Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3282

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
23-001735-17.a
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verwerpt het beroep op noodweer en veroordeelt de verdachte wegens mishandeling tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001735-17

datum uitspraak: 10 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer

15-039599-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende aan de [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2018 en 27 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Door de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Haarlem, [slachtoffer] heeft mishandeld door, meermalen, althans éénmaal met een stalen buis, althans een dergelijk hard (langwerpig) voorwerp, op de benen en/of in de zij, althans op het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te slaan.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Beroep op noodweer

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte bepleit dat hij heeft gehandeld uit noodweer en dat hij derhalve behoort te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling.

De verdediging heeft daartoe omtrent de feiten het volgende aangevoerd.

De verdachte, die naar aanleiding van een financieel conflict met de aangever [slachtoffer] naar diens woning was gereden, zag bij aankomst van een afstand dat de aangever een mes in zijn hand had. De verdachte pakte daarom een stalen buis uit zijn auto en liep daarmee naar de aangever. De aangever bleef, ondanks herhaalde waarschuwingen van de verdachte om het mes weg te gooien en te blijven staan, op de verdachte af lopen terwijl hij het mes bij zich had. De verdachte zag zich derhalve geconfronteerd met een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf en heeft daarop, aldus de verdediging, gereageerd door de aangever met de stalen buis te slaan. In de visie van de verdediging is de enkele omstandigheid dat de verdachte zich naar een situatie begaf waarin agressief gedrag van de aangever was te verwachten, onvoldoende om geen beroep op noodweer aan te nemen.

Vervolgens liepen de verdachte en de aangever naar de auto van de verdachte. De aangever bleef de verdachte, zoals ook blijkt uit de 112-melding, bedreigen met het mes. De verdachte hield de aangever daarop met behulp van de stalen buis op de grond. De verdachte zag zich derhalve nog steeds geconfronteerd met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, zodat sprake bleef van een situatie waarin de verdachte een beroep op noodweer toekomt, aldus de verdediging.

Het hof stelt de volgende, aan de wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden vast.

Op 26 februari 2017 reed de verdachte naar aanleiding van een financieel conflict met de aangever naar diens woning te Haarlem. Bij aankomst met zijn auto zag de verdachte, vanaf een afstand van minstens 15 meter, de aangever staan. Hij zag dat de aangever een mes bij zich had. Daarop liep de verdachte naar zijn auto om een stalen buis te pakken en liep hij vervolgens met deze buis in zijn handen naar de aangever toe. Toen beiden op elkaar af liepen, sloeg de verdachte de aangever enkele malen met de buis op zijn benen.

Het hof leidt uit de hiervoor beschreven feitelijke gang van zaken af dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte moest vrezen voor een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, dan wel dat er al sprake was van een dergelijke aanranding van zijn lijf. Op het moment dat de verdachte waarnam dat de aangever een mes bij zich had, bevond de aangever zich op een zeer geruime afstand. Het is de verdachte geweest die met een stalen buis in zijn hand naar de aangever liep, en vervolgens onmiddellijk – zoals ook door het hof waargenomen op de ter terechtzitting getoonde beelden van het incident – met deze buis op hem insloeg. Ook in de momenten die daarop volgden – waarin naar de auto van de verdachte is gelopen en de verdachte de aangever vervolgens met de stalen buis onder controle heeft gehouden – is geen sprake van een situatie die als een noodweersituatie kan worden aangemerkt.

Het beroep op noodweer faalt derhalve.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 februari 2017 te Haarlem, [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen met een stalen buis op de benen van voornoemde [slachtoffer] te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna te noemen bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. De ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2018 afgelegde verklaring van de verdachte.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Toen ik mijn auto had geparkeerd, zag ik van een afstand van 16 à 17 meter dat [slachtoffer] een mes in zijn handen had. Ik ben daarop naar mijn auto gelopen om een stalen buis te pakken.

Ik ben naar [slachtoffer] gelopen met de buis in mijn handen en heb hem onmiddellijk met de buis geslagen. Ik sloeg als eerste. Ik heb hem op zijn knieën geslagen met de stalen buis.

2. Een proces-verbaal van aangifte, met proces-verbaalnummer PL1100-2017041147-1 d.d. 26 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 februari 2017 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Vandaag was ik thuis op de [locatie] (het hof: te Haarlem). Ik werd gebeld door de man van het uitzendbureau, de heer [verdachte]. Hij wilde geld van mij. Nu was hij naar mijn woning gekomen voor zijn geld.

Toen ik naar buiten liep, zag ik hem staan en ik zag dat hij een stalen buis in zijn handen had. Ik zei dat ik het mes zou weggooien als hij de buis weg deed. Dat zou hij doen. Ik gooide het mes weg en hierna werd ik door [verdachte] geslagen met die buis. Ik voelde dat hij tegen mijn benen aan sloeg. Ik heb hierdoor pijn aan mijn benen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor de in eerste aanleg bewezen verklaarde mishandeling veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan de mishandeling van een werknemer van het wervings- en selectiebureau van zijn vrouw. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 augustus 2018 is hij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van de hierna te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

In eerste aanleg heeft de benadeelde partij zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 715, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 415, met rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft daarom in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding, voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 415, met rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 400, bestaande uit immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.

Ter zake van de gestelde taxikosten ad € 15 is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden, nu dit gedeelte van de vordering niet voldoende is onderbouwd. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering voor het overige, zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 400 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 400 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
8 (acht) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 februari 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. M. Lolkema en mr. A. Verweij, in tegenwoordigheid van

mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 september 2018.

Mr. A. Verweij is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]