Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:3236

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
23-003959-17
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:30, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Profijtontneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003959-17

Datum uitspraak: 5 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2017 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer

13-706350-15 tegen de veroordeelde

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting

zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 47.584,54. Ter terechtzitting in eerste aanleg

van 26 oktober 2017 heeft de officier van justitie gerekwireerd dat de vordering gematigd kan worden met € 2.200,00, zijnde het bedrag dat door de veroordeelde is betaald aan Liander, zodat een vordering van € 46.248,18 resteert.

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2017 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van

de Opiumwet gegeven verbod en diefstal van stroom door middel van verbreking.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 26 oktober 2017 de vordering van het openbaar ministerie op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht afgewezen.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

22 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het

Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 23.792,27 en dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 22.455,91 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal is daarbij uitgegaan van twee geslaagde oogsten, waarvan de opbrengst gedeeld wordt door twee personen, met aftrek van de door de veroordeelde daadwerkelijk aan Liander betaalde kosten van € 1.336,36.

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn op schrift gestelde pleitnotities primair verzocht het vonnis te bevestigen. Subsidiair heeft de raadsman gesteld - kort

en zakelijk weergegeven - dat als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden beschouwd het geldbedrag van € 10.000,00 (dan wel dit bedrag in guldens) van de vervallen schuld en meer subsidiair dat op grond van het dossier slechts kan blijken dat voordeel is verkregen uit één geslaagde oogst.

De raadsman is voorts van mening, dat het gehele bedrag van de rekening van Liander als kosten in mindering kan worden gebracht op eventueel verkregen voordeel, subsidiair het bedrag van € 2.200,15 dat daarop reeds is betaald.

Het hof overweegt als volgt.

De veroordeelde heeft bij zijn aanhouding op 20 mei 2014 niet verklaard over (de eigenaar van)

de in zijn woning aangetroffen hennepplantage. De veroordeelde heeft ten overstaan van de politie

op 15 januari 2015 verklaard, dat hij in het verleden van een persoon € 5.000,00 heeft geleend (welke lening inmiddels € 10.000,00 was geworden), en dat deze persoon, ter aflossing van deze schuld,

een hennepplantage heeft laten inrichten op de zolder van de woning van de veroordeelde. De veroordeelde werd hiertoe onder druk gezet. De veroordeelde kende deze man als ‘[naam] of [naam] uit ergens in Purmerend’. Er is eenmaal geoogst en de veroordeelde heeft daarvan geen voordeel gehad.1

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de veroordeelde verklaard, dat de lening oorspronkelijk om een bedrag van 5.000,00 gulden ging. Verder heeft de veroordeelde verklaard, dat hij van de rekening van Liander van € 5.950,15 inmiddels ongeveer € 2.200,00 heeft betaald. Ter zitting in hoger beroep heeft

de veroordeelde onder meer verklaard dat hij deze ‘[naam]’ kende via een vriend (hij ging zelf niet met

hem om), dat in het kader van genoemde lening geen sprake is van een schuldbekentenis op papier, dat geen afspraak is gemaakt over de rente en dat hij geen contact meer heeft gehad met ‘[naam]’, en evenmin met de genoemde vriend.

Het hof volgt de veroordeelde niet in zijn enkele, niet concreet onderbouwde verklaring dat de kwekerij in zijn woning niet van hem is, maar van ‘[naam]’. Bij dat oordeel heeft het hof onder meer betrokken dat niet aannemelijk is, dat de veroordeelde geen (nadere) gegevens heeft van de vriend die hem met ‘[naam]’ in contact zou hebben gebracht en evenmin van ‘[naam]’, terwijl hij van deze laatste persoon een groot bedrag zou hebben geleend en hem bovendien een deel van zijn woning - waar de veroordeelde met zijn gezin verbleef - ter beschikking heeft gesteld.

Bij onherroepelijk vonnis van 26 oktober 2017 is de veroordeelde voor het op 20 mei 2014 als

pleger telen van hennep en voor de diefstal van stroom in de periode van 1 december 2013 tot en

met 20 mei 2014 veroordeeld.

Bij de schatting van het wederrechtelijk voordeel baseert het hof zich op het Proces-verbaal van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e tweede lid Sr van

19 april 2015 met nummer 2014091075, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] (hierna te noemen het ontnemingsrapport), het proces-verbaal van bevindingen over het aantreffen van de hennepkwekerij

van 20 mei 2014 met nummer PL131B-2014091075-7, opgesteld door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en het dossier in de strafzaak voor het overige.

Het dossier bevat naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde, naast het bewezenverklaarde gronddelict op 20 mei 2014, andere strafbare feiten heeft begaan in de periode van

1 december 2013 tot en met 20 mei 2014.

Uit het ontnemingsrapport is naar voren gekomen, dat op de zolder van de woning in ruimte A en C in totaal 274 potten met hennepresten zijn aangetroffen. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat sprake is van meerdere oogsten, maar deze zijn onvoldoende concreet om op basis daarvan aan te nemen dat sprake is geweest van een tweede oogst waarmee de veroordeelde criminele winst heeft behaald. Het hof gaat daarom in het voordeel van de veroordeelde uit van één geslaagde oogst en volgt voor de beide kweekruimtes de berekening van het ontnemingsrapport.

De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt (ontnemingsrapport pagina 12):

Ruimte A: 125 planten x 28,6 gram = 3,575 kilogram

Ruimte C: 149 planten x 28,6 gram = 4,2614 kilogram

Totaal: 3,575 kilogram + 4,2614 kilogram = 7,8364 kilogram.

Aangezien volgens het BOOM rapport de verkoopprijs minimaal € 3.280,00 per kilogram bedraagt,

is de totale bruto opbrengst van één oogst 7,8364 kilogram x 3.280,00 = € 25.703,39.

De kosten per oogst bedragen (ontnemingsrapport pagina 20):

Variabele kosten: € 5,67 x 274 planten € 1.553,58 +

Afschrijvingskosten: € 150 x 2 € 300,00

Cannacutter: € 0,21 x 274 planten € 57,54

Totale kosten: € 1.911,12.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel:

Bruto opbrengst: € 25.703,39 -

Totale kosten: € 1.911,12

Wederrechtelijk verkregen voordeel: € 23.792,27.

Uit de door de veroordeelde overgelegde stukken kan worden afgeleid dat hij de rekening van Liander heeft betaald tot een bedrag van € 1.656,14 (bijlage 8 bij de pleitnotities). Het hof zal dit bedrag als daadwerkelijk gemaakte kosten in mindering brengen bij het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Geconcludeerd wordt daarom dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van (afgerond) € 22.136,00 heeft verkregen. Het hof ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de boven genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De raadsman heeft verzocht de betalingsverplichting op een lager bedrag vast te stellen dan het wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien de veroordeelde onvoldoende draagkracht heeft om

aan een betalingsverplichting te kunnen voldoen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd en deels

met stukken onderbouwd, dat de veroordeelde nog vier thuiswonende kinderen heeft, dat hij en

zijn partner beiden een uitkering ontvangen, dat hij verschillende schulden en gezondheidsproblemen heeft.

Het hof stelt voorop dat in het ontnemingsgeding de draagkracht van de veroordeelde in hoger beroep alleen dan met vrucht aan de orde kan worden gesteld, indien ter terechtzitting voldoende onderbouwd wordt aangetoond dat de veroordeelde nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft, dan wel zal krijgen.

Gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd kan naar het oordeel van het hof, gezien de leeftijd van de veroordeelde (42 jaar), daarmee niet reeds nu worden gesteld dat hij in de toekomst onvoldoende draagkrachtig zal zijn om aan de betalingsverplichting te voldoen.

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 22.136,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 23.792,27 (drieëntwintigduizend zevenhonderdtweeënnegentig euro en zevenentwintig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 22.136,00 (tweeëntwintigduizend honderdzesendertig euro).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. S. Clement, mr. P. Greve en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 september 2018.

Mr. Greve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

1 [...]