Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:331

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
200.214.208/ 01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging gezamenlijk gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.214.208/ 01

Zaaknummer rechtbank: C13/589739 / FA RK 15-4778 (CK/PS)

Beschikking van de meervoudige kamer van 30 januari 2018 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.R. van Laar te Arnhem,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Koek te Amsterdam.

Als belanghebbenden zijn overigens aangemerkt:

- [kind a] ;

- [kind b] .

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Amsterdam

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2017 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 18 april 2017 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van voormelde beschikking van 18 januari 2017.

2.2.

De man heeft op 22 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De hierna te noemen minderjarigen [kind a] en [kind b] hebben ieder hun mening schriftelijk kenbaar gemaakt. Ter terechtzitting van 11 december 2017 heeft de voorzitter de inhoud van hun brieven zakelijk weergegeven. Partijen hebben gelegenheid gehad daarop te reageren.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door mr. Z. Taşpınar, advocaat te Amsterdam, waarnemend voor
mr. Koek voornoemd;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw F.L.M. Huizinga.

3 De feiten

3.1.

Uit de (inmiddels beëindigde) relatie van de vrouw en de man zijn geboren:

- [kind a] (hierna te noemen: [kind a] ), [in] 2002;

- [kind b] (hierna te noemen: [kind b] ), [in] 2005 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

De man heeft de kinderen erkend. De kinderen verblijven bij de vrouw.

De vrouw is tevens de moeder van [dochter] (hierna: [dochter] ), geboren [in] 2012.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op het daartoe strekkende (inleidend) verzoek van de man bepaald dat partijen gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over de kinderen worden belast. Tevens is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) bepaald, aldus dat de man de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zondag 17.00 uur en elke woensdag na school tot 20.00 uur bij zich zal hebben, met dien verstande dat de vrouw de kinderen op vrijdag naar de man zal brengen en de man hen op zondag zal terugbrengen naar de vrouw en dat op woensdag de man [kind b] zal ophalen bij de vrouw en [kind a] uit school op eigen gelegenheid naar de man zal gaan, waarna de man de kinderen om 20.00 uur zal terugbrengen naar de vrouw. De schoolvakanties en de feestdagen zullen door partijen in onderling overleg worden verdeeld, waarbij de vrouw de kinderen naar de man zal brengen en de man de kinderen zal terugbrengen naar de vrouw.

4.2.

De vrouw verzoekt thans, zo volgt uit haar ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting op haar verzoek, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- het (inleidend) verzoek van de man strekkende tot gezamenlijk gezag af te wijzen, dan wel te bepalen dat de vrouw het eenhoofdig gezag over de kinderen zal behouden;

- te bepalen dat in het kader van de zorgregeling de man de kinderen zal ophalen en weer thuis zal brengen.

4.3.

De man verzoekt de vrouw niet‑ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans het door haar in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

De zorgregeling

5.1.

Ter zitting in hoger beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de haal- en brengregeling, in die zin dat de man de kinderen steeds zal ophalen bij en weer zal terugbrengen naar de vrouw. Gelet op deze overeenstemming zal het hof dienovereenkomstig beslissen en de bestreden beschikking op dit punt vernietigen. Het hof gaat er daarbij van uit dat de vrouw zich, zoals zij ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk heeft verklaard, flexibel zal opstellen in het geval de man incidenteel niet in staat zou zijn om (een van) de kinderen op te halen of naar haar terug te brengen.

Gezag

5.2.

De vrouw betoogt dat de rechtbank ten onrechte partijen gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over de kinderen heeft belast. Gezamenlijk gezag is volgens de vrouw niet in het belang van de kinderen. Zij zullen hierdoor klem of verloren raken tussen hun ouders. Partijen hebben al geruime tijd geen rechtstreeks contact met elkaar en voor zover zij contact hebben leidt dit volgens de vrouw tot conflicten. Zij stelt voorts dat de communicatie tussen partijen beperkt en niet goed is en dat hun verstandhouding sinds de bestreden beschikking aanzienlijk is verslechterd. Volgens de vrouw verschillen partijen zodanig van inzicht over de wijze van verzorging en opvoeding van de kinderen en hebben partijen zodanig uiteenlopende normen en waarden, dat zij er niet in slagen hierover met elkaar in gesprek te gaan en samen beslissingen te nemen. Zij stelt tevens dat de man, ook nu hij met het gezag is belast, zijn afspraken veelal niet nakomt. Zij heeft de man meermaals op de hoogte gesteld van ouderavonden of besprekingen op school, maar de man is nimmer verschenen. De man speelt volgens de vrouw een machtsspel en is niet in staat om op een evenwichtige wijze invulling te geven aan het gezamenlijk gezag. Zij neemt al dertien jaar zelfstandig beslissingen aangaande de kinderen. Gezamenlijk gezag zal te veel spanningen voor de kinderen meebrengen, aldus de vrouw.

5.3.

De man betwist dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen hun ouders. Evenmin is volgens hem afwijzing van zijn verzoek tot gezamenlijk gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk. Hij voert hiertoe aan dat het uitgangspunt van de wetgever is dat het in het belang van een minderjarige is als de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Partijen zijn in staat om gezamenlijk het gezag over de kinderen uit te oefenen. Hij heeft een betrokken rol in het leven van de kinderen en komt afspraken na. De communicatie tussen partijen verliep volgens de man goed tot hun meningsverschil over de haal- en brengregeling. Ter zitting in hoger beroep heeft de man voorts nog aangevoerd dat het contact tussen partijen na de bestreden beschikking in het begin enigszins moeizaam verliep, maar dat het contact vervolgens goed was en dat partijen overleg met elkaar hadden over zaken aangaande de kinderen. Dat de communicatie recent is gewijzigd en weer moeizamer verloopt, neemt volgens de man niet weg dat partijen in staat zijn gezamenlijk tot beslissingen te komen. Het ontbreken van een goede communicatie brengt niet zonder meer mee dat het eenhoofdig gezag in stand zou moeten blijven. Dat partijen verschillende visies hebben ten aanzien van sommige punten in de opvoeding evenmin, aldus de man. Gezamenlijk overleg over belangrijke beslissingen is volgens hem juist in het belang van de kinderen. Hij betwist dat sprake is van een machtsspel; hij wil met de vrouw op één lijn zitten. Hij betwist tevens dat hij niet in staat is om op een evenwichtige wijze invulling te geven aan het gezamenlijk gezag. Er heeft zich volgens de man geen situatie voorgedaan waarin partijen er niet in zijn geslaagd in gesprek te gaan met elkaar. Er is evenmin reden om aan te nemen dat hij belangrijke beslissingen over de kinderen zal blokkeren, aldus de man.

5.4.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover de man daarbij mede met het gezag over de kinderen is belast. Volgens de raad zijn partijen in staat met elkaar te communiceren over de kinderen en is hun communicatie niet dermate verstoord dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen hun ouders. De raad acht het niet in het belang van de kinderen om het eenhoofdig gezag in stand te houden.

5.5.

Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag van de ouders over een minderjarige het uitgangspunt is van de wetgever. Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover hier van belang, kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

5.6.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Hoewel de communicatie tussen partijen blijkens hun stellingen op dit moment te wensen overlaat, zijn partijen over een langere periode in staat gebleken (telefonisch) met elkaar te overleggen en afspraken te maken over zaken aangaande de kinderen - zoals rapportgesprekken of ouderavonden, de straffen die de kinderen dienen te krijgen als zij niet luisteren en het stimuleren van [kind b] om meer te lezen. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij en de man elkaar af en toe bellen, welke telefoongesprekken een of twee uur kunnen duren, en dat zij dan dergelijke zaken met betrekking tot (de opvoeding van) de kinderen bespreken. De vrouw heeft niet betwist dat partijen overleggen over de keuze van de school van [kind a] en gezamenlijk doende zijn iets te plannen voor haar zestiende verjaardag. Voorts zijn partijen in staat gebleken het eens te worden over de haal- en brengregeling en is gebleken dat voor het overige op goede wijze uitvoering wordt gegeven aan de door de rechtbank bepaalde zorgregeling.

5.7.

Op grond van het voorgaande overweegt het hof dat partijen voldoende in staat zijn beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg te nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen hun ouders. De thans wisselend verlopende en beperktere communicatie tussen partijen acht het hof dan ook onvoldoende om aan te nemen dat de kinderen een onaanvaardbaar risico lopen klem of verloren te zullen raken tussen hun ouders. Ook uit de door de kinderen naar voren gebrachte zienswijzen volgt zulks niet. Haar stelling dat de man een machtsspel speelt heeft de vrouw onvoldoende geconcretiseerd, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat. Voor zover de vrouw stelt dat zij sinds de man mede met het gezag over de kinderen is belast, op problemen stuit, heeft zij die stelling, in het licht van de uitdrukkelijke betwisting door de man dat hij gezagsbeslissingen heeft tegengewerkt, onvoldoende onderbouwd. Ook de stelling van de vrouw tot slot dat zij gedurende een lange periode steeds alle belangrijke beslissingen aangaande de kinderen alleen heeft genomen, maakt het voorgaande niet anders, gelet op het uitgangspunt van gezamenlijk gezag en de omstandigheid dat voldoende basis bestaat voor een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening door partijen.

5.8

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof, evenals de rechtbank en de raad, van oordeel dat geen sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen hun ouders. Evenmin acht het hof afwijzing van het verzoek van de man anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk, temeer niet nu de man een band en regelmatig contact heeft met de kinderen. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag derhalve bekrachtigen.

Het hof geeft partijen mee dat zij zich in het belang van de kinderen blijvend dienen in te zetten hun onderlinge communicatie te verbeteren en er voor te zorgen dat hun eventuele slechte communicatie niet via de kinderen verloopt.

5.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij in het kader van de zorgregeling een haal- en brengregeling is bepaald, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man in het kader van de zorgregeling de kinderen bij de vrouw zal ophalen en weer bij de vrouw zal terugbrengen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

gelast de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.J. Leijdekker en mr. T.A.M. Tijhuis, bijgestaan door mr. J.H.M. Kessels als griffier en is op 30 januari 2018 in het openbaar uitgesproken.