Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3270

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
23-002728-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

telkens diefstal in vereniging, recidive

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002728-17

Datum uitspraak: 6 september 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-684303-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover inhoudelijk nog aan het oordeel van hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 01 juli 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen drie, althans een of meer busjes deodorant/deospray (merk Nivea), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Kruidvat (filiaal [plaats 1]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks terwijl tijdens het plegen van het vorenomschreven misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige (verdachte) tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2 primair
hij op of omstreeks 01 juli 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bestekset en/of een steakmessenset, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Blokker (filiaal [plaats 1]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks terwijl tijdens het plegen van het vorenomschreven misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige (verdachte) tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2 subsidiair
hij op of omstreeks 01 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een bestekset en/of een steakmessenset heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de strafoplegging tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op 1 juli 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie busjes deodorant (merk Nivea), toebehorende aan winkelbedrijf Kruidvat (filiaal [plaats 1]), zulks terwijl tijdens het plegen van het vorenomschreven misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige (verdachte) tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2 primair
hij op 1 juli 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bestekset en een steakmessenset, toebehorende aan winkelbedrijf Blokker (filiaal [plaats 1]), zulks terwijl tijdens het plegen van het vorenomschreven misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige (verdachte) tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Hetgeen onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft medegepleegd, nu de rollen van de verdachte en de medeverdachte bij de diefstallen bij de winkels van Kruidvat en Blokker niet inwisselbaar zijn geweest.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof het volgende als vaststaand aan.
De verdachte heeft zich op 1 juli 2017 samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] op één fiets begeven naar het filiaal van Etos aan de [plaats 2] te Amsterdam. De verdachte bestuurde deze fiets, terwijl de medeverdachte achterop zat. De verdachte is het filiaal binnengelopen, terwijl de medeverdachte met de fiets aan de hand verder is gelopen. Vervolgens is de verdachte weer naar buiten gelopen en heeft hij een paar slippers onder zijn jas weggestopt. Een medewerkster van Etos, heeft hem daarop verzocht de slippers terug te hangen en te vertrekken. Hieraan heeft de verdachte gehoor gegeven. Vervolgens heeft hij zich weer gevoegd bij de medeverdachte die even verderop op hem stond te wachten. Vervolgens zijn zij, gezamenlijk gezeten op de fiets, linea recta naar een winkel van Kruidvat aan de [plaats 1] gereden. De verdachte ging deze winkel binnen, terwijl de medeverdachte doorliep met de fiets. Hij heeft in de winkel drie bussen deodorant gepakt en deze meegenomen zonder te betalen. Hierna is hij opnieuw naar de medeverdachte gelopen die verderop op hem stond te wachten. Zij overhandigde hem vervolgens een rugtas. De verdachte nam deze tas aan, haalde de drie bussen deodorant onder zijn jas vandaan en stopte deze in de tas. Hierna liep het tweetal naar het filiaal van Blokker dat in dezelfde straat is gevestigd. De medeverdachte is toen die winkel ingelopen; de verdachte is met de fiets verder gelopen en is even verderop op de medeverdachte blijven wachten. De medeverdachte heeft zonder te betalen een bestekset en steakmessenset in een boodschappentas uit de winkel meegenomen en is vervolgens naar de verdachte gelopen. Zij heeft de twee sets uit de boodschappentas gehaald en in de linker fietstas van de door de verdachte meegevoerde fiets gestopt. De verdachte heeft daarna geprobeerd deze fietstas te sluiten. Zij zijn toen samen verder gelopen, waarna zij zijn aangehouden. Daarbij bleek dat de boodschappentas die de medeverdachte bij zich droeg geprepareerd was.

De tenlastegelegde diefstallen kunnen naar het oordeel van het hof gelet op de vastgestelde gang van zaken, bezien in het licht van de overige te bezigen bewijsmiddelen niet los van elkaar worden gezien en ook de vraag of de handelingen van de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte zijn begaan dient te worden beantwoord in het licht van het geheel en niet, zoals door de verdediging is bepleit, enkel op basis van de rol van de verdachte bij de afzonderlijke diefstallen. Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte op nauwe en bewuste wijze hebben samengewerkt bij beide ten laste gelegde diefstallen. Gelet op de serie van handelingen hebben de verdachte en de medeverdachte kennelijk het vooropgezette plan gehad om gezamenlijk goederen uit winkels te gaan stelen. Zij hebben vervolgens aan dit plan uitvoering gegeven door zich samen naar verschillende winkels te begeven, daar telkens door één van beiden de wegnemingshandelingen te laten verrichten, terwijl de ander buiten stond te wachten met een tas waarin naderhand de buitgemaakte goederen in konden worden veiliggesteld en vervoerd, en vervolgens gezamenlijk met de buit hun weg te vervolgen. Daarbij waren de rollen van de verdachte en de medeverdachte inwisselbaar. Sterker nog, deze rollen zijn metterdaad ingewisseld. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte beide ten laste gelegde diefstallen tezamen en vereniging met een ander heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk delict in kracht van gewijsde is gegaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen in een gezamenlijke tocht door de stad met de mededader. In één geval is daarbij op gewiekste wijze gebruik gemaakt van een geprepareerde boodschappentas. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendom en heeft hij kennelijk slechts uit eigen financieel gewin gehandeld. Dergelijke feiten brengen naast materiële schade ook overlast voor de gedupeerden mee en dragen bovendien bij aan in de maatschappij levende gevoelens van onrust over de veiligheid van goederen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 augustus 2018 is hij eerder en veelvuldig onherroepelijk veroordeeld voor (gekwalificeerde) diefstal, herhaaldelijk tot vrijheidsstraffen van enkele weken. Deze veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden om op 1 juli 2017 wederom in de fout te gaan. Dit wordt in sterk strafverzwarende zin meegewogen.

Bij deze stand van zaken, de ernst van de kort na elkaar gepleegde feiten en de veelvuldige recidive, acht het hof het noodzakelijk aan de verdachte een zwaardere straf op te leggen dan in eerste aanleg is gedaan en in hoger beroep is gevorderd. Daarmee wordt mede beoogd de verdachte de laakbaarheid van zijn handelen in te scherpen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat niet kan worden volstaan met een lagere straf dan de hierboven bedoelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 43a, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 9 stuks make-up (merk: L’Oreal, goednummer: 5411204);

- 1 stuk make-up (merk: Max Factor, goednummer: 5411205);

- 1 stuk make-up (merk: Max Factor, goednummer: 5411207).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van

mr. C. Schenker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 september 2018.

De griffier en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.