Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3277

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
200.236.091/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

enquêterecht; er wordt een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschappen; bij wijze van onmiddellijke voorziening wordt een bestuurder benoemd en bepaald dat de aandelen - met uitzondering van één aandeel van ieder van de aandeelhouders - ten titel van beheer zijn overgedragen aan een beheerder

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2018/185
OR-Updates.nl 2018-0149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.236.091/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 27 augustus 2018

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOVIST BEHEER B.V.,

gevestigd te Vleuten-De Meern,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. R. Wijn, kantoorhoudende te Rotterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOEVE HOLLAND HOLDING B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOPPENBERG B.V.,

beide gevestigd te Zundert,

VERWEERSTERS,

niet verschenen,

e n t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ,

gevestigd te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. A.J. van den Hoven, kantoorhoudende te Tilburg.

1. Het verloop van het geding

1.1 In het vervolg zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoekster met Bovist;

  • -

    verweersters ieder afzonderlijk met Hoeve Holland en Koppenberg en gezamenlijk met Hoeve Holland c.s.;

  • -

    belanghebbende met [A] .

1.2 Bovist heeft bij op 26 maart 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Hoeve Holland c.s. over de periode vanaf 1 maart 2017. Daarbij heeft zij tevens verzocht – zakelijk weergegeven – bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding [A] te schorsen als bestuurder van Hoeve Holland, dan wel een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht en de door [A] gehouden aandelen in het kapitaal van Hoeve Holland over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder (of subsidiair aan een te benoemen bestuurder) alsmede om Hoeve Holland te veroordelen in de kosten van het geding.

1.3 [A] heeft bij op 24 mei 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek, met producties, geconcludeerd tot afwijzing van de door Bovist verzochte onmiddellijke voorzieningen en de Ondernemingskamer verzocht – zakelijk weergegeven – een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Hoeve Holland c.s. over de periode vanaf 2015 en bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding Bovist te schorsen als bestuurder van Hoeve Holland en de door Bovist gehouden aandelen in het kapitaal van Hoeve Holland over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, dan wel een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht, alsmede om Hoeve Holland te veroordelen in de kosten van het geding.

1.4 De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 14 juni 2018. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en wat mr. Wijn voormeld betreft onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

1.5 Ter terechtzitting hebben Bovist en [A] afgesproken te bezien of zij alsnog tot een minnelijke oplossing van hun geschil kunnen komen door het maken van afspraken over een aandelenoverdracht. Mr. Van den Hoven heeft op 28 juni 2018 aan de Ondernemingskamer gemeld dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en namens [A] verzocht uitspraak te doen.

2 De feiten

De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:

2.1

Hoeve Holland is op 7 april 2006 opgericht. Bovist en [A] houden elk 50% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van Hoeve Holland. Zij vormen samen het bestuur van Hoeve Holland en zijn als bestuurders gezamenlijk bevoegd Hoeve Holland te vertegenwoordigen, met dien verstande dat een bestuurder zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd is in geval van rechtshandelingen met een maximale waarde van € 5.000.

2.2

Hoeve Holland houdt alle aandelen in Koppenberg en is tevens enig bestuurder van Koppenberg. Koppenberg, eveneens opgericht op 7 april 2006, drijft een champignonkwekerij.

2.3

[B] (hierna: [B] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van Bovist. [C] (hierna: [C] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [A] .

2.4

Koppenberg levert vanaf haar oprichting (witte) champignons aan de Belgische vennootschap Fresh Mushroom Europe N.V. (hierna: FME), die een groothandel in paddenstoelen exploiteert. Van de 51.500 aandelen in het geplaatste kapitaal van FME houdt [C] 10%; [B] houdt één aandeel en de rest van de aandelen wordt (indirect) gehouden door [D] (hierna: [D] ), de echtgenoot van [B] . Bestuurders van FME zijn [B] en [D] ; [C] was tot begin 2017 eveneens bestuurder van FME.

2.5

Koppenberg, FME en REO Veiling cvba (hierna: REO), een Belgische vennootschap die een veilingbedrijf exploiteert, hebben op 1 juni 2015 een koopovereenkomst voor de levering van champignons gesloten, hierna aan te duiden met het Driewegscontract. In deze overeenkomst, waarin FME als ‘koper’ en Koppenberg als ‘producent’ is aangeduid, is onder meer bepaald:

(…) - Hoeveelheid, prijs en leveringsdata:

De volledige geproduceerde hoeveelheden dienen na oogst te worden afgenomen. (…) De gewogen gemiddelde prijs wordt vastgesteld op € 1,50 per kg. Indien in het begin van december wordt vastgesteld dat de gewogen gemiddelde prijs afwijkt van de vastgestelde, wordt het verschil gecompenseerd over de maand december. (…)

- Verpakking:

Standaard in de verpakking die door de koper ter beschikking wordt gesteld. (…)

In de Algemene aankoop- en verkoopsvoorwaarden van REO die van toepassing zijn op het Driewegscontract, is bepaald: “(…) Alle lasten, o.m. van verpakking (…), zijn altijd ten laste van de koper”.

2.6

Vanaf 2015 hebben [C] en [D] gesprekken gevoerd over overdracht aan [C] van 20% van de aandelen die [D] in het kapitaal van FME houdt. Zij zijn er niet in geslaagd hierover overeenstemming te bereiken.

2.7

Op 7 maart 2017 zijn [C] en [D] overeengekomen te zullen toewerken naar een situatie waarin naast FME een nieuwe vennootschap zal worden opgericht, waarin een deel van de onderneming van FME zal worden ondergebracht en waarin – spiegelbeeldig aan de verhouding waarin de aandelen in FME worden gehouden – [C] 90% van de aandelen zal houden. Deze nieuwe vennootschap zou zich op een iets ander segment van de paddenstoelenmarkt richten dan FME. Tot uitvoering van deze overeenkomst is het nooit gekomen.

2.8

Op 2 juni 2017 is de Belgische vennootschap Funghi Funghi bvba (hierna: Funghi Funghi) opgericht. De echtgenote van [C] houdt samen met haar zus de aandelen in het geplaatste kapitaal van Funghi Funghi. Bestuurder van Funghi Funghi is de echtgenote van [C] . Funghi Funghi drijft een onderneming die zich toelegt op het handelen in paddenstoelen. [C] houdt zich vanaf 2 juni 2017 binnen Funghi Funghi bezig met de daghandel in paddenstoelen.

2.9

Vanaf medio 2017 is er overleg gevoerd over overdracht van de aandelen die [A] in Hoeve Holland houdt, al dan niet in combinatie met overdracht van de door [C] in FME gehouden aandelen. Dit heeft niet geleid tot overeenstemming.

2.10

[B] en [C] hebben in 2017 gediscussieerd over het doorberekenen door FME aan Koppenberg van de kosten van [E] (hierna: [E] ), een werknemer van FME die in 2016 en 2017 enige maanden aan Koppenberg ter beschikking is gesteld. In een e-mail van 24 oktober 2017 van [C] aan [B] staat:

(…) Met de doorberekening van de kosten van [ [E] ] door FME aan Koppenberg ga ik (…) niet akkoord. Inderdaad heeft FME [ [E] ] uitgezonden naar Koppenberg met de bedoeling om de plukkosten onder controle te krijgen (…) Het uitzenden door FME van [ [E] ] aan Koppenberg was een direct eigenbelang van FME (…)

2.11

[B] heeft op 26 oktober 2017 als volgt gereageerd op voormelde e-mail van [C] :

(…) Of het mij persoonlijk beter uitkomt of de kosten bij Koppenberg worden verwerkt, is niet relevant. Dat is trouwens ook niet zo, want het is zoals het is. Het gaat erom dat kosten moeten vallen waar zij horen, en dat is bij Koppenberg. (…) Dat het niet zou zijn afgesproken, jij hebt niet geantwoord op mijn vragen, maakt de zaak niet anders en wij kunnen dat nu alsnog regelen. (…) De kosten moeten daarom in de jaarrekening van Koppenberg worden verantwoord, zeker nu het om een materieel belang gaat. Het zal ook in de cijfers van FME worden gewijzigd, alleen zal dat gebeuren in de 2017 cijfers, want het gaat te ver om daar nu alles overhoop te halen. De cijfers van Koppenberg moeten nog worden opgesteld, dus het kan gewoon worden verwerkt. Het verschil met FME is trouwens dat de kosten van [ [E] ] voor Koppenberg wel van materieel belang zijn, voor FME niet. (…)

2.12

In de reactie van [C] van 27 oktober 2017 op voormelde e-mail van [B] staat:

(…) duidelijk [is] dat in ieder geval niet expliciet is besloten om de kosten van [ [E] ] aan Koppenberg door te berekenen. Ook staat vast dat in de jaarrekening van FME deze kosten niet zijn doorbelast, welke jaarrekening jouw volledige instemming, zowel als bestuurder alsook als aandeelhouder, heeft. (…)

3 De gronden van de beslissing

3.1

Bovist heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Hoeve Holland c.s. en dat gelet op de toestand van de vennootschappen onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft zij – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. [A] houdt zich sinds 1 maart 2017 niet of nauwelijks meer bezig met het bestuur van Hoeve Holland c.s., waardoor het bestuur sindsdien in feite door Bovist alleen wordt gevoerd. Wel frustreert [A] een normale bedrijfsvoering van de onderneming van Hoeve Holland c.s., die hiervan schade ondervindt, waardoor de onderneming, die verlieslatende jaren achter de rug heeft, ernstig in gevaar wordt gebracht. Maatregelen die nodig zijn om het tij te keren kunnen niet worden genomen, omdat binnen Hoeve Holland c.s. sprake is van een impasse zowel op het niveau van het bestuur als in de aandeelhoudersvergadering. Zo belemmert [A] het opmaken en vaststellen van de jaarcijfers over 2016 van de vennootschappen. In het voorjaar van 2017 heeft [A] de tweede fase van een voor de bedrijfsvoering van Koppenberg noodzakelijke investering in de temperatuurregeling van de kwekerij tegengehouden. Daarnaast is Bovist er eind 2017 ten gevolge van ontwijkend gedrag van [A] niet in geslaagd een nieuw contract met C & E Uitzendbureau B.V. te sluiten om zo te komen tot een noodzakelijke verlaging van de plukkosten. [A] handelt niet in het belang van Hoeve Holland c.s. maar gebruikt haar positie binnen Hoeve Holland c.s. slechts om FME zoveel mogelijk dwars te zitten, kennelijk ten faveure van Funghi Funghi. Funghi Funghi is feitelijk een onderneming van [C] en een kopie van de onderneming van FME; beide ondernemingen leggen zich toe op het handelen in paddenstoelen en hebben dezelfde leveranciers en dezelfde klanten. [A] beconcurreert daarmee (indirect) Koppenberg en heeft een poging gedaan een grote partij champignons van Koppenberg te verkopen aan (klanten van) Funghi Funghi, wetende dat het risico bestaat dat Koppenberg hierdoor haar contractuele verplichtingen jegens FME niet zou kunnen nakomen. Bovendien brengt [A] door haar handelen het behoud van het voor Koppenberg marktrelevante Fair Produce-certificaat van Koppenberg in gevaar, aldus nog steeds Bovist.

3.2

[A] heeft de bezwaren van Bovist inhoudelijk bestreden. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan. Wel acht [A] het met Bovist nodig dat een onderzoek plaatsvindt bij Hoeve Holland c.s., niet alleen wegens de impasse die op aandeelhouders- en bestuursniveau binnen deze vennootschappen is ontstaan, maar ook vanwege de volgende bezwaren. Bovist heeft, gelet op de hoedanigheid van [B] als bestuurder van FME en op de belangen van haar echtgenoot [D] als bestuurder van FME en (indirect) meerderheidsaandeelhouder in die vennootschap, een tegenstrijdig belang ten aanzien van aangelegenheden van Hoeve Holland c.s. die tevens FME raken. Dit tegenstrijdig belang heeft zich gemanifesteerd in het sluiten van het Driewegscontract, op grond waarvan Koppenberg verplicht is alle door haar geteelde champignons uitsluitend aan FME te leveren tegen een vaste prijs. [B] /Bovist heeft, zonder dat haar medebestuurder [A] daarvan op de hoogte was, namens Koppenberg het Driewegscontract gesloten en ondertekend terwijl het contract namens FME is ondertekend door haar echtgenoot [D] . [B] is daarvan pas op 15 februari 2018 op de hoogte geraakt. Ook komt het tegenstrijdig belang van Bovist tot uiting in haar berusting in de toedeling van de verpakkingskosten. FME heeft deze kosten, van in totaal circa € 891.000 over de jaren 2015, 2016 en 2017 in strijd met hetgeen daarover in het Driewegscontract is bepaald, telkens aan Koppenberg in rekening gebracht, maar Bovist weigert FME ertoe te bewegen dit bedrag te crediteren. Dit brengt voorts mee dat de (concept)jaarrekeningen van Koppenberg over deze jaren onjuist zijn en behoren te worden gecorrigeerd. Bovendien meent [B] /Bovist ten onrechte dat de kosten van [E] , een werknemer van FME, van in totaal € 69.000 met betrekking tot 2016 en 2017, aan Koppenberg dienen te worden doorbelast. Deze doorbelasting leidt ertoe dat [C] , gelet op de aandelenbelangen die hij (indirect) houdt in Koppenberg (50%) en FME (10%), per saldo een groter gedeelte van deze kosten zou moeten dragen. Dit alles maakt het volgens [A] tevens nodig de door haar verzochte onmiddellijke voorzieningen te treffen.

3.3

De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Zowel Bovist als [A] onderkent dat de verhouding tussen hen zodanig verstoord is geraakt, dat een vrijwel totale patstelling bestaat in het bestuur en in de algemene vergadering van aandeelhouders van Hoeve Holland, die doorwerkt op het niveau van Koppenberg. De Ondernemingskamer constateert dat de verstoorde verhouding een verlammende uitwerking heeft op de besluitvorming aangaande de bedrijfsvoering van de onderneming van Hoeve Holland c.s. en dat jaarrekeningen hierdoor niet kunnen worden vastgesteld. Beslissingen over (de noodzaak van) te nemen maatregelen met het oog op de verlieslatende situatie waarin de onderneming – naar niet in geschil is – al enige tijd verkeert, kunnen hierdoor niet worden genomen. Gesprekken die Bovist en [A] vanaf medio 2017 hebben gevoerd over overdracht van de aandelen die [A] in Hoeve Holland houdt aan Bovist, met als doel uit de impasse te geraken, zijn op niets uitgelopen. De Ondernemingskamer is met partijen van oordeel dat deze patstelling en haar gevolgen een gegronde reden vormen te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Hoeve Holland c.s.

3.4

De hiervoor genoemde verstoorde verhouding is mede het gevolg van de omstandigheid dat – kort gezegd – Bovist en [A] elkaar over en weer ervan betichten bij hun handelen een belang na te streven dat tegenstrijdig is aan het belang van Hoeve Holland c.s. Volgens Bovist laten zowel de omstandigheid dat [A] het laat afweten als bestuurder van Hoeve Holland als de door haar genoemde voorbeelden van tegenwerking door [A] , zien dat [A] het belang van Funghi Funghi voorop stelt. De Ondernemingskamer volgt Bovist hierin echter niet. Bovist is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat [A/C] door te handelen in het belang van Funghi Funghi, het belang van Hoeve Holland c.s. heeft veronachtzaamd. Niet gebleken is dat die belangen tegengesteld zijn. Dat FME als gevolg van de concurrentie van Funghi Funghi marktaandeel verloren is regardeert Hoeve Holland c.s. in principe niet, omdat FME ingevolge het Driewegscontract hoe dan ook gehouden is de volledige oogst van Koppenberg af te nemen. Dat FME daartoe niet meer in staat zou zijn is gesteld noch gebleken. Dat Funghi Funghi en FME als elkaars concurrenten tegengestelde belangen hebben – wat door [C] overigens met verwijzing naar hun marktpositie uitdrukkelijk is betwist – maakt op zichzelf nog niet dat [A/C] zich ten opzichte van Hoeve Holland c.s. zou behoren te onthouden van handelen in het belang van Funghi Funghi. Dat Hoeve Holland c.s. is opgericht met het doel om witte champignons voor FME te kweken maakt dat niet anders. Zelfs als juist zou zijn dat Koppenberg enkel is opgericht om FME te bevoorraden, is zij een zelfstandige vennootschap, met eigen belangen en belanghebbenden. FME is haar afnemer, maar heeft geen aandeelhoudersbelang. Het gaat er in deze procedure niet om welk beleid in het belang van FME zou zijn, maar wat de belangen van Hoeve Holland c.s. meebrengen. De exclusieve leveringsverplichting die Koppenberg uit hoofde van het Driewegscontract jegens FME heeft maakt dat ook niet anders. Bovists stelling dat [C] eind 2017 heeft geprobeerd om in strijd met die verplichting een lading champignons aan Koppenberg te onttrekken om deze aan Funghi Funghi, althans een andere partij dan FME te leveren, is door [A] gemotiveerd betwist en in dat licht onvoldoende aannemelijk geworden. [A] is voorts naar eigen zeggen eerst nadien, in februari 2018 op de hoogte geraakt van het bestaan van het Driewegscontract. Dat het Fair Produce-certificaat van Koppenberg daadwerkelijk in gevaar zou zijn heeft Bovist tegenover de gemotiveerde betwisting door [A] inhoudelijk onvoldoende toegelicht. Ook overigens ziet de Ondernemingskamer in het optreden van [A] binnen Hoeve Holland c.s. op zichzelf geen gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Hoeve Holland c.s.

3.5

Volgens [A] speelt aan de zijde van Bovist/ [B] een tegenstrijdig belang waarbij het belang dat Bovist in Hoeve Holland c.s. heeft het blijkens de gang van zaken in de praktijk moet afleggen tegen het belang dat van [B] en haar echtgenoot [D] bij FME hebben. De Ondernemingskamer overweegt hierover als volgt. Het feit dat het Driewegscontract aan de zijde van Koppenberg is ondertekend door [B] en aan de zijde van FME door (haar echtgenoot) [D] , roept de vraag op of [B] haar eigen belang bij FME voldoende zorgvuldig gescheiden heeft gehouden van het belang van Hoeve Holland c.s. Gesteld noch gebleken is dat [A/C] betrokken is geweest bij onderhandelingen over dan wel het sluiten van het Driewegscontract, wat, gelet op de vertegenwoordigingsbevoegdheid binnen Hoeve Holland minst genomen voor de hand had gelegen bij een dergelijke essentiële overeenkomst. Daarbij is van belang dat Koppenberg uit hoofde van het Driewegscontract voor onbepaalde tijd verplicht is alle geproduceerde champignons uitsluitend aan FME te leveren. Deze overeenkomst, die geen enkele flexibiliteit biedt, lijkt niet zonder meer in het belang van Hoeve Holland c.s. Daar komt het volgende bij. Op grond van het Driewegscontract dienen de door Koppenberg te leveren champignons te worden verpakt “standaard in de verpakking die door [FME] ter beschikking wordt gesteld”. In de Algemene aankoop- en verkoopsvoorwaarden van REO die – zoals [A] onbetwist naar voren heeft gebracht – van toepassing zijn op het Driewegscontract, is bepaald: “(…) Alle lasten, o.m. van verpakking (…), zijn altijd ten laste van de koper”. Met deze bepalingen lijkt voorshands niet zonder meer verenigbaar dat FME jarenlang een substantieel bedrag aan verpakkingskosten aan Koppenberg in rekening heeft gebracht.

3.6

De slotsom is dat gegronde redenen bestaan te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Hoeve Holland c.s. De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Hoeve Holland c.s. bevelen vanaf 1 januari 2015, dat zich in het bijzonder richt op hetgeen in 3.3 en 3.5 is overwogen. Het staat de onderzoeker vrij zo nodig ook aandacht te besteden aan het geschil aangaande de allocatie van de kosten van uitzendkracht [E] .

3.7

De Ondernemingskamer acht het met het oog op de toestand van Hoeve Holland c.s. noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening een derde als bestuurder van Hoeve Holland te benoemen. Aan hem zal in het bestuur van Hoeve Holland – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een doorslaggevende stem toekomen. Deze bestuurder zal zelfstandig bevoegd zijn Hoeve Holland te vertegenwoordigen; zonder hem zal Hoeve Holland niet vertegenwoordigd kunnen worden. Deze bestuurder zal zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak bij Hoeve Holland c.s. naar eigen inzicht kunnen doen bijstaan door [B] en/of [C] op door deze bestuurder te bepalen, nader te stellen voorwaarden. De Ondernemingskamer ziet in de bestaande impasse tevens aanleiding om de aandelen in Hoeve Holland met uitzondering van één aandeel van ieder van de aandeelhouders ten titel van beheer over te dragen aan een door haar te benoemen beheerder.

3.8

De te benoemen bestuurder mag het bovendien tot zijn taak rekenen een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven.

3.9

De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen bestuurder en beheerder ten laste brengen van Hoeve Holland.

3.10

Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding.

3.11

De Ondernemingskamer acht ten slotte termen aanwezig de kosten van het geding tussen de verschenen partijen te compenseren zoals hierna te vermelden.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Hoeve Holland Holding B.V. en Koppenberg B.V., beide gevestigd te Zundert, over de periode vanaf 1 januari 2015;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;

stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 25.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Hoeve Holland Holding B.V. en Koppenberg B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;

benoemt mr. A.W.H. Vink tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Hoeve Holland Holding B.V. met doorslaggevende stem en bepaalt dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Hoeve Holland Holding B.V. te vertegenwoordigen en dat zonder deze bestuurder Hoeve Holland Holding B.V. niet vertegenwoordigd kan worden;

bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat de aandelen in Hoeve Holland Holding B.V. – met uitzondering van één aandeel van ieder van de aandeelhouders – ten titel van beheer met ingang van heden zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon;

bepaalt dat het salaris en de kosten van de bestuurder en de beheerder van aandelen ten laste komen van Hoeve Holland Holding B.V. en bepaalt dat Hoeve Holland Holding B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder en de beheerder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van hun werkzaamheden;

compenseert de kosten van het geding tussen de verschenen partijen aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. A.W.H. Vink en mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, raadsheren, drs. M.A. Scheltema en mr. drs. G. Boon RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 27 augustus 2018.