidelijk. Hof gaat uit van lezing verdachte en honoreert beroep op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002651-16

Datum uitspraak: 20 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer
15-238986-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1968,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 27 april 2015 te Egmond aan den Hoef (gemeente Bergen NH), in elk geval in Nederland, met een ander, aan de openbare weg, te weten de Hoeverweg te Egmond aan den Hoef, in elk geval op een openbare weg, openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen een of meer perso(o)n(en) te weten:

- [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 1] 1998) en/of

- [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum 2] 1996) en/of

- [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum 3] 1994) en/of

een of meer anderen welk geweld bestond uit opzettelijk (meermalen) slaan en/of stompen van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] ten gevolge van dat geweld voornoemde perso(o)n(en) lichamelijk letsel heeft/hebben bekomen;

subsidiair:
hij op of omstreeks 27 april 2015 te Egmond aan den Hoef (gemeente Bergen NH), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) heeft mishandeld

- [slachtoffer 1] door die [slachtoffer 1] met gebalde vuist in haar gezicht te slaan en/of

- [slachtoffer 2] door die [slachtoffer 2] meermalen, in ieder geval eenmaal, met zijn vuist tegen zijn kaak en voorhoofd te slaan en/of

- [slachtoffer 3] door die [slachtoffer 3] in zijn gezicht te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt.

Vrijspraak primair

Met het openbaar ministerie en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak subsidiair

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen en heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren, zulks met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 199 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat hij heeft gehandeld uit noodweer.

Het hof overweegt als volgt.

Op 27 april 2015 fietste een groep jongeren, bestaande uit [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] , richting Alkmaar op de Hoeverweg te Egmond aan den Hoef. Uit de tegenovergestelde richting kwamen de verdachte en zijn broer, ieder op een racefiets, aangefietst. De verdachte reed voorop. [slachtoffer 2] spuugde richting de linkerrijbaan, waarna de spuug in het gezicht van de verdachte belandde. Over hetgeen zich daarna heeft afgespeeld lopen de verklaringen van beide groepen uiteen.

Volgens de verdachte en zijn broer, [broer van verdachte] , zijn zij gestopt en heeft [broer van verdachte] [slachtoffer 2] aangesproken op het spugen, waarna [slachtoffer 2] [broer van verdachte] gelijk in het gezicht sloeg. Als gevolg daarvan heeft [broer van verdachte] een blauw oog opgelopen. De verdachte heeft zijn fiets neergelegd, waarna twee jongens om zijn nek sprongen. Vervolgens is er een vechtpartij ontstaan. De verdachte heeft klappen gegeven, maar dat kwam omdat de jongeren op hem af bleven komen. Eén van de jongens sloeg helemaal door en bleef maar tieren. De twee andere jongens en het meisje probeerden die jongen tegen te houden. Volgens de verdachte heeft hij het meisje niet geslagen.

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat de verdachte rechtsomkeert maakte en [slachtoffer 2] in het gezicht sloeg. Volgens hen is de verdachte begonnen met slaan. Volgens [slachtoffer 1] heeft een van de wielrenners [slachtoffer 2] in het gezicht geslagen. Vervolgens is er een vechtpartij ontstaan, waarbij de verdachte alle drie de jongeren in het gezicht heeft geslagen.

Getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] arriveerden na aanvang van de vechtpartij en hebben niet het gehele incident waargenomen. Zij hebben niet waargenomen wat de aanleiding voor de vechtpartij is geweest en wie de eerste klap heeft gegeven, zij hebben daarover dan ook geen verklaring afgelegd.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding en of deze verdediging noodzakelijk is geweest, waarbij de wijze van verdediging dient te voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof constateert dat de feitelijke toedracht van het incident onduidelijk is. Beide groepen hebben verklaard dat de ander is begonnen met het uitoefenen van geweld en geen van de getuigen heeft hierover uitsluitsel kunnen geven. Het scenario zoals door de verdachte geschetst, waarin [slachtoffer 2] is begonnen met het toepassen van geweld jegens zijn broer en vervolgens twee jongens in de nek van de verdachte zijn gesprongen op het moment dat hij zijn broer te hulp schoot, kan daarom niet worden uitgesloten.

Uitgaande van de lezing van de verdachte, leverden deze gedragingen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding op waartegen de verdachte zijn broer en zichzelf mocht verdedigen.

Subsidiariteit en proportionaliteit

Naar het oordeel van het hof is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, omdat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken.

De proportionaliteitseis strekt ertoe om een gedraging niet straffeloos te laten zijn indien het verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband toepasselijke – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.

De aard van de onderhavige aanranding was een klap in het gezicht van de broer van de verdachte en twee jongens die in de nek sprongen van de verdachte. Uit het dossier volgt dat de verdachte ter verdediging de jongeren enkele vuistslagen in het gezicht heeft gegeven. Gezien de onoverzichtelijkheid van de onderhavige noodweersituatie – de verdachte werd hiermee ongevraagd en onverwacht geconfronteerd nadat hij eerder door één van de jongeren in zijn gezicht was gespuugd – past het niet dat het hof op studeerkamerachtige wijze beoordeelt of de gekozen verdediging optimaal is geweest. Het gaat erom of het toegepaste geweld niet in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Gelet op de aard van de aanranding en het toegepaste geweld, is het hof van oordeel dat de wijze van verdediging van de verdachte in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, waardoor eveneens is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit.

Het beroep op noodweer slaagt.

Conclusie

Nu het hof van oordeel is dat de verdachte met vrucht een beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer kan doen, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat de aan verdachte ten laste gelegde gedragingen als wederrechtelijk en daarmee als ‘mishandelend’ kunnen worden aangemerkt. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 219,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. A.M. Ruige en mr. M.E. Hinskens-van Neck, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 februari 2018.