Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:326

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
200.191.462/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:11292, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:2016
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:3473
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijze van verdeling vastgesteld van in nalatenschap vallend perceel grond te Suriname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team familie en jeugd

zaaknummer : 200.191.462/01

zaaknummer rechtbank : C/15/228503 / HA ZA 15-445

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 januari 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. T. den Haan te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.E. van der Bijl te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna opnieuw [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

Het hof heeft op 29 augustus 2017 in deze zaak een tussenarrest gewezen, waarbij partijen zijn gelast te verschijnen ter comparitie. Voor het verloop van de procedure tot 29 augustus 2017 wordt verwezen naar dat tussenarrest.

Partijen zijn, vergezeld van hun advocaten als hiervoor genoemd, op 18 oktober 2017 verschenen teneinde inlichtingen te verstrekken en een schikking te beproeven als bedoeld in het arrest van 29 augustus 2017. Tevens is ter comparitie verschenen de erfgenaam de heer [Y] , vergezeld van de advocaat mr. Kamphuis.

Partijen en [Y] hebben inlichtingen verstrekt, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het hof is in het tussenarrest van 30 mei 2017 tot de slotsom gekomen dat het alsnog de verdeling dient vast te stellen van de huwelijksgoederengemeenschap die heeft bestaan tussen [appellante] en haar op 9 februari 2013 overleden ex-echtgenoot [X] . Gevolg van deze vaststelling is dat tussen partijen nog dient te worden verdeeld het perceel grond, onder 3.1.2. van het tussenarrest van 30 mei 2017 omschreven als “Het perceelland, groot 2579,57 m2, gelegen in het distr. Suriname, op de kaart van de landmeter [de landmeter] dd. 12 april 1978 aangeduid met de [kadastrale aanduiding a] , welk perceel deel uitmaakt van het perceelland groot 8582,65 m2, gelegen in het distr. Suriname, op de kaart van de landmeter [de landmeter] dd. 31 augustus 1973 aangeduid met de [kadastrale aanduiding b] en met het no. 1, welk perceel deel uitmaakt van de samengevoegde percelen no.’s [2] en [3] Afdeling [afdeling] beslaande een oppervlakte van 29.423,98m2, instede van 30.988m2”.

2.2.

Het hof heeft aangegeven dat partijen zich bij akte dienden uit te laten over de vraag op welke wijze zij tot verdeling willen komen.

Partijen hebben zich dienaangaande uitgelaten, waarbij [appellante] heeft aangegeven dat zij haar aandeel in het perceel wil overdragen opdat [geïntimeerde] uitvoering kan geven aan het legaat dat [X] heeft opgenomen in zijn uiterste wilsbeschikking van 5 januari 2010. [geïntimeerde] heeft aangegeven dat een verdeling van het perceel in twee delen van gelijke waarde voor de hand ligt, onder meer omdat zij niet kan instemmen met betaling aan [appellante] van de waarde van het aandeel van [appellante] in het perceel.

2.3.

Het hof heeft in het tussenarrest van 30 mei 2017 tevens aangegeven dat het van [geïntimeerde] als executeur-testamentair (en als mede-erfgenaam) wenst te vernemen in hoeverre zij mede namens de andere mede-erfgenaam [Y] (de zoon van [appellante] en [X] ) uitlating doet. Het hof heeft er voorts op gewezen dat de advocaat die [appellante] in 2014 bijstond, destijds mede namens [Y] is opgetreden. Gelet daarop en gelet op het gegeven dat [appellante] de moeder van [Y] is, heeft het hof overwogen dat ook [appellante] het standpunt van deze mede-erfgenaam aan het hof kan melden. Het hof heeft in de opvolgende akten niet van partijen omtrent deze punten vernomen, waarop een comparitie van partijen is gelast. Ter comparitie is de mede-erfgenaam [Y] verschenen, vergezeld van zijn advocaat mr. Kamphuis.

2.4.

Ter gelegenheid van de comparitie is van de zijde van [Y] aangegeven dat hij weliswaar erfgenaam is, maar dat hij op grond van het testament van zijn vader op dit moment niks kan en eigenlijk aan de zijlijn staat en dat hij zich bij deze situatie neerlegt. Ook heeft [Y] aangegeven dat hij wil dat er iets met het land gebeurt, zoals verkoop of verdeling, waarbij hij meer voordeel heeft bij de verdeling van het land tussen partijen in plaats van een geldelijke afdoening.

2.5.

Met partijen is vervolgens besproken dat, gelet op de wederzijdse standpunten en vorderingen, een splitsing van het perceel in delen van gelijke waarde het meest voor de hand ligt. [appellante] heeft desgevraagd aangegeven dat een verdeling door splitsing van het perceel bij haar wensen zou passen, waarbij zij beseft dat ze kosten moet maken om tot een feitelijke splitsing te komen. [geïntimeerde] heeft – kort gezegd - aangegeven dat zij, ter uitvoering van het legaat, van mening is dat [appellante] tot splitsing dient te komen met degene die het legaat heeft aanvaard, [Z] , de broer van de overledene.

Partijen hebben vervolgens geen overeenstemming bereikt over de wijze waarop zij tot feitelijke splitsing van het perceel zouden kunnen komen.

2.6.

Het is niet aan het hof in deze procedure een verplichting vast te stellen tussen [appellante] en een derde, [Z] , zoals [geïntimeerde] voorstaat. Het hof zal tussen de opgekomen partijen de wijze van verdeling van het perceel vaststellen op basis van de voorliggende vordering, derhalve door middel van splitsing van het perceel in twee delen van gelijke waarde, met veroordeling van [geïntimeerde] in haar hoedanigheid van executeur-testamentair tot medewerking aan deze verdeling en met aanwijzing van een bevoegd notaris en met benoeming van een onzijdig persoon voor het geval [geïntimeerde] in gebreke zal blijven mee te werken. Het is daarbij aan [geïntimeerde] in haar hoedanigheid van executeur-testamentair de verdere afwikkeling van de nalatenschap ter hand te nemen, waarbij zij er in laatstgenoemde hoedanigheid voor zorg kan dragen dat [Z] hetgeen hem toekomt ook verkrijgt. De kosten van de wijze van verdeling dienen bij helfte door partijen te worden gedragen.

2.7.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het vonnis van 23 december 2015 dient te worden vernietigd, en dat de (gewijzigde) subsidiaire vordering van [appellante] in hoger beroep, strekkende tot vaststelling van de (wijze van) verdeling van het perceel aan [adres] , district Suriname dient te worden toegewezen. Gelet op de mate van gelijk en ongelijk is [appellante] ten onrechte in eerste aanleg in de kosten veroordeeld. [geïntimeerde] dient als overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties te worden veroordeeld. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 december 2015,

en opnieuw rechtdoende:

stelt de wijze van verdeling van de onverdeeldheid bestaande uit de door echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap van [appellante] en erflater [X] deels vallende in de nalatenschap van erflater [X] , aldus vast dat partijen dienen over te gaan tot splitsing van het onder 3.1. hiervoor beschreven perceel in twee delen van gelijke waarde;

beveelt partijen tot deze verdeling over te gaan ten overstaan van de notaris te Paramaribo, Suriname, en benoemt mr. K.J. Mannes, notaris te Paramaribo, Suriname, tot notaris ten overstaan van wie partijen dienen over te gaan tot de verdeling;

benoemt mr. P.P.G. Bissessur, advocaat te Paramaribo, Suriname, tot onzijdige persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW jo 677 leden 1 en 2 Rv. voor het geval [geïntimeerde] niet meewerkt aan de verdeling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] begroot op € 876,- aan verschotten en € 1.158,- voor salaris advocaat en in hoger beroep tot op heden op € 409,82 aan verschotten en € 1788,- voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest en de daarin uitgesproken kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. G.J. Driessen-Poortvliet, mr. H.A. van den Berg en

mr. J. Jonkers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken 30 januari 2018.