Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3281

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
23-004195-17.a
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt wegens weigering aan een bloedonderzoek veroordeeld tot een taakstraf van 16 uren subsidiair 8 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 7 maanden. Sprake van een positieve wending in het leven van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004195-17

datum uitspraak: 10 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 96-152543-17 en 15-165823-16 (TUL), 96-124514-15 (TUL), 96-072067-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende aan de [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

27 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 augustus 2017 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een tweewielige bromfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van genoemde wet verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 augustus 2017 te Heerhugowaard, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een tweewielige bromfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van genoemde wet verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 425,- subsidiair 8 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven, waaronder de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde hechtenisstraf van drie weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 16 uren, subsidiair 8 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte, tegen wie de verdenking was gerezen onder invloed van cannabis een motorrijtuig te hebben bestuurd, heeft geweigerd gevolg te geven aan een bevel tot onderwerping aan een bloedonderzoek en aldus verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of hij cannabis had genuttigd en, zo ja, in welke mate hij als bestuurder een potentieel gevaar voor de verkeersveiligheid opleverde.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 augustus 2018 is hij eerder ter zake van strafbare feiten, waaronder verkeersmisdrijven, onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft bij de strafoplegging ten voordele van de verdachte acht geslagen op het feit dat de verdachte een positieve wending aan zijn leven lijkt te hebben gegeven.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van de hierna te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 96-124514-15)

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 december 2015 is de verdachte

– voor zover hier van belang – veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 320 subsidiair

6 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met proeftijd van 2 jaren.

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straffen gevorderd. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.


De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie – gevorderd dat een taakstraf voor de duur van 12 uren subsidiair 6 dagen hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden zullen worden opgelegd.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig

gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straffen worden gelast.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, ziet het hof evenwel termen om dat slechts voor een gedeelte van die straf te doen.

Het hof zal daarom in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde geldboete een taakstraf voor de duur van 12 uren subsidiair 6 dagen hechtenis te gelasten. Het resterende deel van de vordering zal worden afgewezen.

Vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 96-072067-15)

Bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 juli 2015 is de verdachte – voor zover hier van belang – veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 3 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf gevorderd. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.


De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie – gevorderd dat een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis zal worden opgelegd.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, ziet het hof evenals de advocaat-generaal aanleiding om in plaats van de tenuitvoerlegging van een hechtenis voor de duur van 3 weken, een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, te gelasten.

Vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 15-165823-16)

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 november 2016 is de verdachte

– voor zover hier van belang – veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

1 maand, met proeftijd van 2 jaren.

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf gevorderd. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.


De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie – gevorderd dat deze vordering, mede gelet op het tijdsverloop, zal worden afgewezen.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede gelet op het tijdsverloop en de aard van het misdrijf dat in de onderhavige zaak bewezen is verklaard, acht het hof evenwel – evenals de

advocaat-generaal – termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 16 (zestien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Gelast in plaats van de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 december 2015 met parketnummer 96-124514-15, te weten een geldboete van € 320,- subsidiair 6 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 12 (twaalf) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Wijst af het resterende deel van de vordering betreffende de tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter voornoemd van 18 december 2015, te weten een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 juli 2015 met parketnummer 96-072067-15, te weten een hechtenis voor de duur van 3 weken met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van
10 augustus 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 november 2016, parketnummer 15-165823-16, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. M. Lolkema en mr. A. Verweij, in tegenwoordigheid van

mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 september 2018.

Mr. A. Verweij is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]