Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:327

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
200.208.499/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

1:160 BW, einde partneralimentatie, samenwonen als waren zij gehuwd, onvoldoende betwist door de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0082
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.208.499/ 01

zaaknummer rechtbank: C/15/248227 / FA RK 16-5367

beschikking van de meervoudige kamer van 30 januari 2018 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P. van de Kolk te Haarlem,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F.W. Huizinga te Haarlem.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 2 november 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 1 februari 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 2 november 2016.

2.2

De man heeft op 25 april 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 15 maart 2017 met bijlagen, ingekomen op 15 maart 2017;

- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 4 augustus 2017 met bijlagen, ingekomen op 7 augustus 2017.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 14 augustus 2017 plaatsgevonden. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw.

2.5

De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1978 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 22 april 2009 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 april 2009 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn twee inmiddels meerderjarige dochters geboren, [dochter a] en [dochter b] .

3.2

Bij de echtscheidingsbeschikking van 14 april 2009 van de rechtbank Haarlem is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 2.380,- bruto per maand met ingang van 22 april 2009.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van 14 april 2009, de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) op het gelijkluidende verzoek van de man met ingang van 5 september 2016 op nihil gesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie voor de vrouw af te wijzen dan wel, subsidiair, de nihilstelling pas per datum uitspraak van het hof te laten ingaan.

4.3

De man verzoekt het beroep van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de vrouw met de heer [X] (hierna: [X] ) is gaan samenleven als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren als bedoeld in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens de man is dat het geval. De vrouw betwist dit en stelt dat zij nog altijd recht heeft op een uitkering tot haar levensonderhoud.

5.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:160 BW eindigt de verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleving met een ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, dient volgens vaste rechtspraak tussen de alimentatiegerechtigde en de nieuwe partner sprake te zijn van een affectieve relatie van duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

5.3

De vrouw voert als meest verstrekkend verweer aan dat de man in 2015 ook nihilstelling van de partneralimentatie heeft verzocht op dezelfde grond als de man dat in 2016 heeft gedaan. De rechtbank heeft in 2015 geoordeeld dat de man zijn stelling dat de vrouw zou samenleven met een ander als waren zij gehuwd, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Zij heeft het verzoek om nihilstelling om die reden afgewezen. De man is niet van die beschikking in hoger beroep gekomen, zodat het oordeel van de rechtbank van 6 mei 2015, dat een samenleven van de vrouw als waren zij gehuwd niet is aangetoond, in kracht van gewijsde is gegaan. Nu de man nalaat om te onderbouwen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van 2015, had de rechtbank haar oordeel in de bestreden beschikking inhoudelijk moeten motiveren. Daaraan doet, naar het hof het standpunt van de vrouw begrijpt, niet af dat de vrouw in eerste aanleg te laat was met het voeren van verweer. Aangezien een inhoudelijke motivering ontbreekt, moet het verzoek van de man alsnog worden afgewezen, aldus de vrouw. De man heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.

5.4

Naar het hof begrijpt, beroept de vrouw zich op het gezag van gewijsde van een tussen partijen gewezen beschikking van 6 mei 2015. De man heeft niet weersproken dat die beschikking bestaat. De vrouw heeft echter nagelaten deze beschikking in het geding te brengen Het hof heeft aldus geen inzicht verkregen in de feiten en omstandigheden die destijds door de rechtbank bij haar beoordeling zijn betrokken, zodat thans niet kan worden beoordeeld in hoeverre in de onderhavige procedure moet worden uitgegaan van het gezag van gewijsde van die beschikking. De door de vrouw gestelde overweging van de rechtbank dat de man zijn stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd vormt evenwel een aanwijzing dat de man, anders dan in de huidige procedure, in de eerdere procedure geen bewijs heeft bijgebracht. De man heeft in dit verband onweersproken gesteld dat de door hem overgelegde schriftelijke verklaringen niet in de eerdere procedure zijn overgelegd. Daarbij komt dat de man thans de partneralimentatie wil laten eindigen per 5 september 2016, een datum gelegen na de door de vrouw genoemde beschikking. Het verweer van de vrouw faalt.

5.5

De man stelt dat de vrouw en [X] een affectieve relatie van duurzame aard hebben waarbij zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Ter staving hiervan heeft hij schriftelijke verklaringen overgelegd van [dochter b] , haar ex-partner [Y] en haar huidige partner [Z] . Uit deze verklaringen komt naar voren dat de vrouw en [X] op verschillende adressen hebben samengeleefd waarbij zij één slaapkamer deelden en een gemeenschappelijke huishouding voerden. Voorts hebben [X] en de vrouw gedurende een periode in de Verenigde Staten samengeleefd en daar een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. De man heeft tevens kwitanties op naam van [X] overgelegd van twee apotheken, waarin als adres het adres waar de vrouw op dat moment ook verbleef staat vermeld. Ook heeft de man een aanmaning overgelegd van een advocaat van [X] , geadresseerd aan het adres waar ook de vrouw verbleef. De man heeft voorts een brief overgelegd van de (toenmalige) advocaat van [X] van 17 december 2014 waaruit blijkt dat hij een verblijfvergunning aanvraagt voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf bij familie- of gezinslid’ voor verblijf bij zijn partner [de vrouw] . In die aanvraag wordt gewag gemaakt van een duurzame en exclusieve relatie tussen [X] en de vrouw, waarbij de vrouw genoeg financiële middelen heeft om [X] te onderhouden, te weten de partneralimentatie die de vrouw van de man ontvangt. De man betwist bij gebrek aan wetenschap de stelling van de vrouw dat de verblijfsvergunning van [X] is afgewezen omdat duidelijk werd dat de vrouw niet zijn partner is.

5.6

De vrouw betwist dat zij een duurzame affectieve relatie heeft (gehad) met [X] . Zij voert aan dat [X] een vriend van de familie is die veelvuldig bij haar verblijft vanwege haar slechte gezondheid en het gegeven dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hij verblijft echter ook elders. Zij betwist dat zij en [X] met elkaar samenwonen, elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Ter staving van haar stellingen heeft de vrouw schriftelijke verklaringen overgelegd van [X] en van [dochter a] , die ieder bevestigen dat er tussen de vrouw en [X] geen sprake is van een affectieve relatie, maar slechts van een vriendschap waarbij [X] de vrouw helpt met haar gezondheidsproblemen. Zij betwist dat de kwitanties van diverse apotheken die de man heeft overgelegd, aantonen dat sprake is van een affectieve relatie, wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding. De adressen op de kwitanties van de apotheek zijn die van [dochter b] . De vrouw was daar niet ingeschreven, zo blijkt uit het door haar overgelegde uittreksel van haar woonadressen. De vrouw heeft de huurovereenkomst van haar huidige woonruimte overgelegd waaruit blijkt dat deze woning alleen op haar naam staat. Voorts heeft de vrouw een aan [X] door de politie uitgereikte “Mededeling meldplicht” van 23 september 2016 overgelegd, waaruit blijkt dat [X] niet rechtmatig in Nederland verblijft en Nederland dient te verlaten. Nu [X] aldus niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, bewijst dit volgens de vrouw dat hij geen partnerschap heeft met haar.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak moet de regel van artikel 1:160 BW terughoudend worden toegepast, gezien het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in die bepaling besloten sanctie, te weten het einde van de alimentatieplicht. Dit betekent dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de in de jurisprudentie aan toepassing daarvan gestelde eisen en dat op de alimentatieplichtige een zware stelplicht rust. Dat neemt niet weg dat op de alimentatiegerechtigde de plicht blijft rusten om hetgeen wordt gesteld in voldoende mate te betwisten. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende betwist dat tussen haar en [X] sprake was van een duurzame affectieve relatie, waarbij zij met [X] heeft samengewoond. De man heeft in dit verband drie schriftelijke verklaringen overgelegd waarin gedetailleerd de relatie tussen de vrouw en [X] wordt beschreven alsmede hun samenwoning gedurende lange tijd op verscheidene adressen in Nederland en in de Verenigde Staten. Daarnaast heeft hij een brief overgelegd waaruit blijkt dat [X] een verblijfsvergunning heeft aangevraagd voor verblijf bij zijn partner, te weten de vrouw. Tegenover dit alles staan slechts blote ontkenningen van de vrouw en twee summiere verklaringen van [dochter a] en [X] . De “Mededeling meldplicht” van de politie toont, anders dan de vrouw lijkt te betogen, niet aan dat [X] niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning omdat geen sprake is van een relatie tussen hem en de vrouw. Daaruit volgt slechts dat hij op dat moment niet beschikte over een verblijfsvergunning. Onduidelijk is echter wat op de door de man overgelegde aanvraag van [X] is beslist, en indien deze is afgewezen, om welke reden. Het lag op de weg van de vrouw om in het kader van haar betwisting daarover meer duidelijkheid te verschaffen. Gelet op dit alles staat voor het hof vast dat sprake was van een duurzame affectieve relatie en van samenwoning tussen [X] en de vrouw.

De man heeft zijn stelling dat sprake is van wederzijdse verzorging en van een gemeenschappelijke huishouding eveneens onderbouwd met de gedetailleerde verklaringen van [dochter b] , [Y] en [Z] . Daaruit blijkt – als gezegd - dat [X] en de vrouw gedurende lange tijd op diverse adressen in Nederland en in de Verenigde Staten hebben samengeleefd en dat zij daarbij elkaar over en weer (financieel) hebben ondersteund, onder meer met het oog op de broze gezondheid van de vrouw. Ook de aanvraag van de advocaat van [X] voor een verblijfsvergunning vormt een sterke aanwijzing dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding met wederzijdse verzorging. Daarin wordt expliciet verwezen naar het inkomen van de vrouw uit partneralimentatie waarmee zij [X] zou kunnen onderhouden. Hiertegenover staan opnieuw slechts blote ontkenningen van de vrouw. De verklaringen van [dochter a] en [X] gaan niet in op de aspecten van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. De blote ontkenningen van de vrouw acht het hof onvoldoende. Het had op de weg van de vrouw gelegen om, daar waar de man gedetailleerde verklaringen overlegt, meer bewijs bij te brengen, bijvoorbeeld stukken waaruit de reden voor het afwijzen van de verblijfvergunning blijkt, anders dan de enkele stelling dat geen sprake is van partnerschap.

Al met al is het hof van oordeel dat de vrouw ook de stellingen van de man op het punt van de wederzijdse verzorging en de gemeenschappelijke huishouding onvoldoende heeft betwist. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen grond de vrouw nog toe te laten tot het leveren van tegenbewijs. Het moet ervoor worden gehouden dat ten tijde van het indienen van het verzoekschrift van de man in eerste aanleg, te weten per 5 september 2016, aan de vereisten van 1:160 BW was voldaan. De man heeft hieraan in zijn inleidend verzoek als conclusie verbonden dat de alimentatie op nihil moet worden gesteld, in plaats van beëindigd op grond van artikel 1:160 BW. De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen. Nu tegen die nihilstelling in plaats van beëindiging op zichzelf niet is gegriefd, zal het hof de bestreden beschikking ook in zoverre bekrachtigen.

Het hof ziet evenwel geen reden om de ingangsdatum van de nihilstelling op een later moment te stellen, nu de vrouw na 5 september 2016 geen recht op partneralimentatie meer had. Het subsidiaire verweer van de vrouw zal dan ook worden afgewezen en de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

5.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.A. van Keulen, in tegenwoordigheid van mr. N. Groen als griffier, en is op 30 januari 2018 uitgesproken in het openbaar.