Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3283

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
23-004623-16.a
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verwerpt het beroep op noodweer en veroordeelt de verdachte wegens mishandeling tot een geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis, te betalen in termijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004623-16

datum uitspraak: 10 september 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman, na aanhouding niet verschenen)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 november 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-183764-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2018 en – na tussenarrest op 5 februari 2018 – 27 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 september 2016 te Zaandam, gemeente [geboorteplaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met de (tot vuist gebalde) hand in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan/stompen en/of

- ( met kracht) tegen de borst, althans het lichaam, te schoppen/trappen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Beroep op noodweer

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat hij derhalve behoort te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de aangever de verdachte naar aanleiding van een verkeersruzie had aangevallen en dat sprake was van een aanhoudende bedreiging door de aangever. De verdachte zag zich derhalve geconfronteerd met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en heeft daarop, aldus de raadsman, gereageerd door de aangever te slaan en te trappen. In de visie van de raadsman dient geen gewicht te worden toegekend aan de verklaringen van de aangever en diens vriendin, nu zij niet kunnen worden beschouwd als onafhankelijke getuigen.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd op basis van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Het hof is van oordeel dat de door de raadsman gegeven lezing van de gebeurtenissen wordt uitgesloten door de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Het hof heeft hierbij ook in ogenschouw genomen dat de verdachte niet van meet af aan, maar eerst in hoger beroep, heeft verklaard dat sprake was van een situatie waarin hij zich in een dreigende situatie bevond.

Op 5 september 2016 ontstond op de Wibautstraat te Zaandam een verkeersruzie tussen de verdachte en de aangever [slachtoffer]. Toen de verdachte en de aangever hun auto’s hadden geparkeerd, liep de verdachte op de aangever af. Zij stonden hoofd-tegen-hoofd tegen elkaar aan, waarop de verdachte de aangever met zijn beide handen tegen zijn borst duwde. De verdachte haalde daarna uit met zijn vuisten naar het hoofd van de aangever, waarbij hij de aangever een paar keer heeft geraakt. Vervolgens trapte de verdachte de aangever met een ‘vliegende trap’ op zijn borst. Ook sloeg de verdachte de aangever met zijn vuist op een oog.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het beroep op noodweer faalt derhalve.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 september 2016 te Zaandam, gemeente [geboorteplaats], [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer]

- meermalen met de tot vuist gebalde hand tegen het gezicht te stompen en

- tegen de borst te trappen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 600, subsidiair 12 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500, subsidiair 10 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan de mishandeling van een medeverkeersdeelnemer. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 augustus 2018 is hij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van de hierna te melden hoogte passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

In eerste aanleg heeft de benadeelde partij zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 482,89, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 200, met rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 282,89 (bestaande uit € 200 aan immateriële schade en € 82,89 aan materiële schade), met rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering nader onderzoek vergt en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering eventueel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24a, 24c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van één maand, elke termijn groot

€ 100,00 (honderd euro).

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. M. Lolkema en mr. A. Verweij, in tegenwoordigheid van

mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 september 2018.

Mr. A. Verweij is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]